- Arrest van 11 oktober 2013

11/10/2013 - C.12.0177.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vordering tot herstel van de door grof wild aangerichte schade aan de velden, vruchten en oogsten, waarvoor de houder van het jachtrecht op bospercelen moet instaan, die ingesteld wordt tegen de eigenaar van die percelen, waaruit dat wild te voorschijn komt, heeft betrekking op de schade aan alle vegetatie die buiten die percelen wordt geteeld, en met name aan de voor ontspanning bestemde gras- en bloemperken (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0177.F

J.-P. M.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENTE PROFONDEVILLE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Namen van 13 december 2010.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 17 juli 2013 ter griffie een conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, eerste lid, en 3, tweede lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijst eisers hoger beroep af tegen het vonnis van de eerste rechter, dat zijn vordering tot herstel van de schade aan zijn eigendom had verworpen, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en met name om de volgende redenen:

"De schade van [de eiser] is in dit geval veroorzaakt door everzwijnen maar betreft slechts zijn gras- en bloemperken;

Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade, die enkel betrekking heeft op schade aan velden, vruchten en oogsten, en de regels volgens welke de wetteksten die afwijken van het gemeen recht van de aansprakelijkheid beperkend moeten worden uitgelegd, heeft de eerste rechter terecht beslist dat die wet te dezen niet van toepassing is ;

De verwijzing naar de bewoordingen ‘velden, vruchten en oogsten' sluit immers de vergoeding uit van schade die niet is toegebracht aan gronden die bestemd zijn voor de teelt, maar aan bossen, sportterreinen, voor ontspanning bestemde tuinen of aan andere terreinen met een ander gebruiksdoel".

Grieven

Artikel 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade bepaalt dat de houders van het jachtrecht instaan voor de schade welke aan de velden, vruchten en oogsten wordt toegebracht door herten, reeën, damherten, wildschapen en everzwijnen welke te voorschijn komen uit de bospercelen waarop zij het jachtrecht hebben en dat zij zich noch op toeval noch op heirkracht kunnen beroepen.

Artikel 3, tweede lid, van die wet bepaalt dat de vordering kan worden ingesteld tegen de eigenaar van de goederen, tenzij de bedoelde eigenaar de houder van het jachtrecht doet dagvaarden tot tussenkomst en tot vrijwaring.

Het bestreden vonnis beslist dat "de verwijzing naar de bewoordingen ‘velden, vruchten en oogsten' [...] de vergoeding uitsluit van schade die niet is toegebracht aan gronden die bestemd zijn voor de teelt, maar aan bossen, sportterreinen, voor ontspanning bestemde tuinen of aan andere terreinen met een ander gebruiksdoel" en schendt aldus artikel 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1961, in de uitlegging die het Hof ervan geeft.

De eiser merkt immers op dat het Hof in twee arresten van 16 juni 2006 beslist heeft dat de artikelen 1 en 3 van de voormelde wet betrekking hebben op "de schade aan alle vegetatie die buiten de bospercelen wordt geteeld, onder meer aan de voor ontspanning bestemde grasperken".

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade bepaalt dat de houders van het jachtrecht in-staan voor de schade welke aan de velden, vruchten en oogsten wordt toegebracht door herten, reeën, damherten, wildschapen en everzwijnen welke te voorschijn komen uit de bospercelen waarop zij het jachtrecht hebben en dat zij zich noch op toeval noch op heirkracht kunnen beroepen.

Krachtens artikel 3, tweede lid, van die wet kan de vordering tot herstel van de in artikel 1 bedoelde schade ingesteld worden tegen de eigenaar van de goederen, tenzij laatstgenoemde de houder van het jachtrecht doet dagvaarden tot tussen-komst en tot vrijwaring.

Die bepalingen hebben betrekking op de schade aan alle vegetatie die buiten de bospercelen wordt geteeld, en met name aan de voor ontspanning bestemde gras-perken.

Het bestreden vonnis stelt vast dat "de schade van [de eiser] in dit geval is ver-oorzaakt door everzwijnen maar betreft slechts zijn gras- en bloemperken".

Het bestreden vonnis, dat beslist dat de wet van 14 juli 1961 "te dezen niet van toepassing is" en de vordering, die de eiser op grond van die wet heeft ingesteld, bijgevolg verwerpt, op grond dat "de verwijzing naar de bewoordingen ‘velden, vruchten en oogsten' [...] de vergoeding uitsluit van schade die niet is toegebracht aan gronden die bestemd zijn voor de teelt, maar aan bossen, sportterreinen, voor ontspanning bestemde tuinen of aan andere terreinen met een ander gebruiksdoel", schendt de artikelen 1, eerste lid, en 3, tweede lid, van die wet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, rechtszitting hou-dende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 11 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Jachtrecht

  • Houder

  • Bospercelen

  • Eigenaar

  • Grof wild

  • Velden, vruchten en oogsten

  • Schade

  • Begrip

  • Grasperken

  • Bloemperken