- Arrest van 11 oktober 2013

11/10/2013 - F100073F-F110086F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De belastbare inkomsten, in de zin van artikel 358, §1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, bevatten, voor de in artikel 220, 2° en 3°, van hetzelfde wetboek vermelde rechtspersonen, de in de artikelen 57 en 195, §1, eerste lid, bedoelde kosten die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0073.F

COLLECTIONS ET PATRIMOINES vzw,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

AR F.11.0086.F

COLLECTIONS ET PATRIMOINES vzw,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer F.10.0073.F, is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 26 juni 2009.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer F.11.0086.F, is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 3 de-cember 2008.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 4 juli 2013 ter griffie een conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is inge-schreven onder nummer F.10.0073.F, een middel aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

De eiseres voert volgend middel aan tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer F.11.0086.F:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 223, 1°, en 358, § 1er, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals ze van toepassing waren tijdens de aanslagjaren 1992, 1993, 1994 en 1995.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest stelt in substantie vast dat er, op vordering van 18 april 1996, een strafonderzoek ten laste van de voorzitter van eiseres werd geopend; dat laatstgenoemde, in een proces-verbaal van 13 mei 1998, het bestaan van een bankrekening met de naam Art Media heeft bekend, waarop "sinds 1991 de ‘zwarte' inkomsten uit de opeenvolgende tentoonstellingen zijn gestort"; dat hij tevens heeft verklaard dat "die bedragen in de eerste plaats hebben gediend om ‘klusjesmannen' te betalen die bij de tentoonstellingen hebben geholpen", dat "verscheidene leden van [de eiseres] van dat geld gebruik hebben gemaakt om hun kosten te doen terugbetalen en zich te doen vergoeden voor het vele werk dat ze hadden verricht" en dat hij zelf bepaalde bedragen in ontvangst had genomen; dat de administratie, na raadpleging van dat strafdossier, de eiseres wijzigingsberichten heeft toegestuurd die betrekking hadden op haar aangifte in de rechtspersonenbe-lasting voor de aanslagjaren 1992 tot 1998, waarbij ze zich beroept op de bijzondere termijn van artikel 358, § 1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 voor de aanslagjaren 1992 tot 1995; dat de administratie, voor elk aanslagjaar, aan de belastbare grondslag van de eiseres de geldopvragingen van de rekening van Art Media heeft toegevoegd als kosten in de zin van de artikelen 57 en 195, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, waarvoor individuele fiches en een samenvattende opgave hadden moeten zijn opgemaakt, terwijl zulks niet is gebeurd (artikel 223, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992); dat er vervolgens op die grond een aanvullende belasting is ingekohierd tot beloop van 200 of 300 pct., al naargelang het betrokken aanslagjaar (artikel 225, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992); het bestreden arrest van 3 december 2008 verwerpt vervolgens de stelling van de eiseres, volgens welke de belastbare inkomsten, bedoeld in artikel 358, § 1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, niet de kosten bevatten die bedoeld zijn in de artikelen 57 en 195, § 1, eerste lid, van dat wetboek, en die krachtens artikel 223, 1°, van hetzelfde wetboek onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

Die beslissing is gegrond op de volgende reden :

"De rechtsvordering moet uitwijzen dat de belastbare inkomsten niet zijn aangegeven. Dat begrip heeft niet alleen betrekking op de inkomsten sensu strictu maar, meer algemeen, op elke belastbare grondslag in de inkomstenbelastingen, waaronder ook de in artikel 57 bedoelde kosten die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave en die in hoofde van de rechtspersonen belastbaar zijn krachtens artikel 223, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (wat betreft het begrip niet aangegeven belastbaar inkomen dat ‘het door een ongerechtvaardigde aftrek geabsorbeerde inkomen' bevat, zie Bergen, 21 september 2005, J.D.F., 2005, 353)".

Grieven

Luidens artikel 358, § 1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 "mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld".

In tegenstelling tot artikel 354 van dat wetboek, dat van toepassing is wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de "belastbare inkomsten" en de "andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier", heeft het voormelde artikel 358, § 1, 3°, alleen betrekking op de "belastbare inkomsten". Voor de personen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting hebben die bewoordingen betrekking op de inkomsten die bedoeld worden in de artikelen 221 en 222 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die de voormelde personen ontvangen en waarop zij belast kunnen worden.

Die bewoordingen staan niet toe dat de toepassing van die van het gemeen recht afwijkende bepaling wordt uitgebreid tot de kosten van de rechtspersonen die, in bepaalde omstandigheden, krachtens artikel 223 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 worden toegevoegd aan hun belastbare grondslag; de belastbare inkomsten bevatten met name de in de artikelen 57 en 195, § 1, eerste lid, bedoelde kosten niet die een rechtspersoon maakt en die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave (artikel 223, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992).

Het bestreden arrest, dat het tegenovergestelde beslist, schendt derhalve de in de aanhef van het middel bedoelde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Voeging van de cassatieberoepen

De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen arresten die in dezelfde zaak zijn ge-wezen. Met het oog op een goede rechtsbedeling moeten beide worden gevoegd.

(...)

Het cassatieberoep dat is ingeschreven onder het nummer F.11.0086.F van de al-gemene rol

Middel

Volgens artikel 358, § 1, 3°, WIB1992 mag de belasting of de aanvullende belas-ting worden vastgesteld, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde termijn is verstre-ken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in een van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Krachtens artikel 223, 1°, van hetzelfde wetboek zijn de in artikel 220, 2° en 3°, vermelde rechtspersonen ook belastbaar ter zake van kosten als vermeld in de ar-tikelen 57 en 195, § 1, eerste lid, die niet worden verantwoord door individuele fi-ches en een samenvattende opgave.

Uit het voorgaande volgt dat de belastbare inkomsten, in de zin van die bepaling, voor de in artikel 220, 2° en 3°, WIB1992 vermelde rechtspersonen de in de arti-kelen 57 en 195, § 1, eerste lid, bedoelde kosten bevatten die niet worden verant-woord door individuele fiches en een samenvattende opgave.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers F.10.0073.F en F.11.0086.F.

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 11 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Rechtsvordering

  • Niet aangegeven belastbare inkomsten

  • Rechtspersonen