- Arrest van 14 oktober 2013

14/10/2013 - C.13.0117.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In afwijking van de andere bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, beperkt artikel 57, §2, eerste lid, 1°, in de regel de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; die bepaling verleent geen dringende medische hulp aan die vreemdeling (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0117.F

KLINIEK SINT-JAN vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OCMW VAN BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het tweede kanton te Brussel van 6 juni 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 23 september 2013 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

De eerste voorzitter heeft bij beschikking van 24 september 2013 de zaak verwe-zen naar de derde kamer.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23 en 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1, 57, § 1 en § 2, eerste lid, 1° van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals ze van toepassing waren, artikel 1 na zijn wijziging bij de wet van 7 januari 2002 en artikel 57, § 1 en § 2, eerste lid, na zijn wijziging bij de wetten van 12 januari en 25 april 2007;

- de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verwerpt de vordering van de eiseres tegen de verweerder als ongegrond, op grond van al zijn motieven, hierna weergegeven:

"De rechtsvordering wil de hospitalisatiekosten van mevrouw M. verkrijgen.

1. Toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Artikel 57, § 2 van de wet van 8 juli 1976 betreft enkel de personen die illegaal in het Rijk verblijven, wat niet het geval is voor mevrouw M.

Conform het arrest van 9 maart 2009 van het Hof van Cassatie, legt de organieke wet van 8 juli 1976 overigens geen enkele onvoorwaardelijke verplichting op aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn om tussen te komen in de be-handelingskosten van een behoeftige, ze behouden hun volledig beoordelingsvermogen inzake de staat van behoeftigheid van de persoon en inzake de noodzaak hem hulp te verlenen.

De maatschappelijke dienstverlening is voorbehouden voor natuurlijke personen en niet voor zorgverstrekkende instellingen, die niet rechtstreeks tegen een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen optreden.

Het recht op maatschappelijke dienstverlening kan door zijn aard niet worden overgedragen, aangezien het een persoonlijk recht is en onlosmakelijk verbonden met de rechthebbende, een natuurlijke persoon (artikel 1410, § 2, 8°, Gerechtelijk Wetboek).

2. De wet van 2 april1965

Die wet bevat geen enkele bepaling die ten voordele van de schuldeiser van een persoon die eventueel recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, een recht instelt op de terugbetaling van de voorgeschoten kosten.

3. Het begrip dringende medische hulp

Mevrouw M. verblijft rechtmatig op Belgisch grondgebied. Bijgevolg zijn noch artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, noch de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 december 1996 betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven op haar van toepassing.

Hieruit volgt dat de verweerder de facturen die mevrouw M. verschuldigd is niet hoeft te betalen.

De theorie van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid kan te dezen dus niet toegepast worden.

De vordering is ongegrond ten aanzien van de verweerder en gegrond ten aanzien van mevrouw M."

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 23 van de Grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden, wat inzonderheid het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand omvat.

Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt sinds zijn wijziging bij de wet van 7 januari 2002 dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid ; er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren.

Sinds zijn wijziging bij de wetten van 12 januari en 25 april 2007 bepaalt artikel 57, § 1 en § 2, eerste lid, 1°, van de wet van 8 juli 1976:

"§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Het bevordert de maatschappelijke participatie van de gebruikers.

Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

§ 2. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft".

Sinds zijn vervanging bij wet van 22 februari 1998 definieert artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening de dringende geneeskundige hulpverlening als het onmiddellijk verstrekken van aangepaste hulp aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een plotse verwikkeling van een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd.

Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat eenieder wiens toestand onmiddellijke gezondheidszorg vereist recht heeft op dringende medische hulp, wat niet enkel de kosten omvat voor het vervoer in een ziekenwagen en de opname in een zorginstelling, maar ook de verblijfs- en behandelingskosten die zijn gezondheidstoestand vergt.

Zodra een persoon, ongeacht zijn financiële situatie, dringende zorgverlening behoeft, wat te dezen vaststaat, is het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden hem de dringende medische hulp te verschaffen die zijn gezondheidstoestand vereist en die hem in geen geval geweigerd kan worden.

Wanneer een persoon die dringende medische hulp nodig heeft door een privaat ziekenhuis wordt geholpen, moet het bevoegde openbaar centrum voor maat-schappelijk welzijn de kosten ten laste nemen van de onmiddellijke hulpverlening die de gezondheidstoestand van deze persoon vergt wanneer hij niet in staat is deze financiële last zelf te dragen, wat het bestreden vonnis vaststelt.

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan niet aan zijn verplichting ontkomen onder het voorwendsel dat het niet zelf de zorg voor het slachtoffer op zich heeft genomen, vermits het in een privaat ziekenhuis is opgenomen en ver-zorgd.

De verplichting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om de kosten ten laste te nemen is een norm die het centrum een bepaald gedrag oplegt.

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vormt de materiële miskenning van een norm die een bepaalde verplichting oplegt een fout die zijn auteur ertoe verplicht de schade daaruit te vergoeden.

Het bestreden vonnis dat beslist dat de verweerder geen fout heeft begaan door te weigeren de kosten van de dringende medische hulp die de eiseres aan mevrouw M. verstrekt heeft ten laste te nemen, hoewel een dergelijke verplichting op haar rust in haar hoedanigheid van bevoegd openbaar centrum krachtens de artikelen 23 van de Grondwet, 1 en 57, § 1, van de wet van 8 juli 1976 en 1 van de wet van 8 juli 1964 en hoewel mevrouw M. de financiële last ervan niet kon dragen, wat niet betwist wordt, schendt die wettelijke bepalingen alsook de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bestaat de fout op grond waarvan de administratieve overheid aansprakelijk kan gehouden worden in een handeling die, ofwel, beschouwd wordt als een foute handelswijze die beoordeeld moet worden aan de hand van het criterium van het normaal zorgvuldig en voorzichtig bestuur dat zich in dezelfde omstandigheden bevindt, ofwel, behoudens een onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een interne of verdragsrechtelijke norm schendt die uitwerking heeft in de interne rechtsorde en die deze overheid een bepaalde handeling of onthouding oplegt.

De omstandigheid dat de overtreden wettelijke norm niet tot doel had degene die de overtreding ervan aanvoert rechtstreeks en onmiddellijk te beschermen, heeft geen invloed op het al dan niet bestaan van een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet iedere administratieve overheid, in de akte en op afdoende wijze, de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen vermelden. De "bestuurshandelingen" in de zin van de wet van 29 juli 1991 zijn de eenzijdige rechtshandelingen met indi-viduele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur.

In casu voerde de eiseres in conclusie aan dat de verweerder een fout had begaan op grond waarvan hij burgerlijk aansprakelijk was door het gebrek aan formele motivering van zijn weigeringsbeslissing de hospitalisatiekosten van mevrouw M. ten laste te nemen, wat zij en de eiseres gevraagd hadden:

"De verweerder weigert tussen te komen aangezien hij meent dat uit de wet van 8 juli 1976 geen enkele rechtstreekse vordering voor derden afgeleid kan worden. Hij motiveert daarenboven ook zijn beslissing niet. (...) De verweerder weigert tussen te komen zonder passende verantwoording, hoewel de patiënte hem zelf om hulp had verzocht. Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (artikel 1, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976). Hieruit volgt dat een persoon die om maatschappelijke dienstverlening verzoekt, moet bewijzen dat hij zonder deze bijstand niet in staat is een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn moet dat element dus onderzoeken. Conform de wet van 29 juli 1991 moet iedere beslissing van een administratieve overheid immers formeel en op afdoende wijze gemotiveerd worden (artikel 2). Een weigering tot tussenkomst van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zonder verdere uitleg of eenvoudigweg gestoeld op het feit dat er geen enkele rechtsvordering ten voordele van derden uit voortvloeit, terwijl de patiënte zelf het verzoek heeft ingediend, is dus niet wettelijk gemotiveerd naar de geest van de wet,".

Met geen van zijn redenen beantwoordt het vonnis dit verweer. Het schendt, bijgevolg, artikel 149 van de Grondwet.

Het bestreden vonnis dat beslist dat de verweerder geen fout heeft begaan waardoor hij aansprakelijk is in de zin van artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, zonder na te gaan of zijn weigering tussen te komen in de hospitalisatiekosten van mevrouw M. gemotiveerd is conform artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet.

Om dezelfde redenen stelt het vonnis het Hof niet in staat de wettigheid van zijn beslissing dat de verweerder geen fout heeft begaan in de zin van artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, te toetsen en schendt het bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Over de door de verweerder tegen dit onderdeel opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid omdat het vaag, nieuw en zonder belang zou zijn:

1. Het onderdeel verwijt het bestreden vonnis dat het oordeelt dat de verweer-der niet gehouden was de patiënt M. de maatschappelijke dienstverlening, bepaald bij artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet, toe te kennen die bestaat in het ten laste nemen van dringende hospitalisatiekosten en daaruit af te leiden dat de weigering van deze dienstverlening geen fout uitmaakt op grond waarvan de verweerder burgerlijk aansprakelijk is krachtens artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

De schending van de voormelde bepalingen alleen volstaat om tot cassatie te lei-den indien het onderdeel gegrond is.

2. De bepalingen van de artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet, waarvan de schending wordt aangevoerd, zijn van openbare orde.

De eiseres kan bijgevolg voor het eerst voor het Hof op ontvankelijke wijze tegen het bestreden vonnis een middel opwerpen, dat steunt op de schending van derge-lijke bepalingen, ongeacht de middelen die zij voor de feitenrechter heeft aange-voerd.

3. Het bestreden vonnis verwerpt de vordering van de eiseres tot herstel van de schade veroorzaakt door de fout van de verweerder, op grond van de overwegin-gen die het onderdeel bekritiseert.

Het steunt die beslissing niet op de redenen dat de maatschappelijke dienstverle-ning voorbehouden is aan natuurlijke personen, dat dit recht persoonlijk en on-overdraagbaar is, dat de zorgverstrekkende instellingen niet rechtstreeks mogen optreden tegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn of dat de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn geen enkele bepaling bevat die een recht op terugbetaling van de voorgeschoten kosten schept ten voordele van de schuldeiser van een persoon die in aanmerking komt voor maatschappelijke dienstverlening.

4. De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet aangenomen worden.

Gegrondheid van het onderdeel

5. Het bestreden vonnis stelt vast dat M. "regelmatig op het Belgisch grond-gebied verblijft"; dat ze "met spoed is opgenomen in het ziekenhuis van de eiseres van 1 tot 16 juni 2010"; dat ze zich in een "kennelijke staat van armoede" bevond, dat "de sociale dienst van de eiseres vernomen had dat ze over geen enkel inkomen beschikte dat haar toeliet de kosten te dragen met betrekking tot de zorg die haar verstrekt werd" en dat ze zich had gewend tot de verweerder "opdat hij de behandelingskosten ten laste zou nemen" na de tussenkomst van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Het stelt vast dat de eiseres de veroordeling van de verweerder tot het betalen van die hospitalisatiekosten vorderde en aanvoerde dat de weigering tot tussenkomst van de verweerder een " fout uitmaakte op grond van artikel 1382 van het Bur-gerlijk Wetboek".

6. Krachtens artikelen 1 en 57, § 1, eerste lid, OCMW-wet heeft het centrum, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is, dienstverlening die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De dienstverlening kan, zoals bepaald bij artikel 57, § 1, derde lid, van materiële of geneeskundige aard zijn.

In afwijking van de andere bepalingen van de OCMW-wet, beperkt artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de regel tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.

Deze bepaling behoudt de dringende medische hulp niet voor tot die vreemdeling.

De dienstverlening toegekend op grond van de artikelen 1 en 57, § 1, eerste lid, of beperkt tot de dringende medische hulp krachtens artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, kan bestaan in het ten laste nemen van de dringende hospitalisatiekosten die ten laste zijn van de patiënt na de tussenkomst van de verplichte verzekering voor ge-neeskundige verzorging en uitkeringen.

Door te overwegen dat "artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 slechts perso-nen betreft die illegaal in het Rijk verblijven, wat niet het geval is voor M.", heeft het bestreden vonnis zijn beslissing dat de verweerder niet gehouden was deze pa-tiënt de dringende hospitalisatiekosten die deze aan de eiseres verschuldigd is te vergoeden niet naar recht verantwoord.

7. De verplichting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, de patiënt maatschappelijke dienst-verlening te verzekeren krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, eerste lid, OCMW-wet, door de hospitalisatiekosten ten laste te nemen, hangt niet af van een verzoek tot tussenkomst vanwege de patiënt of zijn lasthebber, een sociale enquête of een beslissing van de raad van de dienstverlening die aan de zorg zou vooraf gaan, wanneer hun spoedeisend karakter een dergelijk verzoek, enquête of beslissing be-let.

Wanneer in zulk geval zijn tussenkomst wordt gevraagd na de dringende zorgver-lening, gaat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn na of de patiënt niet in staat is zelf de financiële last ervan te dragen zonder dat de menselijke waardigheid in het gedrang komt.

Het bestreden vonnis dat het spoedeisend karakter van de ziekenhuisopname en de kennelijke staat van armoede van de patiënt heeft vastgesteld en vervolgens overweegt dat bij de medische behandeling "van een behoeftige [de openbare centra voor maatschappelijk welzijn] hun volledig beoordelingsvermogen behouden inzake de staat van behoeftigheid [van de patiënt] en inzake de noodzaak hem hulp te verlenen", verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat de verweerder niet gehouden was de hospitalisatiekosten aan de patiënt te betalen en dat de theorie van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid hier dus niet toegepast kan worden ten voordele van de eiseres.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Overige grieven

8. Het tweede onderdeel kan niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de eiseres tegen de verweerder en over de kosten tussen de partijen in cassa-tie.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de vrederechter te Brussel, eerste kanton.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 14 okto-ber 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dringende medische hulp

  • Vreemdeling

  • Verlening