- Arrest van 15 oktober 2013

15/10/2013 - P.13.0698.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering staat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet met toepassing van artikel 135, §1, onmiddellijk cassatieberoep open; dit onmiddellijk cassatieberoep is evenwel slechts mogelijk voor zover de zaak steeds in onderzoek is, dit is wanneer de rechtspleging nog niet definitief is geregeld en de kamer van inbeschuldigingstelling bijgevolg nog rechtsmacht had om over de zaak uitspraak te doen; wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer heeft om over het hoger beroep van een burgerlijke partij uitspraak te doen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk (1). (1) Zie Cass. 9 maart 2004, AR P.04.0199.N, AC 2004, nr. 135.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0698.N

G H,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

M F T H,

inverdenkinggestelde,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 maart 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Het openbaar mi-nisterie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen alle beschik-kingen van de raadkamer."

2. Overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering staat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet met toepassing van artikel 135, § 1, voornoemd, onmiddellijk cassatieberoep open.

Dit onmiddellijk cassatieberoep is evenwel slechts mogelijk voor zover de zaak steeds in onderzoek is, dit is wanneer de rechtspleging nog niet definitief is gere-geld en de kamer van inbeschuldigingstelling bijgevolg nog rechtsmacht had om over de zaak uitspraak te doen.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de raadkamer bij beschikking van 1 juni 2012 de verweerster naar de correctio-nele rechtbank heeft verwezen en ten aanzien van de inverdenkinggestelde P.H. de strafvordering niet ontvankelijk heeft verklaard;

- de eiseres hoger beroep heeft ingesteld tegen die beschikking "waarbij geoor-deeld werd dat de zaak in staat van wijzen is".

4. Aldus heeft de eiseres geen hoger beroep ingesteld tegen die beslissing waarbij de verweerster naar de correctionele rechtbank werd verwezen en de strafvordering ten aanzien van de inverdenkinggestelde P.H. niet ontvankelijk werd verklaard. Die beslissingen hebben bijgevolg kracht van gewijsde en hebben voor gevolg dat de rechtspleging definitief is geregeld.

5. Hieruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer had om over het beperkt hoger beroep van de eiseres nog uitspraak te doen, zodat het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is.

Middel

6. Het middel dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassa-tieberoep, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 74,11 euro, waarvan 39,11 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 15 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Definitieve regeling van de rechtspleging

  • Onmiddellijk cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid