- Arrest van 15 oktober 2013

15/10/2013 - P.13.1575.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt onaantastbaar binnen de grenzen van de wet, welke de tegenaanwijzingen zijn op grond waarvan zij een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit afwijst, waaronder het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten; bij die beoordeling mag de rechter alle vaststaande feiten betrekken die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen (1). (1) Zie Cass. 13 sept. 2011, AR P.11.1510.N, AC 2011, nr. 466.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1575.N

M J,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen van 13 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces: het vonnis vraagt een doorgedreven persoonlijk-heidsonderzoek, risicotaxatie en duidelijkheid over eisers relatie met zijn partner; dit betekent dat de psychosociale dienst een onvolledig verslag heeft opgesteld zodat per definitie het toekennen van strafmodaliteiten onmogelijk werd; het von-nis verwijst naar een gewelddadig incident waarvoor de eiser nog niet werd ver-oordeeld en naar een zaak die in Nederland aanhangig is; aldus miskent het vonnis eisers rechten vermits dergelijke omstandigheden in het verleden geen probleem uitmaakten en het niet zeker is dat hij voor die feiten wordt veroordeeld; het maat-schappelijk onderzoek werd op subjectieve wijze gevoerd.

2. In zoverre het middel opkomt tegen het verslag van de psychosociale dienst en tegen het maatschappelijk onderzoek, is het niet gericht tegen het vonnis en is het niet ontvankelijk.

3. De enkele omstandigheid dat het vonnis een doorgedreven persoonlijk-heidsonderzoek, risicotaxatie en duidelijkheid over de relatie met eisers partner vraagt, houdt niet in dat de strafuitvoeringsrechtbank zich niet kan uitspreken over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten. Niets belet de strafuitvoeringsrecht-bank uitspraak te doen op grond van de voorliggende feitelijke omstandigheden die zij als tegenaanwijzingen als bedoeld in artikel 47, § 1, 1° tot 4°, Wet Strafuit-voering aanmerkt. Hierdoor wordt eisers recht op een eerlijk proces geenszins miskend.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

4. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt onaantastbaar binnen de grenzen van de wet, welke de tegenaanwijzingen zijn op grond waarvan zij een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit afwijst, waaronder het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten.

Bij die beoordeling mag de rechter alle vaststaande feiten betrekken die aan de te-genspraak van de partijen zijn onderworpen.

5. Voor de afwijzing van eisers voorwaardelijke invrijheidstelling, elektronisch toezicht en beperkte detentie, neemt het vonnis de volgende feitelijke om-standigheden als tegenaanwijzingen in aanmerking: eisers betrokkenheid in een gewelddadig incident waarbij hij verkoos naar Marokko te vluchten en er veertien maanden achter te blijven, het bestaan van onduidelijkheden volgend uit het be-staan van "een hangende zaak in Nederland" waarbij de eiser in beroep is gegaan tegen een veroordeling tot 32 maanden gevangenisstraf wegens gewelddadige fei-ten en waarvan de rechtbank de uitspraak wil afwachten, en het feit dat eisers echtgenote hem een laatste kans wil bieden, ook al mislukte de voorwaardelijke invrijheidstelling door zijn vlucht en zijn de beide echtgenoten ondertussen ge-scheiden. Hierdoor steunt de strafuitvoeringsrechtbank niet op eisers schuld aan een feit waarvoor hij niet is veroordeeld, maar beschrijft het vonnis de feitelijke omstandigheden die het als tegenaanwijzingen in aanmerking neemt om de weige-ring van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten te verantwoorden daar ze wij-zen op een risico voor het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Aldus is de beslissing, zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces, naar recht ver-antwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel door het vonnis over het bestaan van tegenaanwijzingen voor de gevraagde strafuitvoe-ringsmaatregelen of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 15 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsmodaliteit

  • Tegenaanwijzingen

  • Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank