- Arrest van 16 oktober 2013

16/10/2013 - P.13.0725.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bewoordingen van artikel 3, §3, van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek, dat de aanwezigheid verbiedt in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn van elk element dat tot roken kan aanzetten of laat uitschijnen dat roken toegestaan is, zijn algemeen gesteld zodat de rechter kan beslissen dat de uitbater, door zijn klanten toe te staan hun pakjes sigaretten op de speeltafels te leggen, het voornoemde verbod heeft overtreden aangezien die zaken reeds door hun aard de mogelijkheid tot gebruik ervan suggereren; dat verbod is niet beperkt tot de zaken die de uitbater toebehoren of die hij zijn klanten ter beschikking stelt; het strekt zich uit tot elk voorwerp, ongeacht de herkomst, dat de aanzettende of uitschijnende uitwerking heeft die de wet wil voorkomen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0725.F

CIRCUS BELGIUM nv,

Mr. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 maart 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiseres verwijt het arrest dat het op onrechtmatige wijze de bewijslast omkeert en de artikelen 6.1 en 6.2 EVRM schendt, door te beslissen dat zij alleen kan wor-den vrijgesproken indien ze bewijst dat zij tussenbeide is gekomen bij klanten van wie is vastgesteld dat zij rookten.

Het arrest stelt vast dat de eiseres "alle aanwezigen vrij heeft laten roken, zonder in te grijpen, of zij toont dat toch niet aan, wel integendeel".

Die vaststelling wordt gestaafd door de uiteenzetting van de feiten alsook door de eerste overweging die de appelrechters aan de grondslag van de telastlegging heb-ben gewijd : volgens hen gaat de eiseres ervan uit dat, wat haar betreft, het aan-brengen van de tekens 'verboden te roken' op zich al volstaat om aan de wettelijke voorschriften te voldoen, zonder dat zij de klanten die dat verbod overtreden daar ook nog attent op hoeft te maken, vermits zij niet verantwoordelijk is voor hun gedrag.

Het arrest zegt dus niet dat de eiseres moet bewijzen dat ze bij die klanten tussen-beide is gekomen maar zegt, wat niet hetzelfde is, dat zij aanvoert dat dit haar taak niet is.

Het middel berust op een onjuiste interpretatie van het arrest en mist bijgevolg fei-telijke grondslag.

Tweede middel

De eiseres voert aan dat het arrest artikel 149 Grondwet schendt omdat het dub-belzinnig is gemotiveerd.

Onder dubbelzinnigheid die tot cassatie kan leiden op grond van artikel 149 Grondwet, wordt de reden verstaan die op twee manieren kan uitgelegd worden. Volgens de ene uitleg is de beslissing wettig, volgens de andere is ze dat niet.

Onder voorwendsel van een grief waarin het arrest dubbelzinnigheid wordt verweten, voert de eiseres aan dat ze uit de motivering niet kan opmaken of ze nu veroordeeld is omdat ze zelf het strafbaar feit heeft gepleegd of wegens deelneming aan een strafbaar feit dat door anderen is gepleegd, te dezen de be-keurde rokers in de door haar uitgebate zalen.

Het arrest wijst erop dat de beklaagde, teneinde het rookverbod in haar zaak te doen naleven, haar wettelijke verplichting tot optreden heeft miskend.

Die reden, die de eiseres bestraft in haar hoedanigheid van pleger van het strafbaar feit, is niet dubbelzinnig.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Artikel 7 van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek, bepaalt dat de uit-bater en de klant, elkeen voor wat hem aangaat, verantwoordelijk zijn voor de na-leving van de bepalingen van deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten.

Artikel 3 van de wet bepaalt niet alleen dat de bedoelde plaatsen uitgerust moeten zijn met rookverbodstekens, maar ook dat het daar verboden is te roken, dat zij rookvrij dienen te zijn en dat daar geen enkel element mag worden aangetroffen dat laat uitschijnen dat roken is toegestaan.

Het aanbrengen van de verbodstekens en het uitdelen van een bericht met de ver-melding dat in de zaak niet mag worden gerookt zijn dus niet de enige verplich-tingen van de uitbater, die volgens de wet niet alleen voor de melding maar ook voor de toepassing van het rookverbod moet zorgen.

Het middel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Vierde middel

De overweging waarop het middel kritiek uitoefent, wordt door het arrest niet toegekend aan het door de eiseres aangevoerde stuk.

Het middel, dat de miskenning van de bewijskracht van die akte aanvoert, mist feitelijke grondslag.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

De eiseres verwijt het arrest dat het haar veroordeelt voor feiten die niet bij het vonnisgerecht aanhangig waren gemaakt, in casu de overtreding van het verbod, in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn, van elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat uitschijnen dat roken is toegestaan.

Het beroepen vonnis vermeldt dat de eiseres "bij al haar klanten duidelijk heeft gesteld dat zij zich niet echt druk maakte over de verbodsbepaling en dat ze vrij waren om naar eigen goeddunken te handelen. Ze is zelfs zo ver gegaan om hen aan de toegang een bericht te overhandigen waarin ze preciseert dat ze alle ver-antwoordelijkheid afwijst bij niet-naleving van het verbod, waarbij ze voorbijgaat aan de wettelijke onmogelijkheid om zichzelf van de strafrechtelijke verantwoor-delijkheid te ontslaan. Ze heeft aldus artikel 3, § 1, maar ook artikel 3, § 3, van de wet van 22 december 2009 kennelijk geschonden, vermits de aanwezigheid van rokers en van pakjes sigaretten alsook de vermelding dat zij alle verantwoorde-lijkheid afwijst, bij eenieder die de zaak binnenkomt de indruk geeft dat roken er in de praktijk is toegestaan".

Uit de stukken van de rechtspleging en met name uit de conclusie die op de rechtszitting van het hof van beroep van 4 februari 2013 is neergelegd, blijkt niet dat de eiseres de hierboven overgenomen redenen heeft aangeklaagd als een mis-kenning, door de feitenrechter, van de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is gemaakt, een miskenning van het recht van verdediging en een schending van ar-tikel 6.3.a EVRM.

Dit onderdeel, dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

Artikel 3, § 3, van de wet van 22 december 2009 verbiedt de aanwezigheid in ge-sloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn, van elk element dat tot ro-ken kan aanzetten of dat laat uitschijnen dat roken toegestaan is.

Gezien de algemeenheid van die bewoordingen hebben de appelrechters kunnen beslissen dat de eiseres, door haar klanten toe te staan hun pakjes sigaretten op de speeltafels te leggen, het voornoemde verbod heeft overtreden, vermits die zaken door hun aard alleen al, de mogelijkheid suggereren om er gebruik van te maken.

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, is het verbod in artikel 3, § 3, niet beperkt tot de zaken die de uitbater toebehoren of die hij zijn klanten aanbiedt. Het verbod strekt zich uit tot elk voorwerp, ongeacht de oorsprong ervan, met de aansporende of suggestieve werking die de wet wil voorkomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel

Het arrest wordt verweten dat het de straf motiveert door te verklaren dat de eise-res, die betwist dat ze de overtreding heeft begaan, zodoende getuigt van een vol-slagen onwil om zich te beteren. Volgens het middel komt dat neer op een mis-kenning van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdedi-ging.

Het arrest verklaart dat er grond bestaat om bij de strafoplegging in het bijzonder rekening te houden met het misprijzen van de beklaagde voor de geldende wetge-ving, haar volharding in de criminaliteit en haar volslagen onwil om zich te bete-ren.

De reden waarop kritiek wordt uitgeoefend, bestraft niet de betwisting die de eiseres de appelrechters heeft voorgelegd. Ze bestraft de omstandigheid dat de in de dagvaarding bedoelde feiten geen alleenstaande feiten zijn, wat het arrest aangeeft door op pagina 5 te wijzen op de verschillende processen-verbaal die tegen haar zijn opgemaakt voor identieke overtredingen in de andere speelzalen die ze exploiteert.

Het middel, dat van een onjuiste interpretatie van het arrest uitgaat, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 16 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek

  • Verbod op de aanwezigheid van elke element dat laat uitschijnen dat roken is toegestaan