- Arrest van 18 oktober 2013

18/10/2013 - C.11.0080.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De echtgenoot van de gefailleerde wordt bevrijd van elke schuld die hij gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

CENTEA nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. a) R. P.,

1. b) M. B.,

2. M. B.,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 10 september 2009.

Het Hof had in zijn arrest van 8 juni 2012 het eerste onderdeel afgewezen omdat het naar recht faalde en vervolgens het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld waarop dat Hof heeft geantwoord in zijn arrest nr. 40/2013 van 21 maart 2013.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 31 juli 2013 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet;

- artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- de artikelen 16, 80, derde lid, 82, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005, 96 en 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 1200, 1201, 1210, 1213, 1216, 1234, 1399, 1400, 1408, 1413, 1414, 1432 en 2036 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 7, 8, 41, 80, 87 en 108, 1°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851, dat is titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de zaken heeft gevoegd en de hoofdvorderingen en de nieuwe vorderingen ontvankelijk heeft verklaard, zegt dat het verzet tegen de aanmaning die op 9 november 2000 werd verstuurd in het raam van het uitvoerend beslag op onroerende goederen van 26 november 1998 geen voorwerp heeft, verklaart het verzet tegen het bevel van 2 oktober 2008 gegrond, zegt dat de verweerster in haar hoedanigheid van echtgenote van M.P., verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd is van haar verplichtingen uit de authentieke akte van 24 juni 1996 ten aanzien van de eiseres, en zegt bijgevolg dat de eiseres de voornoemde schuldvordering niet mag terugvorderen van de verweerster en veroordeelt haar in de kosten van eerste aanleg en van hoger beroep. Het baseert die beslissingen op de onderstaande redenen:

"Voor het overige maakt [de verweerster] aanspraak op het voordeel van de bevrijding van elke schuld ten aanzien van [de eiseres], in haar hoedanigheid van echtgenote van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde.

Artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet bepaalt: ‘de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting'.

[De eiseres] beklemtoont dat het krediet dat de echtgenoten P.-B. in 1996 hoofdelijk hadden geopend, bestemd was voor de aankoop door [de verweerster] van het onverdeelde aandeel van haar zus C. in het gezamenlijk pand uit de nalatenschap van hun ouders, namelijk een aan [die verweerster] eigen onroerend goed, zodat het dus helemaal niet gaat om een schuld van de heer P. waarvoor [de verweerster] zich persoonlijk zou hebben verbonden'.

De redenering van [de eiseres] betreffende de bestemming van het krediet kan niet worden gevolgd: volgens de bewoordingen van de wet zelf komt het uitsluitend erop aan te weten of de schuld al dan niet een schuld van de gefailleerde is. Welnu, ‘la solidarité, nonobstant la pluralité de débiteurs tenus chacun pour le tout, laisse subsister le principe de l'unité d'obligation. Il n'y a qu'une seule dette, dont plusieurs sont tenus au même titre, en chacun de la totalité' (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, dl. III, nrs. 341 en 318). Daaruit volgt trouwens dat, ‘de ce que la dette pèse, pour le tout, sur chaque débiteur, (...) le créancier peut poursuivre celui des débiteurs qu'il lui plaît de choisir' (H. De Page, op. cit., nr. 342). In het geval van hoofdelijke verbintenissen lijdt het geen twijfel dat er een enkele schuld bestaat waartoe de medeschuldenaars beiden verbonden zijn.

[De eiseres] heeft trouwens een verklaring van schuldvordering in het faillissement van M.P. voor een bedrag van 57.955,47 euro overgelegd.

[De verweerster] is dus persoonlijk verbonden tot de schuld van M.P., net zoals hij dat is tot de schuld van zijn echtgenote.

Ook al was er niet hoofdelijk op het krediet ingetekend, dan nog had [de eiseres] trouwens het recht gehad om de invordering ervan te verhalen ten laste van de onder het wettelijk stelsel gehuwde echtgenoten P.-B., zowel op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten, als op het gemeenschappelijk vermogen, dit met toepassing van artikel 1413 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het ging om ‘een schuld aangegaan door de twee echtgenoten'.

De door [de eiseres] aangevoerde rechtsleer volgens welke de echtgenoot die is ‘concerné par la dette en ce sens qu'il est appelé à en supporter tout ou partie du poids au stade du recours contributoire' geen aanspraak ‘par ricochet' zou kunnen maken op de bevrijding (Ch. Biquet-Mathieu en S. Notarnicola, ‘La protection des sûretés personnelles dites faibles - le point après la loi du 3 juin 2007 sur le cautionnement à titre gratuit', C.U.P., vol. 100, p. 85, nr. 73), kan niet worden gevolgd: zij voert een vereiste in die niet in de wet voorkomt en houdt bovendien geen rekening met het feit dat er tussen echtgenoten geen enkel eigen verhaalsrecht bestaat, noch, bij ontbinding van het huwelijk, de specifieke regels betreffende de vergoedingsrekeningen in het kader van het hier toepasselijke wettelijk stelsel.

De door [de eiseres] geuite vrees over de misbruiken die de gefailleerde de kans zouden bieden om zijn vermogen op onnatuurlijke wijze te beschermen door het aanschaffen ervan op naam van zijn echtgenoot is op niets gegrond; dergelijke constructies kunnen immers doeltreffend worden bestraft, zowel in het kader van de toekenning zelf van de verschoonbaarheid als door het aanwenden van gemeenrechtelijke rechtsmiddelen zoals de vordering tot geveinsdverklaring, de pauliaanse vordering of nog het aanvoeren van een bedrieglijke bewerkstelliging van onvermogen.

Ook het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof kan niet worden ingewilligd, aangezien de formulering zelf van de vraag niet wijst op een mogelijke discriminatie tussen de echtgenoot van de gefailleerde en een andere, trouwens niet duidelijk omschreven, categorie personen.

[De verweerster] is in haar hoedanigheid van echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd van haar verplichtingen uit de lening en [de eiseres] kan haar niet langer vervolgen, wat verhindert dat de door haar gegeven hypothecaire waarborg wordt aangesproken.

In dat opzicht kan de toestand van [de verweerster], de echtgenote die een hypotheek op een eigen goed heeft toegestaan, niet worden gelijkgesteld met die van derde hypotheekgever.

‘Certes, il est acquis qu'un tiers affectant hypothécaire ne peut prétendre au bénéfice de la décharge prévue par l'article 80, alinéa 3, de la loi sur les faillites au profit de la personne physique qui « à titre gratuit s'est constituée sûreté personnelle du failli » puisqu'il n'est pas une sûreté personnelle en qu'il ne peut davantage prétendre à l'extinction de l'hypothèque ensuite de l'excusabilité accordée au failli, laquelle ne prévoit qu'une suspension du droit de poursuite à l'égard de ce dernier (Liège, 15 octobre 2007, AR 2006/778), la Cour constitutionnelle ayant par ailleurs décidé que ce régime n'était pas discriminatoire (arrêts n°s 12/2006 du 25 janvier 2006 en 42/2006 du 15 mars 2006).

Mais, en l'espèce, la situation du conjoint du failli est réglée par une disposition spécifique, l'article 82, alinéa 2, de la loi sur les faillites, sans qu'elle doive être examinée au regard de l'article 80, alinéa 3, relatif aux sûretés personnelles à titre gratuit. Précisément, l'article 82, alinéa 2, place le conjoint sur le même pied que le failli excusé en sorte que, tout comme ce dernier, il ne peut plus être poursuivi, ce qui exclut toute mesure d'exécution forcée à son égard, y compris l'intentement de l'action hypothécaire par la saisie-exécution de l'immeuble' (Luik, 24 februari 2009, AR 2008/1069).

Tot slot kan er niets worden afgeleid uit het feit dat er betalingen zijn gedaan nadat M.P. verschoonbaar was verklaard. Het gaat immers niet om een probleem over de erkenning van de schuldvordering van [de eiseres], aangezien die schuldvordering in beginsel niet wordt betwist, maar over de mogelijkheid voor de echtgenoot om de bevrijding te verkrijgen met toepassing van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, waarvan [de verweerster] geen afstand heeft gedaan noch had kunnen doen.

Hoewel [de eiseres] veroordeeld moet worden om de vervolgingen stop te zetten die zij ten aanzien van [de verweerster] had ingesteld op basis van de authentieke akte van 24 juni 1996, kan daarentegen geen recht worden gedaan op de niet met redenen omklede vordering om de litigieuze hypotheek op te heffen in zoverre die hypotheek werd toegekend voor alle bedragen en het hof [van beroep] niet weet of [de verweerster] persoonlijk op andere kredieten heeft ingeschreven."

Grieven

Eerste onderdeel

(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre ze met de wetten overeenstemmen.

Zo ook mogen zij geen toepassing maken van een als ongrondwettig aangemerkte wet.

Luidens artikel 10 van de Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet.

Artikel 11 van de Grondwet bepaalt van zijn kant dat het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden zonder discriminatie verzekerd moet worden.

Hoewel die grondwettelijke regels niet beletten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, kan die verschillende behandeling slechts worden verantwoord voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de bepaling en met het redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, bepaalt dat de gefailleerde, indien hij verschoonbaar is verklaard, niet meer vervolgd kan worden door zijn schuldeisers. Volgens het tweede lid van dat artikel, gewijzigd door de wet van 2 februari 2005, wordt de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting.

Blijkens artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het door het arrest wordt uitgelegd, zou het voldoende zijn dat de twee echtgenoten hoofdelijk een zelfde schuld zijn aangegaan opdat de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg heeft dat de echtgenoot van die schuld wordt bevrijd en dat de hypothecaire waarborg dus verdwijnt, ook al heeft die schuld de verwerving van een eigen goed door de echtgenoot tot voorwerp.

Net zoals de echtgenoot die als medeschuldenaar van de gefailleerde ingetekend heeft op een lening, die laatstgenoemde is aangegaan in het kader van zijn beroepsactiviteit of voor de aankoop van een gemeenschappelijk goed of van een eigen goed van de gefailleerde, dat het gemeenschappelijk pand van de schuldeisers zal vormen, zal bijgevolg de echtgenoot die een lening is aangegaan, waarop de gefailleerde heeft ingetekend, voor de aankoop van een eigen goed, dat van zijn kant, zal ontsnappen aan de samenloop van de schuldeisers van de gefailleerde, de verschoonbaarheid van zijn failliet verklaarde echtgenoot kunnen tegenwerpen aan de schuldeiser, zodat die schuldeiser de schulden niet langer op de eigen goederen van de echtgenoot kan verhalen.

In die uitlegging behandelt de wet op identieke wijze de echtgenoot die zich louter als derde garant van de gefailleerde heeft verbonden en degene die zich gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde heeft verbonden met het oog op de verrijking van zijn eigen vermogen, waardoor de schuldeiser zijn rechten verliest om de schulden op de echtgenoot te verhalen, zonder dat die identieke behandeling objectief en redelijk wordt verantwoord.

Het arrest dat beslist dat de verweerster met toepassing van artikel 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bevrijd is van de schuld die zij hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan om het onverdeelde aandeel van haar zus in een van hun ouders geërfd onroerend goed terug te kopen, maakt bijgevolg toepassing van een ongrondwettelijke bepaling (schending van de artikelen 10, 11, 159 van de Grondwet en 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005).

(...)

Derde onderdeel

Luidens artikel 41 van de Hypotheekwet is de hypotheek een zakelijk recht op onroerende goederen, die verbonden zijn ter voldoening van een verbintenis. Zij is uit haar aard ondeelbaar en blijft voor het geheel bestaan op al de verbonden onroerende goederen, op elk van die goederen en op ieder gedeelte ervan. Zij volgt die goederen, in welke handen zij ook overgaan.

Artikel 80 van de Hypotheekwet bepaalt dat de bedongen hypotheek slechts geldig is voor zover het bedrag waarvoor zij is verleend, in de akte bepaald is (eerste lid). De hypotheek verleend tot zekerheid van een geopend krediet is geldig; haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de door de kredietgever aangegane verbintenissen worden uitgevoerd, welke uitvoering door alle wettelijke middelen bewezen kan worden (derde lid).

Krachtens artikel 87 van de Hypotheekwet heeft de bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat interesten of rentetermijnen opbrengt, het recht om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal, onverminderd de bijzondere inschrijvingen, die voor andere interesten of rentetermijnen kunnen worden genomen en hypotheek medebrengen te rekenen van hun dagtekening.

Krachtens artikel 108, 1°, van de Hypotheekwet gaan de voorrechten en hypotheken teniet door het tenietgaan van de hoofdverbintenis.

Uit het geheel van die bepalingen volgt dat derde hypotheekgever gehouden is tot de schuld van de schuldenaar, zolang die schuld niet voldaan is.

Luidens artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet:

- door betaling,

- door schuldvernieuwing,

- door vrijwillige kwijtschelding,

- door schuldvergelijking,

- door schuldvermenging,

- door verlies van de zaak,

- door nietigverklaring of vernietiging,

- door de werking van de ontbindende voorwaarde,

- door verjaring.

Tot slot volgt uit artikel 2036 van het Burgerlijk Wetboek dat de (persoonlijke of zakelijke) borg zich tegen de schuldeiser kan beroepen op alle excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen en die tot de schuld zelf behoren.

Luidens artikel 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, kan de gefailleerde, indien hij verschoonbaar wordt verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. De verschoonbaarheid belet echter niet dat de schuld blijft bestaan.

Hoewel artikel 82, tweede lid, van de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd wordt, en hoewel, luidens artikel 80, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, de rechtbank elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, geheel of gedeeltelijk bevrijdt, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is, voorziet geen enkele bepaling in de bevrijding van de zakelijke borg, ongeacht of die zakelijke borg door de echtgenoot werd gesteld.

De bevrijding van de echtgenoot heeft immers slechts betrekking op zijn persoonlijke verbintenis tot betaling van de schuld van de gefailleerde. Zij bevrijdt de echtgenoot dus van die verbintenis en, in voorkomend geval, gaat ook de hypotheek teniet die gesteld is als waarborg van de persoonlijke verbintenis van de echtgenoot.

Daarentegen laat de verschoonbaarheid de zakelijke borg onverlet in zoverre deze de schuld van de gefailleerde dekt, die door de verschoonbaarheid niet tenietgaat en, bijgevolg, niet tot gevolg kon hebben dat de hypotheek tenietgaat.

Daaruit volgt dat de door de echtgenoot verstrekte hypotheek, in zoverre zij niet enkel haar eigen verbintenis, maar ook die van de gefailleerde dekt, zal blijven bestaan.

Daaruit volgt dat het arrest dat vaststelt dat de hypotheek aangewend was voor de terugbetaling van het krediet dat de verweerders hoofdelijk waren aangegaan, en bijgevolg, niet alleen de verbintenis van de verweerster dekte, maar ook die van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de eiseres geen enkele betaling op het gehypothekeerde goed kon vervolgen omdat de verweerster bevrijd was (schending van de artikelen 41, 80, 87, 108, 1°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851, 1234, 2036 van het Burgerlijk Wetboek, 80, derde lid, en 82, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn voornoemd arrest van 21 maart 2013 voor recht gezegd dat artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

Het onderdeel dat van het tegengestelde uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

Krachtens artikel 82, tweede lid, Faillissementswet wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

De toepassing van die bepaling strekt zich uit tot de hypotheek die de echtgenote van de gefailleerde heeft toegestaan op een van haar eigen goederen, als waarborg voor de verbintenissen van laatstgenoemde.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Faillissement

  • Gevolgen

  • Goederen

  • Verklaring van verschoonbaarheid van de gefailleerde

  • Schuld die de echtgenoot gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan

  • Schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot