- Arrest van 18 oktober 2013

18/10/2013 - C.12.0011.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De terugwerkende kracht van de arresten van de Raad van State die een administratieve handeling nietig verklaren, heeft tot gevolg dat de administratieve handelingen ab initio tenietgaan, zodat de partijen opnieuw in de toestand worden geplaatst waarin zij zich bevonden vóór de nietig verklaarde beslissing (1). (1) Cass. 6 feb. 2009, AR C.08.0296.F, AC 2013, nr. 99.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0011.N

1. G. O.,

2. S. W.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 14, § 1 (zowel in de versie ervan op 21 mei 2001, gewijzigd bij de wet van 25 mei 1999, als in de versie ervan ten tijde van het bestreden arrest, ge-wijzigd bij de wetten van 25 mei 1999, 15 mei 2007 en 21 februari 2010), en 28 (zowel in de versie ervan op 21 mei 2001, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, als in de versie ervan ten tijde van het bestreden arrest, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 15 september 2006) van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State;

- het algemeen beginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van de beslissingen van de administratieve rechtscolleges.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart verweerders hoger beroep ontvankelijk en tevens gegrond, binnen die hieronder vermelde perken, bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart, wijzigt het voor het overige en zegt voor recht dat de oorspronkelijke vordering van de eisers niet gegrond is.

Die beslissingen steunen op alle redenen van het bestreden arrest, die geacht worden hieronder uitdrukkelijk te zijn weergegeven, en inzonderheid op de onderstaande redenen.

Het bestreden arrest stelt vast dat het beheerscomité van het Sint-Pietersziekenhuis, dat afhangt van de verweerder, met de beslissingen van 23 juni en 7 juli 1994, de rechtsvoorganger van de eisers de tuchtstraf van ambtshalve ontslag heeft opgelegd.

Het stelt tevens vast dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij arrest van 21 mei 2001 (nr. 95.675), die beslissingen van het beheerscomité heeft vernietigd omdat ze werden genomen met schending van artikel 125 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, dat de raadpleging van de medische raad van het ziekenhuis verplicht, en dat die raadpleging "een verplicht vormvereiste is dat voor de beslissing van het beheerscomité moet worden vervuld omdat het anders zonder betekenis" is .

Het bestreden arrest verwerpt echter de vordering van de eisers die ertoe strekt hun rechtsvoorganger met terugwerkende kracht in zijn rechten te herstellen en de achterstallige bezoldigingen te doen betalen; het grondt zijn beslissing op de onderstaande redenen:

"24. Het arrest van nietigverklaring van de Raad van State heeft zeker de litigieuze beslissingen van 23 juni en 7 juli 1994 met terugwerkende kracht tenietgedaan; deze worden geacht nooit te zijn genomen en dat arrest geldt ten aanzien van ie-dereen.

Evenwel: ‘tous ceux qui, à un titre quelconque, auront à interpréter l'arrêt d'annulation devront en respecter les termes: ils ne pourront faire dire au juge ce qu'il n'a pas dit, moins encore ce qu'il n'aurait pu dire' (P. Lewalle, Contentieux administratif, Larcier, 2de uitg., 2002, 963 in fine). De nietigverklaring van een ontslag, een ambtshalve ontslagneming of een disciplinaire afzetting kan de overheid echter slechts dwingen het betrokken personeelslid de betrekking die hij uitoefende terug te geven, en vervolgens voor hem herstelmaatregelen te nemen, wanneer luidens de redenen en het dictum van het arrest van nietigverklaring, de nietig verklaarde handeling onmogelijk kan worden hersteld (Lewalle, op.cit., 1023).

In deze zaak verplicht het arrest van de Raad van State van 21 mei 2001 [de ver-weerder] niet om [de rechtsvoorganger van de eisers] opnieuw in zijn functies te integreren en hem de daarmee overeenstemmende bezoldigingen te betalen. De litigieuze beslissingen werden wegens een procedurefout nietig verklaard, zodat daaruit uitsluitend volgt dat, indien het beheerscomité van het ziekenhuis, in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid, beslist had de tuchtstraf van ambtshalve ontslagneming [van de rechtsvoorganger van de eisers] opnieuw op te leggen, het voorafgaand advies van de medische raad ingewonnen had moeten worden vooraleer het beheerscomité van het ziekenhuis enige beslissing nam.

Het recht op re-integratie en het recht op bezoldiging [van de rechtsvoorganger van de eisers], zoals die door de [de eisers] worden aangevoerd, vloeien dus niet voort uit het voornoemde arrest van de Raad van State.

25. Overigens vloeien voornoemde rechten niet voort uit het feit dat [de verweer-der], na de nietigverklaring van de litigieuze tuchtstraf, niet beslist heeft die straf opnieuw op te leggen. [De rechtsvoorganger van de eisers] is immers op 5 augustus 1999 overleden, zodat het herstel van de nietig verklaarde beslissingen, door een nieuwe beslissing die het arrest van de Raad van State in acht neemt, geen voorwerp zou hebben gehad."

Grieven

1. Krachtens het algemeen beginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van de beslissingen van de administratieve rechtscolleges en krachtens de artikelen 14, § 1, en 28 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State (in de versies ervan zoals in het middel vermeld) hebben de arresten van de Raad van State die een administratieve rechtshandeling nietig verklaren gezag van gewijsde erga omnes.

Uit de aard van de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling volgt dat de nietig verklaarde beslissing geacht wordt nooit te hebben bestaan, zodat de partijen, door de nietigverklaring van die beslissing, opnieuw in de toestand worden geplaatst waarin zij zich bevonden vóór die beslising.

2. De omstandigheid dat de administratieve overheid de nietig verklaarde handeling kan herstellen door een nieuwe beslissing te nemen na de nietigverklaring van de eerste, ontslaat noch die overheid, noch de rechter van de verplichting de voornoemde uitwerking in acht te nemen van het arrest van nietigverklaring wanneer de administratieve overheid er zich van onthouden heeft de handeling te herstellen en dit, ongeacht de reden daarvoor.

3. Met de in de aanhef van het middel vermelde redenen stelt het bestreden arrest vast dat :

- het beheerscomité van het Sint-Pietersziekenhuis, dat afhangt van de verweerder, bij beslissingen van 23 juni en 7 juli 1994 de rechtsvoorganger van de eisers de tuchtstraf van ambtshalve ontslag heeft opgelegd;

- die beslissingen nietig werden verklaard door het arrest van de Raad van State van 21 mei 2001 (nr. 95.675);

- de verweerder, na die nietigverklaring, de vernietigde handelingen niet heeft hersteld en de rechtsvoorganger van de eisers geen nieuwe straf heeft opgelegd.

Het bestreden arrest leidt daaruit af dat het arrest van nietigverklaring van de Raad van State de verweerder niet verplicht om de rechtsvoorganger van de eisers opnieuw in zijn functies te integreren en hem de daarmee overeenstemmende bezoldigingen te betalen, aangezien een dergelijke verplichting slechts zou gelden wanneer, volgens de redenen en het dictum van het arrest van nietigverklaring, de handeling onmogelijk kan worden hersteld.

Aldus miskent het bestreden arrest de uitwerking van het arrest van nietigverklaring, namelijk dat, behalve in het geval van het hier onbestaande herstel, de rechtsvoorganger van de eisers van rechtswege werd teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich bevond vóór de nietig verklaarde beslissingen. Het miskent bijgevolg het algemeen beginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van de beslissingen van de administratieve rechtscolleges en schendt tevens de artikelen 14, § 1, en 28 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State (in de versies ervan zoals in de aanhef van het middel vermeld).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde van de arres-ten van de Raad van State die een administratieve rechtshandeling nietig verkla-ren, volgt dat die arresten gezag van gewijsde erga omnes hebben. De terugwer-kende kracht van die arresten heeft tot gevolg dat de administratieve rechtshande-lingen ab initio tenietgaan, zodat de partijen opnieuw in de toestand worden ge-plaatst waarin zij zich bevonden vóór de nietig verklaarde beslissing.

De omstandigheid dat de administratieve overheid, ten gevolge van de nietigver-klaring, de nietig verklaarde handeling kan herstellen, ontslaat noch die overheid, noch de met eigenlijke rechtspraak belaste rechter van de verplichting de uitwer-king in acht te nemen van het arrest van nietigverklaring wanneer de administra-tieve overheid de handeling niet heeft hersteld.

Het bestreden arrest stelt vast dat de Raad van State de beslissingen die de tucht-straf van ambtshalve ontslag opleggen, heeft vernietigd, en vermeldt dat de nie-tigverklaring "[de verweerder] niet verplicht om [de rechtsvoorganger van de ei-sers] opnieuw in zijn functies te integreren en hem de daarmee overeenstemmende bezoldigingen te betalen", aangezien een dergelijke verplichting slechts zou gelden "wanneer, volgens de redenen en het dictum van het arrest van nietigverklaring, de handeling onmogelijk kan worden vernieuwd".

Met die redenen miskent het bestreden arrest de uitwerking van het arrest van nie-tigverklaring, namelijk dat, behalve in het geval van het hier onbestaande herstel van de nietig verklaarde administratieve beslissingen, de rechtsvoorganger van de eisers van rechtswege wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich bevond vóór de nietig verklaarde beslissingen werden genomen, en miskent het bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel en schendt het de wettelijke bepalingen, zoals die in het middel zijn vermeld.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkt zaak het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Martine Regout en Marie-Claire Ernotte, en in openbare te-rechtzitting van 18 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van Koenraad Moens en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arrest

  • Administratieve handeling

  • Nietigverklaring

  • Gezag van gewijsde