- Arrest van 18 oktober 2013

18/10/2013 - C.12.0457.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De huurder moet ten aanzien van de verhuurder bewijzen dat hij geen enkele schuldige daad heeft gesteld die de brand aldus heeft doen ontstaan (1). (1) Cass. 18 dec. 2008, AR C.07.0424.F, AC 2008, nr. 75.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0457.F

AG INSURANCE nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. H.,

2. KBC VERZEKERINGEN nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Bergen van 15 maart en 24 mei 2012.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1315, 1353, 1733 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 807 [lees: 870] van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 15 maart 2012 beslist dat de verweerster niet aansprakelijk is op grond van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vaatwasser die de brand heeft doen ontstaan een gebrek vertoonde, heropent het debat opdat de partijen een afschrift kunnen neerleggen van de huurovereenkomst betreffende het gehuurde goed teneinde na te gaan of de verweerster de bewaarder was van de vaatwasser in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het arrest steunt die beslissing op de onderstaande redenen:

"Uit die verklaringen uit het deskundigenverslag volgt dat het schadegeval wel degelijk veroorzaakt is door een kortsluiting die ontstaan is in de deur van de vaatwasser.

Er wordt niet aangetoond dat die kortsluiting te wijten zou zijn aan een daad van de huurster die beweert dat zij die vaatwasser niet gebruikte.

Slijtage is de meest voor de hand liggende oorzaak van het schadegeval, wat wordt bevestigd door het feit dat de vaatwasser tweeëntwintig jaar oud was op het tijdstip van het schadegeval.

Bijgevolg moet worden aangenomen dat de huurder bewijst dat de vaatwasser een verborgen gebrek vertoonde.

Er moet worden nagegaan of zij de hoedanigheid had van bewaarder van de zaak, in welk geval artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er op haar een vermoeden van aansprakelijkheid rust, waarvan zij zich kan vrijstellen wanneer zij bewijst dat het ging om toeval of overmacht."

Grieven

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek wordt de huurder vermoed aansprakelijk voor brand te zijn, en indien hij dat betwist, moet hij het tegenbewijs leveren en aantonen dat hij geen fout heeft begaan.

Het hof [van beroep] wijst het in artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vermoeden af op grond dat "niet wordt aangetoond dat die kortsluiting te wijten zou zij aan een daad van de huurster" en legt aldus de bewijslast dat de brand te wijten is aan een fout van de eiseres, bij de verweerster waardoor het voornoemd artikel 1733 alsook de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 807 [lees: 870] van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

Tweede onderdeel

In haar conclusie voerde de eiseres het volgende aan.

"Hoewel uit een aantal ernstige, duidelijke en samenlopende vermoedens eventueel kan worden afgeleid dat de brand ontstaan is uit een oorzaak waar de huurder niets mee te maken heeft, is het toch noodzakelijk dat de vermoedens op vaststaande en formele wijze aantonen dat de brand aan een vreemde oorzaak te wijten is;

[...] De huurder dient te bewijzen dat de brand zonder enige twijfel niet door zijn schuld is ontstaan, dat hij geen enkele fout heeft kunnen begaan, dat hij er onmogelijk een kon begaan; voor de vereisten van het bewijs kan niet worden volstaan met de waarschijnlijkheid dat er geen fout is begaan [...];

In geval van twijfel moet de huurder de eigenaar vergoeden [...];

Dat het inductief bewijs alleen geoorloofd is als het beslissend is [...];

Het vermoeden van aansprakelijkheid uit artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek blijft gelden voor de huurder indien de oorzaak van de brand onbekend is gebleven of indien zij niet op doorslaggevende wijze kan worden bepaald [...]."

Aldus wees de eiseres erop dat, hoewel het krachtens artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek op de huurder rustende vermoeden van aansprakelijkheid kan worden weerlegd, met name door het bewijs door feitelijke vermoedens, dat bewijs door vermoedens op doorslaggevende wijze geleverd diende te worden en niet door louter waarschijnlijkheidsoverwegingen.

Het hof [van beroep], dat alleen maar vaststelt dat slijtage niet de "de meest voor de hand liggende" oorzaak van het ongeval was en daaruit afleidt dat het te wijten was een een verborgen gebrek van de vaatwasser, wijt de oorzaak van de brand aan een loutere waarschijnlijkheid, zonder te antwoorden op de conclusie van de eiseres volgens welke een loutere waarschijnlijkheid niet het bewijs kon vormen van het feit dat de verweerster het krachtens artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek op haar rustende vermoeden van aansprakelijkheid had weerlegd.

Het arrest schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet.

Derde onderdeel

Het bewijs door vermoedens is een gevolgtrekking uit een bekend feit om te komen tot een onbekend feit. De bestanddelen van die redenering moeten de rechter zekerheid bieden over het bestaan van het onderzochte feit dat hij uit het bekende feit afleidt. De rechter schendt artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek wanneer hij genoegen neemt met een loutere waarschijnlijkheid.

Het hof [van beroep], dat beslist dat de slijtage van de vaatwasser, die [het] als een verborgen gebrek aanmerkt, de "de meest voor de hand liggende oorzaak van het ongeval" is, wijst de vermoede aansprakelijkheid van de verweerster af door op een gewone veronderstelling te steunen en miskent de regels betreffende het bewijs door vermoedens (schending van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek) alsook van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek.

Bovendien kan de rechter uit het gedrag van een zaak slechts naar recht afleiden dat zij een gebrek vertoont wanneer hij elke andere oorzaak dan het gebrek uitsluit, wat niet geval is wanneer hij, zoals hier, steunt op een loutere waarschijnlijkheid. Zodoende schendt het bestreden arrest van 15 maart 2012 artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1384, eerste lid, en 1733 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 24 mei 2012 neemt aan, zoals de eiseres betoogde, dat de huurder in beginsel de bewaarder van de gehuurde zaak was in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en instond voor het gebrek van die zaak, ook al was hij niet op de hoogte van het bestaan daarvan, maar overweegt toch dat de verzekerde van de eiseres, eigenaar van het verhuurde goed, de bewaarder van de litigieuze vaatwasser is gebleven en verwerpt de conclusie van de eiseres volgens welke de verweerster de bewaarder van de vaatwasser was, op de onderstaande gronden:

"De omstandigheid alleen dat een persoon een zaak gebruikt, het genot ervan heeft of ze bewaart, is niet voldoende om hem als bewaarder ervan aan te merken.

[...] Het belangrijkste bestanddeel van het begrip bewaring is vervat in de verplichting tot toezicht, leiding en controle, en die bestanddelen zijn nog alternatief, noch hiërarchisch geordend [...]; de bewaarder is degene die bevoegd is om de intellectuele leiding over de zaak te hebben, en daarover onafhankelijk het bevel mag voeren; wordt dus beschouwd als bewaarder degene die op het tijdstip van het schadeveroorzakende feit, bevoegd is om onderrichtingen te geven over het gebruik dat van de zaak hoort te worden gemaakt met het oog op, bij voorbeeld, de wijziging, het herstel of het onderhoud ervan [...].

In deze zaak is de oude vaatwasser (tweeëntwintig jaar) ingebouwd in een ingerichte keuken die ter beschikking staat van de huurder van het goed; hij stond er voordat de huurder het genot ervan kreeg en werd door de vorige huurders gebruikt: de huurster houdt staande dat zij hem niet gebruikt.

De huurovereenkomst met de heer B., de eigenaar, dateert van 25 juni 1995, is handgeschreven en telt maar één bladzijde. Er wordt daarin vermeld: ‘bevat een ingerichte keuken in... (onleesbaar). Zij beschikt over een vaatwasser, een koelkast [...]'.

Er wordt niets vermeld over het onderhoud en bijgevolg is het gemeen recht van toepassing.

Volgens artikel 1754 van het Burgerlijk Wetboek zijn herstellingen ten laste van de huurder, of geringe herstellingen tot onderhoud, waartoe, behoudens andersluidend beding, de huurder gehouden is, die welke door het plaatselijk gebruik als zodanig beschouwd worden en, onder andere [...] en wordt in de opsomming gepreciseerd dat de huurder niet aansprakelijk is voor door overmacht veroorzaakte voorvallen.

Artikel 1755 van het Burgerlijk Wetboek preciseert dat geen van de herstellingen die geacht worden herstellingen ten laste van de huurder te zijn, voor rekening van de huurder komt, wanneer alleen ouderdom of overmacht daartoe aanleiding hebben gegeven.

Er wordt niet betwist dat de vaatwasser oud was en dat de oorzaak te vinden is in een gebrek dat wellicht aan slijtage te wijten is.

Bijgevolg moet worden gesteld dat de verhuurder de bewaarder is gebleven van de litigieuze vaatwasser, die hij diende te onderhouden gelet op de ouderdom ervan.

Bovendien was de vaatwasser niet gebruikt op het ogenblik van het schadegeval daar de deskundige heeft vastgesteld dat er geen vaat in zat en de huurster aanvoert dat zij hem niet gebruikte.

Kan haar dan worden verweten, zoals [de eiseres] doet, dat de zij de stekker van het toestel niet had uitgetrokken?

In de huurovereenkomst wordt gepreciseerd dat het om een zogenaamde uitgeruste keuken gaat. In dat geval zijn de stopcontacten van de toestellen moeilijk bereikbaar. De eigenaar, die verplicht was dat oude toestel te onderhouden en de goede werking ervan te verzekeren, diende de noodzakelijke schikkingen te treffen om elk ongeval te vermijden.

Uit geen enkel element van het dossier blijkt dus dat de huurder een fout heeft be-gaan die in verband staat met de kortsluiting waaraan het schadegeval te wijten is.

Bijgevolg kan hier geen toepassing worden gemaakt van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek."

Grieven

Eerste onderdeel

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie is de bewaarder van de zaak degene die ze voor eigen rekening gebruikt, het genot ervan heeft of ze bewaart met de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen.

De bodemrechter beoordeelt weliswaar in feite wie de bewaarder van de zaak is in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek maar hij doet dit slechts voor zover hij het wettelijk begrip ‘bewaarder van de zaak' niet miskent.

Volgens de rechtsleer kan worden bepaald wie de bewaarder is in het kader van een huurovereenkomst door na te gaan wie, de verhuurder dan wel de huurder, krachtens de huurovereenkomst of krachtens de wet, belast was met het onderhoud of de herstelling van de gebrekkige zaak, los van de vraag wie de kosten daarvan betaalde.

In deze zaak heeft het hof [van beroep] de hoedanigheid van bewaarder van de vaatwasser niet afgeleid uit het feit dat de overeenkomst tussen partijen de voornoemde bevoegdheden ten laste van de eigenaar had gelaten maar wel uit het feit dat de herstellingen van de vaatwasser, doordat deze oud was, krachtens artikel 1755 van het Burgerlijk Wetboek, niet ten laste van de huurder vielen.

Louter uit het feit dat een wettelijke verplichting de huurder toestaat van de ver-huurder te eisen dat hij sommige herstellingen doet, volgt niet dat die verhuurder de bewaarder van de zaak zou worden in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Dienaangaande kan worden verwezen naar het arrest van 25 maart 1999 dat een beslissing vernietigt volgens welke een gemeente de medebewaarder van een rijksweg was, louter en alleen omdat zij wettelijk verplicht was de veiligheid van de wegen op haar grondgebied te handhaven.

Het arrest van 18 december 2008 gaat in dezelfde zin: iemand had iemand anders een ijsblokjesmachine ter beschikking gesteld die een brand heeft doen ontstaan in het gehuurde goed. De verzekeraar van de verhuurder van het goed had hen vergoed en zijn subrogatoir verhaal uitgeoefend tegen de houder van de ijsblok-jesmachine, meer bepaald op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in diens hoedanigheid van bewaarder van de zaak. Het hof van beroep had beslist dat de verweerder die hoedanigheid niet had, en dit louter op grond dat hij krachtens de overeenkomst, enerzijds, de machine niet mocht verplaatsen en, anderzijds, dat de eigenaar van de machine verder bleef instaan voor het onderhoud en de herstellingen ervan. Het Hof van Cassatie heeft beslist dat met die redenen niet kon worden volstaan om naar recht te verantwoorden dat de huurder, de houder van de machine, niet de bewaarder ervan was.

Het is bijgevolg niet naar recht verantwoord te stellen, zoals het bestreden arrest dat doet, dat uit het loutere feit dat de huurder op grond van een wettelijke verplichting van de verhuurder kan eisen dat hij sommige herstellingen doet, noodzakelijkerwijs volgt dat die verhuurder de bewaarder van de zaak blijft of wordt in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het arrest schendt bijgevolg artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

De rechter die zijn beslissing grondt op zijn eigen wetenschap en niet op algemeen bekende feiten of feitelijke gegevens die de partijen hem hebben verstrekt, miskent het beschikkingsbeginsel.

De eiseres betoogde in haar conclusie: "we vragen ons af waarom de huurders de stekker van dat elektrisch toestel niet hebben uitgetrokken; het is immers absurd en zelfs foutief om een vaatwasser vijf jaar lang onder stroom te houden wanneer men hem niet gebruikt; dat gegeven vormt wel degelijk een fout van de huurder; het is dus duidelijk dat de huurder zijn vermoeden van aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1732 e.v. van het Burgerlijk Wetboek niet kan ontlopen en tevens op grond van artikel 1384, eerste lid, van dat wetboek de vermoedelijke aansprakelijkheid draagt".

Het arrest beantwoordt die conclusie met de in het middel weergegeven reden dat de stopcontacten van toestellen in uitgeruste keukens moeilijk bereikbaar zijn.

Het feit dat stopcontacten in een uitgeruste keuken moeilijk bereikbaar zijn, werd door de verweerster in haar conclusie niet aangevoerd om te verantwoorden dat zij de stekker van de vaatwasser niet had uitgetrokken, en dat feit, gesteld dat het juist is, is hoe dan ook geen algemeen bekend feit. Daaruit volgt dat het arrest, dat overweegt dat zulks wel het geval was, noodzakelijkerwijs steunt op de persoonlijke wetenschap van het hof van beroep en het in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegde beschikkingsbeginsel miskent.

Derde onderdeel

Overeenkomstig artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek wordt de huurder vermoed aansprakelijk te zijn voor brand, en indien hij dat betwist, dient hij het tegenbewijs te leveren door aan te tonen dat hij geen fout heeft begaan.

Het arrest dat de aansprakelijkheid van de eerste verweerster op grond van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit omdat "uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de huurder een fout heeft begaan die in verband staat met de kortsluiting" ontslaat de eerste verweerster op onwettige wijze van het bewijs dat er aan haar zijde geen fout is begaan, welke fout krachtens artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek wordt vermoed. Dienaangaande kan worden verwezen naar het voornoemde arrest van 18 december 2008 dat om die reden een arrest had vernietigd dat beslist had dat het dossier geen toereikende gegevens bevatte om de stellen dat de huurder (te dezen zijn aangestelde) een fout had begaan.

Aldus schendt het arrest artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1733 Burgerlijk Wetboek is de huurder aansprakelijk voor brand in het gehuurde goed, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.

Daaruit volgt dat hij ten aanzien van de verhuurder, moet bewijzen dat hij geen enkele schuldige daad heeft gesteld die heeft bijgedragen tot de brand zoals deze is ontstaan.

Het bestreden arrest van 15 maart 2012 wijst erop dat het schadegeval ontstaan is ten gevolge van een kortsluiting in de deur van de vaatwasser en overweegt ver-volgens dat "het niet bewezen is dat de kortsluiting te wijten is aan een daad van de [eerste verweerster], die beweert dat zij die vaatwasser niet gebruikte" en dat "slijtage de meest voor de hand liggende oorzaak van het schadegeval is, wat be-vestigd wordt door het feit dat de vaatwasser tweeëntwintig jaar oud was op het ogenblik van het schadegeval".

Het arrest van 15 maart 2012 dat de verweersters ontslaat van de verplichting, je-gens de eiseres die in de rechten van de verhuurder is getreden, te bewijzen dat de eerste verweerster geen enkele fout heeft begaan, schendt voornoemd artikel 1733.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

Eerste onderdeel

De bewaarder van een zaak, in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wet-boek, is degene die ze voor eigen rekening gebruikt, of het genot ervan heeft of ze bewaart met de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen.

De rechter beoordeelt in feite wie de bewaarder van de zaak is in de zin van arti-kel 1384, eerste lid, voor zover hij het wettelijk begrip ‘bewaarder van de zaak' niet miskent.

Het bestreden arrest van 24 mei 2012 vermeldt dat "[de eerste verweerster] be-toogt dat zij [geen] gebruik maakt van in de keuken ingebouwde vaatwasser", dat hij "oud was" en dat "de oorzaak te vinden is in een gebrek dat wellicht aan slij-tage te wijten is", en overweegt vervolgens dat "de verhuurder de bewaarder [er-van is] gebleven" louter op grond dat, bij gebrek aan een overeengekomen beding over het onderhoud, "artikel 1755 van het Burgerlijk Wetboek preciseert dat geen van de herstellingen die geacht worden herstellingen ten laste van de huurder te zijn, voor rekening van de huurder komt, [...] wanneer alleen ouderdom of over-macht daartoe aanleiding hebben gegeven" en dat de verhuurder, bijgevolg, "[de litigieuze vaatwasser] diende te onderhouden wegens zijn ouderdom".

Met de overweging dat de eerste verweerster niet diende in te staan van de huur-dersherstellingen veroorzaakt door ouderdom, verantwoordt het bestreden arrest van 24 mei 2012 niet naar recht zijn beslissing dat de verhuurder, en niet de eerste verweerster, de bewaarder was van de vaatwasser.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige onderdelen hoeven niet nader onderzocht te worden, ze kunnen im-mers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 15 maart 2012, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Vernietigt het bestreden arrest van 24 mei 2012.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Brand

  • Huurder

  • Verplichting ten aanzien van de verhuurder