- Arrest van 22 oktober 2013

22/10/2013 - P.13.0550.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Passende technische hulpmiddelen in de zin van artikel 39bis, §4, Wetboek van Strafvordering kunnen bestaan in het bevelen aan de internettoegangleveranciers van het ontoegankelijk maken van de toegang tot de server waarop de gegevens zijn gehost, waarvan het kopiëren om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens niet mogelijk is.

Arrest - Integrale tekst

P.13.0550.N

1. TELENET nv, met zetel te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 4,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,

2. TECTEO cvba, met zetel te 4000 Luik, Louvrexstraat 95,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,

3. BRUTELE cvba, met zetel te 1050 Brussel, Napelsstraat 29B,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest nr. K/378/13 van het hof van be-roep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 februari 2013.

De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. In het kader van een gerechtelijk onderzoek tegen onbekenden wegens in-breuken op de artikelen 80 en volgende Auteurswet 1994, artikel 8, § 1, Wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, artikel 145, § 3bis, Wet van 13 juni 2005 betreffende de elek-tronische communicatie en artikel 11 Wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in het Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, heeft de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 6 april 2012 aan onder meer de eise-ressen een gemotiveerde vordering gericht, met volgend beschikkend gedeelte:

"VORDERT

Op basis van artikel 39bis en 89 van het Wetboek van Strafvordering, de verant-woordelijke wettelijke vertegenwoordiger van:

ALLE BELGISCHE OPERATOREN EN TOEGANGSVERSTREKKERS TOT HET INTERNET

om de toegang ontoegankelijk te maken tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnamen "thepiratebay.org" (gekende IP adressen 194.71.107.50 en 194.71.107.15);

en meer bepaald door aanwending van alle mogelijke technische hulpmiddelen, waaronder minstens het blokkeren van alle domeinnamen die doorverwijzen naar de server die gekoppeld is aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org",

waarbij de lijst van de ontoegankelijk te maken domeinnamen die in onderhavige vordering worden geviseerd wordt bepaald:

1. door het technisch procedé van "reverse IP domain check" (het opzoeken van alle domeinnamen die verwijzen naar een welbepaald IP-adres), en dit toegepast op elk IP-adres waarvan vastgesteld wordt dat het gebruikt wordt door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" om de internettoegang tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" te verzekeren;

2. door elke andere materiële technische vaststelling dat een welbepaalde domeinnaam doorverwijst naar de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org";

Mijn ambt vordert tevens dat de geblokkeerde domeinnamen dienen door te ver-wijzen naar het IP-adres: 193.191.245.56 (stoppagina van de overheid).

Mijn ambt belast de RCCU Mechelen en de FCCU (Federal Computer Crime Unit) met het vaststellen van deze domeinnamen en met het informeren van de operatoren hiervan.

Mijn ambt vordert tevens de operatoren om de RCCU Mechelen en de FCCU in te lichten van de uitvoering van de maatregel."

2. Op 17 juli 2012 hebben de eiseressen ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen overeenkomstig artikel 61quater Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neergelegd ertoe strekkende de opheffing van de vordering toe te staan bij gebrek aan wettelijke grondslag, ondergeschikt het bevel te beperken in de tijd, te verduidelijken dat de eiseressen niet zullen instaan voor het opstellen van de lijst van de ontoegankelijk te maken domeinnamen, te preciseren welke de specifieke technische maatregel is die de eiseressen dienen te implementeren en te bepalen dat de eiseressen zullen worden geacht aan de vordering te hebben vol-daan van zodra zij deze technische maatregel hebben genomen.

3. De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 19 juli 2012 het verzoek van de eiseressen afgewezen.

4. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij arrest van 14 februari 2013 het hoger beroep van de eiseressen tegen de beschikking van 19 juli 2012 onge-grond verklaard.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

5. Het arrest oordeelt dat de noodwendigheden van het onderzoek vereisen dat de onderzoeksmaatregel wordt gehandhaafd en de opheffing de rechten van partijen of van derden in het gedrang kan brengen en het bevestigt onder meer op die gronden de beroepen beschikking die het verzoek van de eiseressen tot intrekking van de onderzoeksmaatregel afwees. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een van de gevallen bedoeld door artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 35 tot en met 39bis, 55, 56 en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er een wet-telijke grondslag bestaat voor het door de onderzoeksrechter gegeven bevel; de bevolen beslagmaatregel kan enkel de waarheidsvinding en het verzamelen van bewijs tot doel hebben of betrekking hebben op goederen die door de artikelen 42 en 43quater Strafwetboek bedoelde zaken schijnen uit te maken, maar kan niet als doel hebben het voorkomen van het verder plegen van dergelijke inbreuken of van verdere schade aan de burgerlijke partij; een beslagmaatregel kan niet worden op-gelegd als preventieve maatregel, ter voorkoming van inbreuken of van schade aan de burgerlijke partij, maar hoogstens met die doelstelling worden gehandhaafd; het arrest dat anders oordeelt, is dan ook niet naar recht verantwoord.

7. Overeenkomstig artikel 35, § 1, Wetboek van Strafvordering neemt de pro-cureur des Konings alles in beslag wat een van de in de artikelen 42 en 43quater Strafwetboek bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

Artikel 39bis, § 1 tot en met § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"§ 1. Onverminderd de specifieke bepalingen van dit artikel, zijn de regels van dit wetboek inzake inbeslagneming, met inbegrip van artikel 28sexies, van toepassing op het kopiëren, ontoegankelijk maken en verwijderen van in een informaticasys-teem opgeslagen gegevens.

§ 2. Wanneer de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in een informatica-systeem gegevens aantreft die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbe-slagneming, maar de inbeslagneming van de drager evenwel niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen ver-staan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van drin-gendheid of om technische redenen, kan gebruikgemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.

§ 3. Hij wendt bovendien de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van de personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen.

Indien de gegevens het voorwerp van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en indien de gegevens strijdig zijn met de openbare orde of de goede zeden, of een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen of ge-gevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wendt de procureur des Konings of de arbeidsauditeur alle passende technische middelen aan om deze gegevens ontoegankelijk te maken.

Hij kan evenwel, behoudens in het geval bedoeld in het vorige lid, het verdere ge-bruik van het geheel of een deel van deze gegevens toestaan, wanneer dit geen ge-vaar voor de strafvordering oplevert.

§ 4. Wanneer de in § 2 vermelde maatregel niet mogelijk is om technische redenen of wegens de omvang van de gegevens, wendt hij de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen."

Volgens artikel 89, eerste lid, Wetboek van Strafvordering gelden deze bepalingen ook voor de onderzoeksrechter.

8. Uit de tekst van de artikelen 35 en 39bis Wetboek van Strafvordering, hun wetsgeschiedenis en het karakter van voorlopige dwangmaatregel volgt dat een op artikel 39bis Wetboek van Strafvordering gegrond bevel kan worden gegeven met het oog op de waarheidsvinding, de verbeurdverklaring, de teruggave, het doen ophouden van handelingen die een misdrijf lijken uit te maken of ter beveiliging van civielrechtelijke belangen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- de onderzoeksrechter voorlopige dwangmaatregelen kan nemen, onder meer een strafrechtelijk beslag naar aanleiding van een misdrijf met het oog op de waarheidsvinding, de verbeurdverklaring, de teruggave of ter beveiliging van civielrechtelijke belangen;

- de onderzoeksrechter in de tot de eiseressen gerichte vordering van 6 april 2012 volkomen terecht heeft verwezen naar de noodzaak om de schade voor de burgerlijke partij te doen ophouden.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de vordering van 6 april 2012 is gesteund op de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvorde-ring en conform de wet is genomen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering en artikel 21, § 1, tweede lid, Wet van 11 maart 2003 betref-fende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij (hierna Wet Elektronische Handel): het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 39bis Wetboek van Strafvordering toelaat om aan de toegangsleveranciers, zoals de eiseressen, te bevelen de toegang tot alle domeinen van "The Pirate Bay" te blokkeren; het oordeelt eveneens ten onrechte dat dergelijke maatregel steun vindt in de uit artikel 21 Wet Elektronische Handel voortvloeiende tijdelijke toezichts-verplichting; de door artikel 39bis Wetboek van Strafvordering bedoelde beslag-maatregel richt zich tot hij die de gegevens opslaat of laat opslaan en niet tot zij die, zoals de eiseressen, slechts toegang verstrekken tot het communicatienetwerk en die geen beschikkings- of beheersmacht hebben over de gegevens; artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel laat niet toe dat aan een internettoeleve-rancier een tijdelijke toezichtsverplichting wordt opgelegd, zodat die bepaling evenmin een verantwoording kan bieden voor de beslagmaatregel.

11. Uit de opbouw van artikel 39bis Wetboek van Strafvordering, de tekst van paragraaf 4 en de samenhang tussen de verschillende paragrafen volgt dat de pro-cureur des Konings en op grond van artikel 89 Wetboek van Strafvordering ook de onderzoeksrechter, zo blijkt dat het om technische redenen of wegens de om-vang van de gegevens niet mogelijk is de gegevens op dragers te kopiëren, de pas-sende technische middelen kan nemen om de toegang tot deze gegevens in het in-formaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van de personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinde-ren en hun integriteit te waarborgen.

12. Passende technische hulpmiddelen in de zin van artikel 39bis, § 4, Wetboek van Strafvordering kunnen bestaan in het bevelen aan de internettoegangleveran-ciers van het ontoegankelijk maken van de toegang tot de server waarop de gege-vens zijn gehost, waarvan het kopiëren om technische redenen of wegens de om-vang van de gegevens niet mogelijk is.

Artikel 39bis, § 4, Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat die bevelen wor-den gericht aan anderen dan zij die gegevens zelf opslaan of laten opslaan en ver-eist evenmin dat de bevelen tot daadwerkelijk gevolg hebben dat hij die gegevens opslaat of laat opslaan ze niet meer kan consulteren, wijzigen of wissen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Door overname van de redenen van de beroepen beschikking stelt het arrest vast, zonder op dit punt door het onderdeel te worden bekritiseerd, dat het materi-aliter onmogelijk is om een digitale en forensische kopie te nemen van alle door "The Pirate Bay" aangeboden digitale bestanden.

14. Het arrest kon dan ook wettig oordelen dat de onderzoeksrechter op grond van artikel 39bis aan de eiseressen als internettoegangleveranciers het bevel mocht geven om "de toegang ontoegankelijk te maken tot de inhoud die wordt gehost door de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam ‘thepiratebay.org' (gekende IP-adressen 194.71.107.50 en 194.71.107.15), en meer bepaald door aanwending van alle mogelijke technische middelen, waaronder minstens het blokkeren van alle domeinnamen die doorverwijzen naar de server die gekoppeld is aan de hoofddomeinnaam ‘thepiratebay.org', waarbij de ontoegankelijk te maken domeinnamen door de RCCU Mechelen en de FCCU (Federal Computer Crime Unit) worden vastgesteld.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

15. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest in de door artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel bedoelde tijdelijke toezichtsverplichting ten onrechte een rechtsgrond vindt voor het door de onderzoeksrechter gegeven bevel, is het gericht tegen overtollige motieven.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt ten onrechte aan dat artikel 39bis Wetboek van Strafvordering een wettige grondslag uitmaakt voor het bevelen van het on-toegankelijk maken van de op de server van "The Pirate Bay" opgeslagen gege-vens; de beslagmaatregel van artikel 39bis Wetboek van Strafvordering heeft tot doel de integriteit van de in het informaticasysteem opgeslagen gegevens te be-schermen; de door de onderzoeksrechter bevolen maatregel kan die doelstelling niet realiseren omdat het blokkeren door de internettoegangleverancier van alle domeinnamen die verwijzen naar de server gekoppeld aan de hoofddomeinnaam "thepiratebay.org" niet verhindert dat de exploitanten van de websites van "The Pirate Bay" nog toegang hebben tot hun website; een maatregel die enkel tot ge-volg heeft dat de internetgebruikers geen toegang meer hebben tot de gegevens terwijl de beheerder van de gegevens hierover verder kan beschikken, is geen be-slagmaatregel als bedoeld in artikel 39bis Wetboek van Strafvordering; de bevolen ontoegankelijkmaking neemt immers de beschikkings- of beheersmacht van "The Pirate Bay" niet weg.

17. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de tevergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde en vierde onderdeel

18. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis, § 3, tweede lid, en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de bevolen maatregel van ontoegankelijkmaking van de door "The Pirate Bay" opgeslagen gegevens ten onrechte op grond van een gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem en van de daarin opgeslagen legale bestanden; de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kunnen worden genomen zijn bijkomend aan het kopiëren van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 2, en zij vormen een uitzonderingsmaatregel op het ontoegankelijk maken van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 3, eerste lid; die maatregelen veronderstellen dat de gegevens uit het informaticasysteem worden verwijderd, zodat zo de openbare orde of het informaticasysteem worden beschermd; het enkele gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem, waarmee bovendien alleen de materiële integriteit wordt bedoeld, vormt geen zelfstandige grondslag voor een overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, bevolen maatregel; de aan de eiseressen opgelegde maatregel van blokkering van de toegang tot de inhoud die is opgeslagen op de aan de hoofddomeinnaam "the piratebay.org" gekoppelde server, houdt geen verwijdering van die inhoud in, zodat het gevaar voor de integriteit van het informaticasysteem die maatregel niet kan rechtvaardigen; evenmin stelt het arrest vast dat de betrokken server of andere servers en de daarin opgeslagen legale bestanden worden aangetast.

19. Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikelen 39bis, § 3, twee-de lid, en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de bevolen maatregel van ontoegankelijkmaking van de door "The Pirate Bay" opgeslagen gegevens ten onrechte op grond van de openbare orde; de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kunnen worden genomen zijn bijkomend aan het kopiëren van de gegevens waar-van sprake in artikel 39bis, § 2, en zij vormen een uitzonderingsmaatregel op het ontoegankelijk maken van de gegevens waarvan sprake in artikel 39bis, § 3, eerste lid; die maatregelen veronderstellen dat de gegevens uit het informaticasysteem worden verwijderd, zodat zo de openbare orde of het informaticasysteem worden beschermd; de enkele strijdigheid met de openbare orde vormt geen zelfstandige grondslag voor een overeenkomstig artikel 39bis, § 3, tweede lid, bevolen maatre-gel; de aan de eiseressen opgelegde maatregel van blokkering van de toegang tot de inhoud die is opgeslagen op de aan de hoofddomeinnaam "the piratebay.org" gekoppelde server, houdt geen verwijdering van die inhoud in, zodat de strijdig-heid met de openbare orde die maatregel niet kan rechtvaardigen; bovendien is niet elk probleem dat de openbare orde raakt een reden voor de toepassing van ar-tikel 39bis, § 3, tweede lid, maar enkel de strijdigheid van de ontoegankelijk ge-maakte gegevens met de openbare orde; het arrest verwijst voor de strijdigheid met de openbare orde niet naar de door de maatregel geviseerde bestanden, maar wel naar het gedrag van "The Pirate Bay" erin bestaande het bevel van de sta-kingsrechter te omzeilen.

20. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat artikel 39bis, § 4, Wet-boek van Strafvordering een afdoende wettelijke grondslag vormt voor de vorde-ring van de onderzoeksrechter van 6 april 2012.

De onderdelen die aanvoeren dat in artikel 39bis, § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geen wettelijke grondslag kan worden gevonden voor die vorde-ring zijn gericht tegen overtollige motieven.

De onderdelen zijn niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel

21. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest koppelt aan het aan de eiseressen gegeven bevel van ontoeganke-lijkmaking ten onrechte geen concrete geldingsduur; de internettoegangleverancier heeft op grond van artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel het recht te weten wanneer zijn verplichting ophoudt; de omstandigheid dat de maatregel noodzakelijk een einde neemt bij de beslissing ten gronde houdt geen dergelijke concrete geldingsduur in.

De eiseressen verzoeken aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21 Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat de in-ternettoegangleveranciers te verplichten tot het ontoegankelijk maken van bepaalde inhoud op het internet zonder enige geldingsduur van de maatregel op te geven om de reden dat die maatregel hoe dan ook een einde zal kennen op het einde van de strafprocedure ten gronde?"

22. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 52.1 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektroni-sche Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest preciseert ten onrechte niet de middelen die de eiseressen moeten aanwenden ten-einde de hen opgelegde verplichting na te komen en het duidt evenmin op exhaus-tieve wijze de domeinnamen aan die moeten worden geblokkeerd; een wet die aan internettoegangleveranciers een tijdelijke toezichtsverplichting oplegt moet vol-doende duidelijk en voorzienbaar zijn; aan die voorwaarde is niet voldaan indien de wet de gerechtelijke overheden toestaat om van zodra wordt vastgesteld dat het internet toegang verschaft tot bestanden die inbreuk plegen op auteursrecht, de internettoegangleveranciers te verplichten met alle mogelijke middelen de toegang te verhinderen tot alle domeinnamen die gekoppeld zijn aan de server waarop de onwettige informatie is opgeslagen, zonder die middelen te preciseren en zonder de te blokkeren domeinnamen op exhaustieve wijze te preciseren; de betwiste maatregel preciseert niet de door de eiseressen aan te wenden middelen en duidt evenmin de te blokkeren domeinnamen aan.

De eiseressen vragen aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat een informatiemaatschappij te verplichten illegale bestanden op het internet ontoe-gankelijk te maken zonder dat wordt gepreciseerd met welke middelen dit moet gebeuren en zonder dat op exhaustieve wijze wordt aangeduid welke domeinnamen hiertoe moeten worden geblokkeerd?"

23. Artikel 15.1 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel (hierna Richtlijn Elektronische Handel) bepaalt: "Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden."

Artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, dat artikel 15.1. Richtlijn Elektronische Handel omzet in het Belgische recht, bepaalt :

"Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 18, 19 en 20 bedoelde dien-sten hebben de dienstverleners geen algemene verplichting om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief op zoek te gaan naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

Het in het eerste lid bedoelde beginsel geldt enkel voor de algemene verplichtingen. Het laat het recht van de bevoegde gerechtelijke instanties onverlet om, in een specifiek geval, een tijdelijke toezichtsverplichting op te leggen, indien een wet in deze mogelijkheid voorziet."

24. Het bevel dat aan een internettoegangleverancier wordt gegeven om met alle mogelijke technische middelen de toegang te blokkeren tot de inhoud die wordt gehost door een server welke is gekoppeld aan een welbepaalde hoofddomein-naam door minstens alle domeinnamen te blokkeren die doorverwijzen naar die aan de wel bepaalde hoofddomeinnaam gekoppelde server, met bovendien de spe-cificatie welk technisch procedé daartoe moet worden aangewend, houdt geen toezichtsverplichting in als bedoeld door artikel 15.1 Richtlijn Elektronische Han-del en artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel. Van de internettoegangleveran-cier wordt immers niet gevraagd toe te zien op de informatie die hij doorgeeft of opslaat of om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige ac-tiviteiten duiden.

De onderdelen die volledig uitgaan van de onjuiste rechtsopvatting dat een toe-zichtsverplichting als bedoeld in artikel 15.1 Richtlijn Elektronische Handel en ar-tikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel wordt opgelegd, falen naar recht.

De prejudiciële vragen die uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting worden niet gesteld.

Derde onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 21, § 1, tweede lid, Wet Elektronische Handel en de artikelen 39bis en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig en dus niet regelmatig gemotiveerd; enerzijds neemt het aan dat de opgelegde maatregel van ontoegankelijkmaking geen algemene toezichtsverplichting inhoudt omdat de te blokkeren domeinnamen door de RCCU Mechelen en de FCCU aan de eiseressen zullen worden meege-deeld; anderzijds neemt het aan dat het blokkeren van domeinnamen slechts een minimale verplichting is binnen een ruimer bevel; door niet alleen die minimale verplichting maar het volledige bevel als een wettig bevel te beschouwen dat een algemene toezichtsverplichting inhoudt, schendt het arrest bovendien de voormel-de bepalingen.

De eiseressen vragen aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Staan considerans 47 en artikel 15 van de Richtlijn 2000/31 betreffende de elektronische handel, omgezet in artikel 21, § 1, Wet Elektronische Handel, toe dat een nationale bepaling in het kader van een gerechtelijk onderzoek toelaat een maatregel te bevelen erin bestaande door de aanwending van alle mogelijke tech-nische middelen de toegang tot de inhoud die wordt gehost door de server gekop-peld aan een welbepaalde hoofddomeinnaam verbonden aan wel bepaalde IP-adressen, ontoegankelijk te maken en dit ongeacht via welke domeinnamen die toegang wordt verschaft?"

26. De in het onderdeel vermelde oordelen zijn niet tegenstrijdig.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

27. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het eerste en het twee-de onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheden.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

28. De prejudiciële vraag die, eensdeels, berust op een onjuiste lezing van het arrest, anderdeels, op een onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 662,96 euro waarvan 71,01 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Inbeslagneming

  • Artikel 39bis, Wetboek van Strafvordering

  • Passende technische middelen