- Arrest van 28 oktober 2013

28/10/2013 - S.11.0054.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 102, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verjaart de tegen de begunstigde ingestelde vordering tot terugbetaling van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, namelijk door verloop van vijf jaren; die bepaling is van openbare orde (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0054.F

A. K.,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JANS-MOLENBEEK,

Mr Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 13 januari 2011.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft op 7 oktober 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan die luiden als volgt:

(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 102, gewijzigd bij artikel 56 van de wet van 5 augustus 1992, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

Aangevochten beslissingen

Het arrest dat heeft vastgesteld dat de verweerder "bij beslissing van 6 april 2007, heeft beslist 23.133,53 euro maatschappelijke dienstverlening terug te vorderen", verwerpt vervolgens het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van de eerste rechter die voornoemde beslissing van 6 april 2007 bevestigt en veroordeelt de eiseres aldus tot de terugbetaling van 23.133,53 euro voor maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht tot 1 september 2001.

Grieven

Krachtens artikel 102 van de organieke wet "verjaart de vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek".

De beslissing van de verweerder dat de eiseres de haar uitgekeerde maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht tot 1 september 2001 moet terugbetalen, namelijk een bedrag van 23.133,53 euro, is op 6 april 2007 genomen en de eiseres per aangetekende brief op 10 april 2007 ter kennis gebracht.

Daaruit volgt dat de invordering van de maatschappelijke dienstverlening die gedurende vijf aan 10 april 2002 voorafgaande jaren is uitgekeerd, verjaard is.

Het arrest veroordeelt de eiseres nochtans voor de uitgekeerde maatschappelijke dienstverlening in haar geheel, met name 23.133,53 euro, met inbegrip van het bedrag dat vóór 10 april 2002 uitgekeerd was hoewel dat deel verjaard is.

Het arrest dat de eiseres veroordeelt tot terugbetaling van de maatschappelijke dienstverlening die vóór 10 april 2002 uitgekeerd was, veroordeelt de eiseres aldus tot terugbetaling van de verjaarde maatschappelijke dienstverlening en schendt bijgevolg artikel 102 van de organieke wet en eveneens artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde middel

Krachtens artikel 102, eerste lid, OCMW-wet verjaart de vordering tot terugbeta-ling van de maatschappelijke dienstverlening ten aanzien van de begunstigde overeenkomstig artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, namelijk door verloop van vijf jaren.

Die bepaling is van openbare orde.

In afwijking van artikel 2223 van het Burgerlijk Wetboek, moet de rechter dus de toepassing ervan ambtshalve onderzoeken.

Het arrest stelt zowel met eigen redenen als met de redenen van het beroepen vonnis die het overneemt vast dat de verweerder vanaf 1 september 2001 de maat-schappelijke dienstverlening aan de eiseres heeft betaald; dat eerstgenoemde bij beslissing van 29 april 2005, beslist heeft die maatschappelijke dienstverlening vanaf die datum van 1 september 2001 in te trekken en bij beslissing van 6 april 2007 het terug te vorderen bedrag heeft vastgesteld op 23.133,53 euro; dat de ei-seres tegen die beslissingen verhaal heeft ingesteld bij de arbeidsrechtbank en de verweerder vervolgens een tegenvordering heeft ingesteld voor de terugbetaling van 23.133,53 euro.

Het arrest dat in die omstandigheden nalaat het middel te onderzoeken dat is afgeleid uit de verjaring van de vordering van de verweerder, verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht om de eiseres te veroordelen tot terugbetaling van 23.133,53 euro aan de verweerder.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt tot de terugbetaling, aan de verweerder, van 23.133,53 euro maatschappelijke dienstverlening, vermeerderd met de verwijlinte-rest op elke maandelijkse termijn vanaf de datum van betaling.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten, gelet op artikel 1017, tweede lid, Ge-rechtelijk Wetboek.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 28 oktober 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Recht op maatschappelijke dienstverlening

  • Intrekking

  • Vordering tot terugbetaling

  • Inning

  • Omvang

  • Verjaring

  • Artikel 102, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976

  • Aard

  • Openbare orde