- Arrest van 29 oktober 2013

29/10/2013 - P.13.0896.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ongeacht of er al dan niet een conclusie werd neergelegd waarin de inverdenkinggestelde betwist dat er voldoende bezwaren bestaan, motiveert het onderzoeksgerecht zijn verwijzingsbeslissing naar recht door de onaantastbare vaststelling dat die bezwaren bestaan (1). (1) Cass. 16 april 2013, AR P.12.0858.N, AC 2013, nr. 238; zie: Cass. 17 januari 1996, AR P.95.0930.F, AC 1995, nr. 36.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0896.N

G V,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Kris De Sager, advocaat bij de balie te Dendermonde,

tegen

L L,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 18 april 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft concludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raad-kamer niet ontvankelijk omdat die beschikking waarbij hij wordt verwezen naar het vonnisgerecht niet behept is met een motiveringsgebrek dat een hoger beroep toelaat.

2. Uit artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking, voor de inverdenkinggestelde slechts cassatieberoep openstaat wanneer zijn hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de gevallen bepaald in artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering.

3. Het in de verwijzingsbeschikking ontbreken van redengeving betreffende het bestaan van voldoende bezwaren maakt een verzuim van deze beschikking uit, zodat het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen deze beschikking, ont-vankelijk is wanneer het middel tot staving van dit hoger beroep met recht een dergelijk verzuim aanvoert. Zijn hoger beroep is daarentegen niet ontvankelijk wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ondanks het feit dat een dergelijk verzuim wordt aangevoerd, wettig vaststelt dat de beroepen beschikking dienaan-gaande met redenen is omkleed.

4. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep vereist een antwoord op de door hem aangevoerde middelen, die nauw verband houden met die ontvankelijkheid.

Eerste middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvor-dering: het arrest verklaart ten onrechte eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank werd verwezen on-ontvankelijk; het beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbe-schikking is wel degelijk ontvankelijk indien die aanvoert dat de beschikking een verzuim bevat bestaande in een gebrekkige motivering wegens het niet-motiveren en niet-preciseren van de bezwaren die de verwijzing verantwoorden.

6. Uit de artikelen 129, 130 en 230 Wetboek van Strafvordering volgt dat de wetgever het onderzoeksgerecht in geweten heeft willen laten oordelen over de vraag of het onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om de inverden-kinggestelde naar het vonnisgerecht te verwijzen. Geen wetsbepaling schrijft voor dat de bezwaren moeten worden gepreciseerd. Onafgezien of er al dan niet een conclusie werd neergelegd waarin de inverdenkinggestelde betwist dat er vol-doende bezwaren bestaan, motiveert het onderzoeksgerecht zijn verwijzingsbe-slissing naar recht door de onaantastbare vaststelling dat die bezwaren bestaan.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Het arrest dat vaststelt dat de beroepen beschikking vermeldt dat er ten laste van de eiser voldoende bezwaren bestaan om hem naar de correctionele rechtbank te verwijzen, oordeelt wettig dat de verwijzingsbeschikking voldoet aan de moti-veringsplicht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: met het oordeel dat de beschikking van de raadkamer niet is aangetast door een motiveringsgebrek schendt het arrest deze bepaling; de raadkamer kan zich in het licht van de wijze waarop de uit artikel 6.1 EVRM voortvloeiende motiveringsverplichting wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet beperken tot de vaststelling dat er voldoende bezwaren zijn om de eiser te verwijzen naar het vonnisgerecht, zonder die bezwaren nader te preciseren en te motiveren; de moti-veringsverplichting die geldt ten opzichte van het slachtoffer moet ook gelden ten opzichte van de inverdenkinggestelde.

9. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, houdt in dat de beslissing op de strafvordering, met inbegrip van de beslissing die daaraan een einde stelt op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, de voornaamste redenen tot staving van die beslissing vermeldt, ook bij afwezigheid van conclusie.

10. Een verwijzingsbeschikking is geen eindbeslissing op de strafvordering.

De rechtstoestand van een naar het vonnisgerecht verwezen inverdenkinggestelde is niet vergelijkbaar met die van een burgerlijke partij die wordt geconfronteerd met een beschikking tot buitenvervolgingstelling: in dat laatste geval gaat het om een definitieve beslissing, terwijl in het geval van een verwijzingsbeslissing de in-verdenkinggestelde voor het vonnisgerecht nog verweer kan voeren en op dat vonnisgerecht de verplichting rust de voornaamste redenen te vermelden die heb-ben geleid tot de beslissing op de strafvordering.

Bijgevolg kan uit artikel 6.1 EVRM niet worden afgeleid dat het onderzoeksge-recht dat oordeelt dat er in hoofde van een inverdenkinggestelde voldoende be-zwaren bestaan om hem te verwijzen naar het vonnisgerecht, deze bezwaren moet preciseren en nader motiveren.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

11. Het cassatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 29 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verwijzing naar de feitenrechter

  • Onaantastbare vaststelling van het bestaan van bezwaren