- Arrest van 30 oktober 2013

30/10/2013 - P.13.1337.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 127, §3, van het Wetboek van Strafvordering wordt, wanneer een partij verzoekt om een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten, de regeling van de rechtspleging opgeschort tot de maatregel is uitgevoerd of tot de definitieve beslissing tot afwijzing van de maatregel; daaruit volgt dat zelfs wanneer een uitstel naar een welbepaalde datum werd bevolen, de rechtspleging voor het onderzoeksgerecht alleen kan worden hervat als de zaak in staat van wijzen is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1337.F

J. K.-V.,

Mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nummer 2360 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 juni 2013

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft op 4 oktober 2013 een conclusie neerge-legd op de griffie.

Op de rechtszitting van 23 oktober 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe ver-slag uitgebracht, heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd en heeft mr. Pierre Monville een antwoordnoot neergelegd

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de regelmatigheid van de rechtspleging

Het middel voert de schending aan van de artikelen 127, 136, tweede lid, en 235bis Wetboek van Strafvordering.

De eiseres is van oordeel dat, vermits het indienen van haar verzoek om bijko-mende onderzoekshandelingen te verrichten tot gevolg heeft dat de regeling van de rechtspleging wordt geschorst, de raadkamer de zaak sine die had moeten uit-stellen. Het middel voert aan dat de beslissing van het onderzoeksgerecht om de zaak naar een vaste datum te verdagen onwettig was. Het leidt daaruit af dat het arrest de voormelde bepalingen schendt, door te oordelen dat "de schorsing van de regeling van de rechtspleging tijdens de uitvoering van bijkomende onder-zoekshandelingen (wat te dezen niet het geval is) niet verbiedt om de zaak op een latere datum vast te stellen".

Krachtens het voormelde artikel 127, § 3, wordt, wanneer een partij verzoekt om een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten, de regeling van de rechtsple-ging geschorst tot de uitvoering van de maatregel of tot de definitieve beslissing tot weigering.

Daaruit volgt dat zelfs wanneer een uitstel naar een vaste datum werd bevolen, de rechtspleging voor het onderzoeksgerecht pas kan worden hervat als de zaak in staat van wijzen is.

Het middel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vorderingen met het oog op de regeling van de rechtspleging

  • Raadkamer

  • Verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen

  • Opschorting van de rechtspleging

  • Uitstel naar een welbepaalde datum