- Arrest van 30 oktober 2013

30/10/2013 - P.13.1403.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een handeling waarmee de onderzoeksrechter het vermoeden van onschuld heeft miskend, heeft als dusdanig niet tot gevolg dat het vermoeden van onpartijdigheid dat hij geniet, wordt weerlegd en verplicht evenmin dat, naast de nietigheid van die handeling, de nietigheid wordt vastgesteld van de handelingen die eruit voortvloeien (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1403.F

I. L. D'O.,

II. R. S.,

III. M. D.,

IV. 1. ALALUNGA ANSTALT VADUZ, firma naar Liechtensteins recht,

2. KICK INTERNATIONAL AGENCY, vennootschap naar Nederlands recht,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

V. STANDARD DE LIEGE nv,

Mr. Marc Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel,

VI. J. S.,

VII. 1. L. C.,

2. I. B.,

3. C. B.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 juni 2013.

L. D'O., M. D., R. S., de firma Alalunga Anstalt Vaduz en de vennootschap Kick International Agency voeren een middel aan, L. C., I. B. en C. B. voeren twee middelen aan en de naamloze vennootschap Standard de Liège voert vier midde-len aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoepen van L. D'O., M. D., R. S., de firma Alalunga Anstalt Vaduz en de vennootschap Kick International Agency

Middel

Het middel voert de schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, de artikelen 56, § 1 en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter.

De eisers verwijten het arrest dat het, na te hebben vastgesteld dat de onderzoeks-rechter het vermoeden van onschuld heeft miskend, daaruit niet afleidt dat de on-derzoeksrechter het onpartijdigheidsbeginsel heeft miskend en dat het bijgevolg de nietigheid van de stukken van de rechtspleging beperkt tot de uiteenzettingen van de feiten die in de ambtelijke opdrachten zijn opgenomen, in plaats van die akten en de daaruit voortvloeiende verrichtingen van wederzijdse rechtshulp nietig te verklaren.

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, heeft een handeling waarmee de on-derzoeksrechter het vermoeden van onschuld heeft miskend, als dusdanig niet tot gevolg dat het op hem rustende vermoeden van onpartijdigheid wordt weerlegd, en verplicht die miskenning evenmin dat, naast de nietigheid van die handeling, de nietigheid wordt vastgesteld van de handelingen die eruit voortvloeien.

Met toepassing van artikel 235bis, § 6, van het voormelde wetboek, wordt de nie-tigheid van een handeling en van een deel of het geheel van de rechtspleging al-leen uitgesproken "als daartoe grond bestaat". De kamer van inbeschuldiging-stelling is dus bevoegd om een internationale ambtelijke opdracht gedeeltelijk nie-tig te verklaren en de in het buitenland gevoerde onderzoeksverrichtingen als re-gelmatig te beschouwen zo ze werden uitgevoerd met naleving van artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken.

De kamer van inbeschuldigingstelling stelt vast dat de onhandige wijze waarop de uiteenzetting van de feiten in een aantal ambtelijke opdrachten was opgesteld, namelijk met talrijke beschuldigende beweringen in de onvoltooid tegenwoordige tijd, de indruk kon wekken dat de onderzoeksrechter sommige strafbare feiten als bewezen had beschouwd. Na die onregelmatigheid te hebben vastgesteld, heeft ze het toezicht uitgeoefend dat bij artikel 13 van de voormelde wet van 9 december 2004 is bepaald.

Hoewel de appelrechters hebben beslist de uiteenzettingen van de feiten in de ambtelijke opdrachten nietig te verklaren, oordelen ze dat die nietigheid geen nie-tigverklaring tot gevolg had van de onderzoeksverrichtingen die door de aange-zochte buitenlandse overheden werden uitgevoerd in het kader van de verzoeken om wederzijdse rechtshulp of van de latere proceshandelingen die daaruit zijn voortgevloeid. Tot staving van die beslissing vermeldt het arrest het volgende :

- geen enkele partij heeft de schending aangevoerd van een op straffe van nietig-heid voorgeschreven vormvereiste,

- de litigieuze uiteenzettingen van de feiten tasten de betrouwbaarheid van het bewijs niet aan, omdat de bevoegde overheden van de aangezochte Staten zich niet hadden vergist in de juiste draagwijdte van de hun voorgelegde uiteenzet-ting van de feiten, zodat het geen zin heeft aan te voeren dat de miskenning van het vermoeden van onschuld de uitvoering van de gevraagde onderzoeksverrichtingen heeft bepaald,

- de eisers tonen niet aan waarom door de miskenning van het vermoeden van hun onschuld in de uiteenzetting van de feiten, hun recht van verdediging in die mate zou zijn geschonden dat de eerlijke behandeling van de zaak nu al op beslissende en onherroepelijke wijze in het gedrang werd gebracht, aangezien de partijen de bewijzen die bij de tenuitvoerlegging van de verrichtingen van wederzijdse rechtshulp zijn vergaard nog steeds vrij kunnen tegenspreken, zowel tijdens de regeling van de rechtspleging als, in voorkomend geval, voor de feitenrechter.

Met een feitelijke beoordeling wijzen de appelrechters nog op een brief van de onderzoeksrechter aan een Zwitserse collega, die liet uitschijnen dat de eisers, na voltooiing van het onderzoek, buiten vervolging konden worden gesteld. Ze leiden daaruit af dat de onhandige wijze waarop de uiteenzetting van de feiten in verschillende internationale ambtelijke opdrachten is opgesteld, niet kon volstaan om het vermoeden van onpartijdigheid te weerleggen.

Met de voormelde overwegingen, die noch de wettelijke bepalingen schenden noch het algemeen rechtsbeginsel miskennen die in het middel zijn aangegeven, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

C. Cassatieberoep van de naamloze vennootschap Standard de Liège

(...)

Derde middel

Het middel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling de uiteenzetting van de feiten in een ambtelijke opdracht niet nietig kon verklaren zonder die op-dracht in haar geheel nietig te verklaren.

Artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, vereist niet dat de stukken die voor een deel van het arrest door nietigheid zijn aangetast, terwijl ze geldig blijven voor een ander deel, integraal uit het strafdossier worden verwijderd. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen om die stukken in het dossier te laten, mits de door haar nauwkeurig aangegeven onregelmatige vermeldingen worden gewist.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onpartijdigheid

  • Handeling waarmee het vermoeden van onschuld is miskend