- Arrest van 30 oktober 2013

30/10/2013 - P.13.1573.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 29, §3, vijfde lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, bepaalt dat de Belgische rechtscolleges alleen bevoegd blijven ten aanzien van de zaken die, aangezien ze betrekking hebben op feiten zoals omschreven in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek, en waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt vóór de inwerkingtreding van de wet, ontsnappen aan de procedure tot onttrekking in zoverre ze beantwoorden aan de criteria van artikel 29, §3, tweede lid; de Belgische rechtscolleges blijven dus alleen bevoegd voor de in die overgangsbepaling bedoelde zaken, in zoverre daarin een onderzoeksdaad is gesteld op de datum van inwerkingtreding van de wet en zij daarenboven voldoen aan een van de in het voormelde tweede lid vermelde actieve en passieve personaliteitsvoorwaarden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1573.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE,

verzoeker tot onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht,

in zake van

O. S. A. T.,

persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek,

tegen

1. Y. I.,

2. A. H. D.,

3. ASSOCIATION D'AIDE AUX VEUVES ET ORPHELINS DE MILI-TAIRES MAURITATIENS,

Mr. Marc Libert, advocaat bij de balie te Brussel, en mr. Michel Grégoire, advo-caat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Op 26 september 2013 werd op de griffie van het Hof een vordering neergelegd die luidt als volgt :

"Aan de tweede kamer van het Hof van Cassatie,

De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie,

Gelet op het onderzoek nr. 15/2004 van onderzoeksrechter Grégoire in de zaak van de Heer Ould Sid Ahmed Taya, betreffende feiten bedoeld in titel Ibis, boek II van het Strafwetboek (notitienummer FD30.98.128-03) ;

Gelet op het verslag van 2 september 2013 van de federale procureur, waarin hij erop wijst dat de zaak niet overeenstemt met de criteria bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en in ar-tikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht ;

Gelet op artikel 29, § 3, tweede tot vierde lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht ;

Vordert het Hof, na de federale procureur en, op hun verzoek, de klagers en de persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld te hebben gehoord,

uitspraak doend op grond van de criteria bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht uit te spreken.

Brussel, 25 september 2013.

Voor de procureur-generaal,

de advocaat-generaal,

(get.) Damien Vandermeersch"

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 26 september 2013 een con-clusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 30 oktober 2013 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht, werd federaal magistraat Philippe Meire gehoord en heeft de voor-noemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Voor de zaak bedoeld in de hierboven weergegeven vordering liep een on-derzoek op 7 augustus 2003, dag van inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

De zaak heeft betrekking op feiten buiten het grondgebied van het Rijk gepleegd, zoals omschreven in boek II, titel Ibis, Strafwetboek.

De federale procureur heeft op 2 september 2013 het dossier van de rechtspleging overgezonden aan de procureur-generaal bij het Hof, met de vermelding dat de zaak niet voldoet aan de criteria bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis, en 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

2. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de strafvordering is inge-steld tegen een persoon met de Belgische nationaliteit of die in België verblijft en evenmin dat de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht be-doeld in de burgerlijke partijstellingen, gepleegd zijn tegen personen die op het ogenblik van de feiten Belg waren, in België als vluchteling waren erkend of se-dert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk op het grondgebied van het Rijk verbleven.

De criteria vermeld in artikel 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring zijn evenmin vervuld, aangezien geen enkele internationaalrechtelijke regel België verplicht een universele rechtsmacht bij verstek uit te oefenen ten aanzien van de hier bedoelde misdaden.

3. Volgens artikel 29, § 3, vijfde lid, van de wet van 5 augustus 2003 betref-fende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht blijven de Bel-gische rechtscolleges alleen bevoegd voor zaken die betrekking hebben op feiten zoals omschreven in boek II, titel Ibis, Strafwetboek, waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt vóór de datum van inwerkingtreding van die wet en die buiten de procedure van onttrekking vallen, in zoverre ze beantwoorden aan de criteria van artikel 29, § 3, tweede lid.

De Belgische rechtscolleges blijven dus alleen bevoegd voor de in die overgangs-bepaling bedoelde zaken, in zoverre daarin een onderzoeksdaad is gesteld op de datum van inwerkingtreding van de wet en zij daarenboven voldoen aan een van de in het voormelde tweede lid vermelde actieve en passieve personaliteitsvoor-waarden.

De gedeeltelijke nietigverklaring van de wet van 5 augustus 2003 door het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 juni 2006 brengt de toepassing van de door haar ingevoerde overgangsregeling niet in het gedrang, aangezien de redenen en het dictum van de vernietiging niet verwijzen naar de herstelwet van 22 mei 2006. Die niet-vernietigde wet moet begrepen worden als de herinvoering van de vroe-gere tekst, onder voorbehoud van de wijziging die door het Grondwettelijk Hof zelf is aangegeven, zoniet is die wet zinloos.

Uit de opzet van de wet van 5 augustus 2003 blijkt dat onder de onderzoekshandeling die als voorwaarde geldt voor het behoud van de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges, elke handeling moet worden verstaan waarmee de onderzoeksrechter, in de uitoefening van zijn opdracht om de waarheid te achterhalen, de inlichtingen vergaart die relevant zijn voor de berechting van de zaak.

In de onderhavige procedure blijkt geen dergelijke handeling te zijn gesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de wet.

Bijgevolg is er grond om de zaak, met toepassing van artikel 29, § 3, van de voormelde wet van 5 augustus 2003, aan het Belgisch gerecht te onttrekken.

Dictum

Het Hof,

Onttrekt de zaak die door onderzoeksrechter Grégoire te Brussel onder het num-mer 15/2004 is onderzocht, aan het Belgisch gerecht.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Internationaal humanitair recht

  • Zware schendingen

  • Wet 5 aug. 2003

  • Rechtsgeding waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt

  • Belgische gerechten blijven bevoegd