- Arrest van 31 oktober 2013

31/10/2013 - C.13.0005.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels; hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent; hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0005.N

W.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PROBUS INSURANCE COMPANY EUROPE LTD, met zetel te Dublin 1 (Ierland), North Wall Quay, 3rd floor, die woonplaats heeft gekozen bij advocaat Guy Lambeets, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, Toekomststraat 22,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187 bus 302, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 november 2010.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 19 augustus 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te wer-pen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen.

2. Artikel 29bis WAM regelt in het algemeen belang en onder de daarin be-paalde voorwaarden, de vergoeding van de schade, voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden veroorzaakt aan bepaalde slachtoffers van wegverkeers-ongevallen waarin een motorrijtuig is betrokken, of aan de rechthebbenden van dergelijke slachtoffers, met uitzondering van de bestuurder van elk van de betrok-ken motorrijtuigen.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de betwisting tussen partijen betrekking heeft op de aansprakelijkheid en de schade ingevolge het verkeersongeval van 29 juni 2001 waarin het voertuig verzekerd bij de verweerster en de eiser als fietser betrokken waren;

- de eerste rechter oordeelde dat zowel de bestuurder van het motorrijtuig als de eiser aansprakelijk zijn voor het ongeval wegens een inbreuk op artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement en de algemene zorgvuldigheidsplicht.

4. De appelrechters die oordelen dat de aansprakelijkheid bij het beroepen vonnis terecht werd verdeeld tussen de bestuurder van het motorrijtuig en de eiser, en de verweerster veroordelen tot de helft van de schade van de eiser, zonder na te gaan of de verweerster tot een grotere schadevergoeding aan de eiser gehouden is op grond van artikel 29bis WAM, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat de eiser ten aanzien van de verweerster slechts aanspraak kan maken op de vergoeding van de helft van de door hem geleden schade en het oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 31 oktober 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Beslechting van het geschil door de rechter

  • Ambtshalve aanvulling van de door partijen aangevoerde redenen

  • Voorwaarden