- Arrest van 4 november 2013

04/11/2013 - S.10.0118.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het arrest C – 89/12 van het Hof van Justitie van 25 april 2013 blijkt dat artikel 11, lid 2, van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, opgenomen in de bijlage bij verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1943/2006 van de Raad van 12 december 2006, aldus moet worden uitgelegd dat de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, en in het bijzonder de daarin opgenomen loonvoorwaarden, niet geldt voor de personeelsleden van de gemeenschappelijke onderneming Galileo die in dienst worden genomen met een contract van bepaalde duur.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0118.N

R.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

GALILEO JOINT UNDERTAKING OI, in vereffening, vertegenwoordigd door de vereffenaar mr. Francis Goffin, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 23 april 2010.

Gelet op het arrest van het Hof van 30 januari 2012 en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 april 2013.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. Bij arrest van 30 januari 2012 heeft het Hof iedere nadere uitspraak aange-houden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak zal hebben gedaan over de hiernavolgende prejudiciële vraag:

"Dient artikel 11.2 van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming Gali-leo, gevoegd in bijlage bij de verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, juncto het artikel 2 van die verordening, zo te worden uitgelegd dat de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, en meer bepaald de in die regeling bepaalde loonvoorwaarden, van toepassing is op de personeelsleden van de gemeenschappelijke onderneming Galileo die in dienst worden genomen met een contract van bepaalde duur?"

2. Bij arrest van 25 april 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie - zaak C-89/12 - die vraag beantwoord.

3. Partijen werden bij brief van 2 mei 2013 uitgenodigd hun eventuele opmer-kingen te formuleren voor 3 juni 2013. Er werden geen opmerkingen geformu-leerd.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2 van de verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, in de versie van toepassing zowel vóór als ná de wijziging ervan door de verordening (EG) nr. 1943/2006 van de Raad van 12 december 2006, en 11, inzonderheid 11.2, van de als bijlage bij die verordening gevoegde Statuten van de gemeenschappelijke onderneming Galileo;

- de artikelen 10, 234 en 249, tweede lid, van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende en bij Belgische wet van 2 december 1957 goedgekeurde verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans, sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon op 13 december 2007 en goedgekeurd door een Belgische wet van 19 juni 2008, de artikelen 267, 288, tweede lid, en 291.1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het gemeenschapsrecht;

- artikel 1161 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- voor zoveel als nodig, artikel 3 van de verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Het arbeidshof wijst aldus de oorspronkelijke vordering van de eiseres af tot het bekomen van een achterstallig loon en vakantiegeld daarop. Het arbeidshof neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"Het verschuldigde loon.

2. In de arbeidsovereenkomst van 1 augustus 2003 wordt het jaarloon bepaald op 53.719,12 euro, wat rekening houdend met de eindejaarspremie en het dubbel vakantiegeld, overeenkomt met een bruto maandloon van 3.859,13 euro, zoals volgt uit de basisloonfiche die als bijlage bij de arbeidsovereenkomst is gevoegd.

In de bijlage bij de arbeidsovereenkomst van 4 november 2004 wordt dit jaarloon verhoogd tot 70.176,30 euro, wat overeenstemt met een maandelijks [...] brutoloon van 5.041,40 euro.

In de bijlage bij de arbeidsovereenkomst van 14 maart 2006 wordt overeengekomen dat deze contractuele bepaling van toepassing blijft tot het voorziene einde van de tewerkstelling op 31 december 2006.

Al deze overeenkomsten werden door [de eiseres] ondertekend.

3. Ondanks deze door [de eiseres] overeengekomen loonafspraken, meent zij aanspraak te kunnen maken op een hoger loon krachtens een hogere rechtsbron dan de individuele arbeidsovereenkomst, met name de Verordening 876/2002 van 21 mei 2002 tot oprichting van [de verweerster], waarin de statuten van deze onderneming werden vastgelegd.

Uit artikel 11,2 van deze statuten kan niet afgeleid worden dat [de eiseres] recht heeft op een volledig identiek loon als dit van de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

In dit artikel wordt immers enkel gezegd dat de overeenkomst van bepaalde tijd, waarmee [de eiseres] zou worden aangeworven, zou worden opgesteld op basis van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

Terecht heeft de eerste rechter de term op basis van geïnterpreteerd volgens de Franse tekst van de statuten, waar gesproken wordt over s'inspirant du (in het Engels based on).

Anders dan [de eiseres] voorhoudt zijn binnen de Europese Unie de verschillende talen gelijkwaardig, zodat er geen reden is om de Franse tekst terzijde te laten.

Uit deze vergelijking kan inderdaad afgeleid worden dat de arbeidsovereenkomst diende gemodelleerd te worden naar de specificiteit van [de verweerster], maar dat men de vergelijkbare bepalingen uit de overeenkomsten van de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen als grondslag zou nemen.

Volgens artikel 11,1 was de lijst van het aantal ambten binnen de personeelsformatie overigens afhankelijk van de jaarlijkse begroting, wat inhoudt dat de lonen een specifiek element vormden, dat binnen de begroting van [de verweerster] diende te passen; immers volgens artikel 11,3 komen alle personeelskosten ten laste van de gemeenschappelijke onderneming.

In die zin diende de raad van bestuur overeenkomstig artikel 11,4 van deze statuten de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor het nader preciseren van de bepalingen van het contract van bepaalde duur in de zin van artikel 11,2.

Op grond van artikel 1161 Burgerlijk Wetboek moeten alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit.

Aldus volgt uit artikel 11 van de statuten dat de loonvorming mede bepaald werd door de jaarlijkse begroting, daar alle personeelskosten ten laste van de gemeenschappelijke onderneming kwamen, zodat de raad van bestuur dienaangaande de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen diende vast te stellen.

Terecht verwijst [de verweerster] in haar brief van 31 augustus 2004 dan ook naar deze vastlegging door de raad van bestuur.

Overigens bevestigt [de eiseres] in haar syntheseberoepsconclusie van 15 januari 2010, pagina 25 dat de overeenkomstige EU-graden door de raad van bestuur goedgekeurd werden.

[De eiseres] leidt dan ook ten onrechte uit artikel 11 van deze statuten af dat ze aanspraak kan maken op een identiek loon als dit van een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen; weliswaar diende de raad van bestuur zich bij het opstellen van de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd te laten inspireren door de regeling van deze ambtenaren, maar hieruit volgt nog niet dat deze bepaling een bepaalde loonverplichting inhield.

In die zin zijn de verwijzingen van [de eiseres] naar de lonen van andere medewerkers in Europese instanties niet ter zake dienend, daar de concrete loonvorming bij [de verweerster] verder diende uitgewerkt te worden door de raad van bestuur op basis van de eigenheid van de onderneming, de middelen voorzien in de jaarlijkse begroting en de functie van [de eiseres]. Eens deze lonen vastgesteld, kon op basis daarvan de individuele arbeidsovereenkomsten worden afgesloten.

4. Uit de overeenkomsten, vermeld in randnummer 2, volgt dat er tussen [de eiseres] en [de verweerster] een wilsovereenstemming tot stand kwam in verband met het overeengekomen loon.

Uit de brief van [de verweerster] van 1 april 2004 volgt dat de loonsverhoging met 5% een erkenning inhield van de uitvoering van haar taken.

Uit de bijlage bij de arbeidsovereenkomst van 4 november 2004 volgt dat het nieuwe jaarloon van 70.176,30 aangepast was aan de nieuwe functie van Executive Assistant.

Hieruit kan worden afgeleid dat de loonvorming de eigenheid van de functie van [de eiseres] volgde, zoals ze in concreto door haar wordt uitgevoerd.

Terecht heeft [de verweerster] dan ook in haar schrijven van 16 februari 2005 [de eiseres] erop gewezen dat zij door de ondertekening van deze overeenkomsten uitdrukkelijk het overeengekomen loon aanvaard had.

[De eiseres] blijft in gebreke om een hogere rechtsnorm aan te tonen die [de verweerster] zou verplichten om een hoger loon dat het overeengekomene uit te betalen.

5. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat uit artikel 18 van de arbeidsovereenkomst niet kan worden afgeleid dat het Belgische recht slechts beperkt van toepassing was.

Voor hetgeen niet in de arbeidsovereenkomst was bepaald, verwezen de partijen naar de Belgische wettelijke bepalingen, wat inhoudt dat ze een rechtskeuze deden voor het Belgisch recht. Deze keuze houdt in dat de overeenkomst diende te voldoen aan de dwingende bepalingen van het Belgische arbeidsovereenkomstenrecht.

Zoals in de vorige randnummers aangehaald, kan uit de Europese regelgeving geen strijdigheid worden afgeleid met wat in de arbeidsovereenkomst werd bedongen.

De overige beschouwingen van [de eiseres] kunnen dan ook geen afbreuk doen aan het feit dat het loon correct werd uitbetaald volgens de overeenkomst.

Haar vordering, ook deze in ondergeschikte orde, en haar hoger beroep zijn dan ook ongegrond."

Grieven

1.1. Krachtens artikel 288, tweede lid, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen art. 249, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, afgekort als EG-Verdrag) heeft een verordening een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

De lidstaten zijn krachtens artikel 291.1 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen art. 10 EG-Verdrag) ertoe gehouden alle maatregelen van intern recht te nemen nodig ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie.

1.2. De verweerster werd opgericht bij verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002. Luidens artikel 2 van de verordening (EG) nr. 876/2002 worden de statuten van de verweerster, als omschreven in de bijlage bij die verordening, bij deze vastgesteld.

Krachtens artikel 11.2 van de statuten van de verweerster, die integraal deel uitmaken van de verordening (EG) nr. 876/2002, worden de personeelsleden van de verweerster in dienst genomen met een contract van bepaalde duur, "dat is opgesteld op basis van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen".

De voornoemde bepaling heeft betrekking op de "Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen" vastgesteld bij artikel 3 van de verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn. De "Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen" bevat onder meer bepalingen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en de bezoldiging en vergoeding van kosten.

Uit artikel 11.2 van de statuten van de verweerster volgt aldus dat de "Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen" van toepassing is op de personeelsleden in dienst bij de verweerster. Aangezien in de statuten van de eiseres in geen beperking is voorzien, geldt de voornoemde regeling integraal voor de personeelsleden van de verweerster.

1.3. Krachtens artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités staan de dwingende bepalingen van de wet in de hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers hoger dan de bepalingen van een geschreven individuele arbeidsovereenkomst. De hierboven vermelde bepalingen van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en van de verordening (EG) nr. 876/2002 en haar bijlage zijn dwingende bepalingen in voornoemde zin.

Het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het gemeenschapsrecht ten opzichte van de nationale wetgeving brengt voor de nationale rechter de verplichting mee, zo nodig, de nationale wettelijke bepaling buiten toepassing te laten om de door het gemeenschapsrecht aan particulieren toegekende rechten te beschermen.

2. Uit de procedurestukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, volgt dat de vordering van de eiseres strekte tot het verkrijgen van een loon overeenkomstig "de salarisberekening volgens het classificatiesysteem van de E.G. voor tijdelijk personeel" (blz. 2, voorlaatste alinea, van de "Syntheseberoepsconclusie" neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 15 januari 2010), dat zij aanvoerde dat "de statuten van de verweerster duidelijk bepalen dat het classificatiesysteem voor de andere personeelsleden van de E.G. moet toegepast worden" (blz. 3, midden, blz. 10, onderaan, van de "Syntheseberoepsconclusie" neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 15 januari 2010), en dat voor de berekening van de bezoldigingen de "Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen", van toepassing is en niet de Belgische wetge-ving (blz. 15 e.v. van de "Syntheseberoepsconclusie" neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 15 januari 2010).

Ook het arbeidshof stelt vast dat de eiseres aanvoerde aanspraak te kunnen maken op een hoger loon krachtens een hogere rechtsbron dan de individuele arbeidsovereenkomst, m.n. op grond van de verordening (EG) nr. 876/2002 van 21 mei 2002 tot oprichting van de verweerster, waarin haar statuten zijn vastgelegd (5de blad, vierde alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt dat:

- uit artikel 11.2 van de statuten niet kan worden afgeleid dat de eiseres recht heeft op een volledig identiek loon als dat van de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (5de blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest),

- in artikel 11.2 van de statuten enkel wordt gezegd dat de overeenkomst van bepaalde tijd waarmee de eiseres zou worden aangeworven, zou worden opgesteld op basis van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (5de blad, zesde alinea, van het bestreden arrest),

- de arbeidsrechtbank de term "op basis van" terecht heeft geïnterpreteerd volgens de Franse tekst van de statuten, waar gesproken wordt over "s'inspirant du", en binnen de Europese Unie de verschillende talen gelijkwaardig zijn, zodat er geen reden is om de Franse tekst terzijde te laten (5de blad, zevende en achtste alinea, van het bestreden arrest),

- uit de vergelijking van de verschillende teksten kan afgeleid worden dat de arbeidsovereenkomst diende gemodelleerd te worden naar de specificiteit van de verweerster, maar dat men de vergelijkbare bepalingen uit de overeenkomsten van de andere personeelsleden ten grondslag zou nemen (5de blad, negende alinea, van het bestreden arrest).

Voorts overweegt het arbeidshof dat:

- volgens artikel 11.1 van de statuten de lijst van het aantal ambten binnen de personeelsformatie afhankelijk was van de jaarlijkse begroting, wat inhoudt dat de lonen een specifiek element vormden, dat binnen de begroting van de verweerster diende te passen; volgens artikel 11.3 komen alle personeelskosten immers ten laste van de verweerster (5de blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest),

- de raad van bestuur overeenkomstig artikel 11.4 van de statuten de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen moest vaststellen voor het nader preciseren van de bepalingen van het contract van bepaalde duur in de zin van artikel 11.2 (5de blad, laatste alinea, van het bestreden arrest),

- uit artikel 11 van de statuten volgt dat de loonvorming mede bepaald werd door de jaarlijkse begroting, daar alle personeelskosten ten laste van de verweerster kwamen, zodat de raad van bestuur dienaangaande de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen diende vast te stellen, waarnaar de verweerster terecht verwees (6de blad, tweede en derde alinea, van het bestreden arrest),

- de concrete loonvorming bij de verweerster diende te worden uitgewerkt door de raad van bestuur op basis van de eigenheid van de onderneming, de middelen voorzien in de jaarlijkse begroting en de functie van de eiseres (6de blad, zesde alinea, van het bestreden arrest).

Op de voornoemde gronden oordeelt het arbeidshof dat de eiseres ten onrechte uit artikel 11.2 van de statuten van de verweerster afleidt dat zij aanspraak kan maken op een identiek loon als een ambtenaar (bedoeld wordt: een (tijdelijk) personeelslid) van de Europese Gemeenschappen en beslist het arbeidshof dat artikel 11.2 van de statuten geen enkele loonverplichting inhield (6de blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest).

Aangezien uit artikel 11.2 van de statuten van de verweerster volgt dat de "Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen", inclusief de erin vervatte bepalingen met betrekking tot de bezoldiging, van toepassing is op de personeelsleden in dienst bij de verweerster, is die beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 2 van de Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, 11.2 van de als bijlage bij die verordening gevoegde Statuten van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, 10 en 249, tweede lid, van het EG-Verdrag (thans 288, tweede lid, en 291.1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), en 3 van de Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn).

Evenmin oordeelt het arbeidshof wettig dat de eiseres geen hogere rechtsnorm aanwijst op grond waarvan de verweerster verplicht is een hoger loon te betalen dan wat overeengekomen werd in de arbeidsovereenkomst: artikel 11.2 van de statuten van de verweerster is een dergelijke hogere norm (schending van de artikelen 2 van de Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, 11.2 van de als bijlage bij die verordening gevoegde Statuten van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, 10 en 249, tweede lid, van het EG-Verdrag (thans 288, tweede lid, en 291.1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het gemeenschapsrecht, 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en 3 van de Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn).

Door artikel 11.2 van de statuten van de verweerster, vastgesteld in de bijlage aan de Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo en dus een norm van de Europese Unie, voorheen Europese Gemeenschap, uit te leggen aan de hand van artikel 1161 van het Burgerlijk Wetboek, bepaling die van toepassing is op de uitlegging van overeenkomsten, miskent het arbeidshof die beide bepalingen alsook artikel 234 van het EG-Verdrag (thans 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het gemeenschapsrecht.

3. Krachtens artikel 267 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het verdrag en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Unie.

Door zelf artikel 11.2 van de statuten van de verweerster, vastgesteld in de bijlage aan de verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, uit te leggen, schendt het arbeidshof het voornoemde artikel 267.

Voor zover uw Hof van oordeel is dat niet duidelijk is hoe artikel 11.2 van de statuten van de verweerster, vastgesteld in de bijlage aan de verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, moet worden uitgelegd, verzoekt de eiseres uw Hof de uitspraak aan te houden en de hieronder vermelde vraag tot uitlegging, waarop het antwoord van belang is voor de oplossing van het tussen de partijen gerezen geschil, voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat uit artikel 11.2 van de statuten van de verweerster niet kan worden afgeleid dat de eiseres recht heeft op een volledig identiek loon als de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en dat geen strijdigheid bestaat tussen de arbeidsovereenkomst en de Europese regelgeving. Bijgevolg verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgegeven wettelijke bepalingen).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest - C-89/12 - van 25 april 2013 verklaard voor recht:

"Artikel 11, lid 2, van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming Gali-leo, opgenomen in de bijlage bij verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1943/2006 van de Raad van 12 december 2006, moet aldus worden uitgelegd dat de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, en in het bijzonder de daarin opgenomen loonvoorwaarden, niet geldt voor de personeelsleden van de gemeenschappelijke onderneming Galileo die in dienst worden genomen met een contract van bepaalde duur."

2. Het middel dat aanvoert dat de eiseres, die voor een bepaalde tijd in dienst werd genomen door de gemeenschappelijke onderneming Galileo, op grond van artikel 11, lid 2, van de statuten van voormelde gemeenschappelijke onderneming aanspraak kan maken op de regeling welke van toepassing is op de andere perso-neelsleden van de Europese Gemeenschappen en inzonderheid op een identiek loon, gaat in tegen de desbetreffende interpretatie van het Hof van Justitie en faalt derhalve naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 311,49 euro en voor de verweerster op 321,52 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Koenraad Moens, en op de open-bare rechtszitting van 4 november 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs De-coninck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens A. Lievens

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Gemeenschappelijke onderneming

  • Statuten

  • Uitlegging