- Arrest van 4 november 2013

04/11/2013 - S.12.0010.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Door de hoofdelijkheid zijn de rechtspersonen gehouden tot de betaling van dezelfde schuld als hun vennoten of mandatarissen; de verjaring wordt gestuit ten aanzien van alle personen die tot betaling van diezelfde schuld gehouden zijn.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0010.N

JODORE nv, met zetel te 8310 Brugge (Sint-Kruis), Moerkerksesteenweg 499,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

SOCIALE VERZEKERINGEN VOOR ZELFSTANDIGEN PARTENA vzw, met zetel te 1000 Brussel, Anspachlaan 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 9 november 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 1 en § 2, eerste lid en tweede lid, inzonderheid 2° (en waarvan het tertio in de versie van toepassing vóór en na de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2003), en 20, § 1, vierde lid, a), van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

- de artikelen 1200, 1202, 1206, en 2242 tot 2249, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt het het vonnis van de arbeidsrechtbank in al zijn onderdelen. Het arbeidshof neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"3.2. Ten gronde

3.2.1. M.C. oefende bij [de eiseres] een bezoldigd mandaat uit waardoor hij onderworpen was aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en waarvoor hij sociale bijdragen verschuldigd was.

M.C. heeft de bijdragen voor het eerste kwartaal 1991 tot en met het eerste kwartaal 1994 die hierop betrekking hebben niet (tijdig) betaald.

De vordering van de bijdragen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 verjaart overeenkomstig artikel 16, § 2, van dat besluit na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op het jaar waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn.

Uit de overgelegde stukken en overigens niet betwist door partijen blijkt dat de verjaring van de vordering van de voornoemde bijdragen overeenkomstig artikel 16, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 tegenover M.C. werd gestuit met aangetekende brieven aan M.C. op 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 (data van afgifte aan De Post).

Nadien werd de verjaring overeenkomstig artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek gestuit door de betekening van de dagvaarding op 14 december 2000 aan M.C. die strekte tot zijn veroordeling tot betaling van de voornoemde bijdragen, verhogingen, kosten en intresten.

M.C. werd bij vonnis bij verstek van 2 april 2001 van de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Veurne veroordeeld tot betaling aan [de verweerster] van 48.005,94 euro meer de gerechtelijke interesten en kosten.

Daar dit vonnis niet werd betekend binnen het jaar heeft [de verweerster] het nodige gedaan om opnieuw een vonnis tegen M.C. houdende veroordeling tot dezelfde bedragen als in het verstekvonnis van 2 april 2001 te bekomen hetgeen leidde tot het vonnis van 6 oktober 2003 van de arbeidsrechtbank te Veurne.

De stuiting van de verjaring van de vordering door de dagvaarding van 14 december 2000 strekte zich uit tot de datum van het verstekvonnis van 6 oktober 2003 zodat vanaf dan een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen.

Immers de stuiting van de verjaring duurt in principe voort tijdens het gehele geding, zijnde de dag van de uitspraak van het vonnis of arrest dat een einde maakt aan het geding [...].

Dit is eveneens het geval wanneer een verstekvonnis niet binnen het jaar werd betekend en een verzoek werd gedaan om een nieuw vonnis te bekomen [...].

Dit verstekvonnis werd aan M.C. betekend op 16 december 2003 en op 2 maart 2004 werd hem het bevel tot betalen betekend voor de sommen waartoe hij in het vonnis van 6 oktober 2003 werd veroordeeld; de betekening van dat bevel tot betalen is eveneens een daad van stuiting overeenkomstig artikel 2244 Burgerlijk Wetboek.

3.2.2. [De eiseres] werd met aangetekende brief van 27 juni 2003 in gebreke gesteld door [de verweerster] waarin zij erop wees dat [de eiseres] overeenkomstig artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 hoofdelijk gehouden is tot betaling van de door M.C. verschuldigde sociale bijdragen, verhogingen en kosten ten bedrage van 48.047,65 euro en haar heeft verzocht om tot betaling over te gaan.

Hierop volgde een briefwisseling waarbij [de eiseres] stelde dat de vordering voor de bijdragen van M.C. verjaard was waarna [de verweerster] is overgegaan tot dagvaarding van [de eiseres] op 16 juli 2008.

3.2.3. Ingevolge artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 is [de eiseres] als rechtspersoon hoofdelijk gehouden voor de betaling van de bijdragen verschuldigd door M.C. die haar mandataris was.

Door die hoofdelijkheid, die de inning wil waarborgen van de bijdragen in verband met de uitoefening van mandaten die aanleiding geven tot onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen zijn de rechtspersonen verplicht tot dezelfde schulden als hun vennoten of mandatarissen [...].

[De eiseres] meent echter dat zij door [de verweerster] niet meer kan worden aangesproken voor de betaling van deze bijdragen omdat de vordering is verjaard overeenkomstig artikel 16, § 2, van het besluit nr. 38 van 27 juli 1967 vermits er gedurende de verjaringstermijn van 5 jaar tegenover haar geen daden werden gesteld die deze verjaring hebben gestuit.

Meer in het bijzonder argumenteert zij dat de ingebrekestellingen gericht aan M.C. met aangetekende brieven van 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 wel de verjaring tegenover M.C. hebben gestuit doch niet tegenover haar en dat anderzijds de dagvaarding door [de verweerster] van 14 december 2000 van M.C. weliswaar een stuitingsdaad was die ook tegenover haar uitwerking kan hebben maar gesteld werd nadat de verjaring reeds was bereikt op 31 december 1999.

[De eiseres] steunt zich hiervoor ten onrechte op artikel 2249 Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de ingebrekestelling van een van de hoofdschuldenaars de verjaring stuit tegenover alle andere schuldenaars mits deze ingebrekestelling heeft plaats gehad overeenkomstig "de bovenstaande artikelen" waardoor de verwijzing door [de eiseres] naar het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 7 januari 2000 en het arrest van het arbeidshof te Luik van 25 april 2006 niet relevant is.

De aangetekende brief komt inderdaad niet voor als een daad van stuiting in de artikelen van het Burgerlijk Wetboek waarnaar artikel 2249 van dat wetboek verwijst

Meer in het bijzonder niet in artikel 2244 Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag een burgerlijke stuiting vormen.

Dit houdt echter niet in dat de verjaring tegenover [de eiseres] niet geldig werd gestuit door de aangetekende brieven van 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 waarmee [de verweerster] M.C.in gebreke heeft gesteld en die de verjaring tegenover hem hebben gestuit.

3.2.4. Het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 bevat in artikel 16, § 2, bepalingen waarbij de wijze waarop de verjaring van de invordering van de bijdragen wordt gestuit uitdrukkelijk is opgenomen.

Naast de daden van stuiting bepaald in de artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek zoals vermeld onder artikel 16, § 2, 1°, wordt de verjaring ook gestuit aldus artikel 16, § 2, 2°, "met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdrage opvordert".

Met andere woorden wordt in een bijzondere wet voorzien in een van het Burgerlijk Wetboek verschillende specifieke daad waarmee de verjaring van de vordering wordt gestuit.

Er dient inderdaad te worden vastgesteld dat in artikel 16, § 2, 2°, niet is vermeld dat de stuiting van de verjaring ook geldt ten opzichte van de vennootschap, of van de zelfstandige die een helper heeft en die volgens artikel 15, § 1, tweede lid, hoofdelijk gehouden is tot betaling van de bijdragen van respectievelijk mandataris, vennoot, helper.

Dit verhindert echter niet, samen met de vaststelling dat in artikel 16, § 2, 3°, wel is vermeld dat de aangetekende brief in voorkomend geval ook de verjaring stuit van de vordering van de bijdragen die verschuldigd zijn door de in artikel 7 bis bedoelde meewerkende echtgenote, dat de stuiting van de verjaring ook geldt tegenover [de eiseres] als rechtspersoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling van de bijdragen van M.C. die destijds één van haar bestuurders was.

De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de passieve hoofdelijk-heid in de artikelen 1200 tot en met 1216 zijn in tegenstelling tot wat [de eiseres] voorhoudt wel degelijk van toepassing op de door de wet ingevoerde hoofdelijkheid van de rechtspersoon zoals is voorzien door artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 met betrekking tot de sociale bijdragen verschuldigd door haar mandatarissen en/of vennoten.

Het is immers niet omdat deze artikelen zich situeren onder Boek III, titel III, van het Burgerlijk Wetboek dat de gevolgen van deze door de wet ingerichte passieve hoofdelijkheid in artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 niet zouden beheerst worden door de artikelen 1200 tot en met 1216 van dat wetboek.

[De eiseres] verliest hierbij uit het oog dat artikel 1202 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de hoofdelijkheid niet wordt vermoed maar hetzij dient te worden bedongen hetzij ontstaat uit de wet

Een door de wet ingevoerde hoofdelijkheid is niet uitzonderlijk; er kan hiervoor bij wijze van voorbeeld verwezen worden naar artikel 222 Burgerlijk Wetboek en naar artikel 30bis, § 3, RSZ-wet van 27 juni 1969 [...].

Voor de gevolgen van de hoofdelijkheid wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de conventionele en de wettelijke hoofdelijkheid.

Eén van de gevolgen van de passieve hoofdelijkheid is dat luidens artikel 1206 Burgerlijk Wetboek de vervolging tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit tegen allen.

Welnu het verzenden van een aangetekende brief overeenkomstig artikel 16, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 door [de verweerster] aan de zelfstandige die bijdragen van sociale zekerheid is verschuldigd dient wel degelijk te worden aanzien als een daad van vervolging.

De stuiting van de verjaring van de vordering inzake sociale bijdragen voor zelfstandigen met een aangetekende brief door het organisme dat belast is met de invoering van de door de zelfstandige verschuldigde bijdrage zoals is voorzien in 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 werd ingevoerd bij de wet van 3 december 1984, met ingang van 19 december 1984 van kracht.

Blijkens de memorie van toelichting en het verslag van de senaatscommissie was het hierbij de bedoeling om tegemoet te komen aan de opmerkingen van het Rekenhof dat alles in het werk zou gesteld worden "om de verjaring te verhinderen", "zoveel mogelijk te voorkomen"[...].

Hieruit dient te worden afgeleid dat de daden om de verjaring van de vordering van sociale bijdragen zelfstandigen te stuiten overeenkomstig artikel 2244 Burgerlijk Wetboek en meer in het bijzonder "een dagvaarding voor het gerecht" onvoldoende was.

Het versturen van de aangetekende brieven op 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 door [de verweerster] aan M.C. hebben dan ook de verjaring van de vordering van de bijdragen van M.C. voor de gevorderde periode tegenover [de eiseres] gestuit.

Dit houdt tegelijkertijd in dat de dagvaarding die aan M.C. op verzoek van [de verweerster] werd betekend op 14 december 2000 ook de verjaring van de vordering tegenover [de eiseres] heeft gestuit.

Immers deze dagvaarding heeft overeenkomstig artikel 2249 Burgerlijk Wetboek tijdig de verjaring gestuit tegenover [de eiseres] omdat ingevolge artikel 2244 Burgerlijk Wetboek een dagvaarding de verjaring stuit en zij werd betekend op een ogenblik dat de vordering van [de verweerster] tegenover [de eiseres] in acht genomen wat hiervoor werd uiteengezet niet was verjaard.

[De verweerster] is niet verplicht om zowel de mandataris van [de eiseres] die in die hoedanigheid onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen als [de eiseres] zelf te dagvaarden nu zij als schuldeiser om het even welke hoofdelijke schuldenaar mag vervolgen die de gehele schuld dient te betalen [...].

Zoals hiervoor werd uiteengezet is vanaf 7 oktober 2003 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar beginnen lopen en werd bovendien de verjaring van de vordering opnieuw gestuit zowel tegen M.C. als tegen [de eiseres] door de betekening van het bevel tot betaling op 2 maart 2004, waarna andermaal een verjaringstermijn van 5 jaar aanving.

[De eiseres] werd door [de verweerster] in gebreke gesteld met aangetekende brief van 27 juni 2003 waarin zij erop wees dat [de eiseres] hoofdelijk gehouden is tot betaling van de door M.C. verschuldigde sociale bijdragen, verhogingen en kosten ten bedrage van 48.04 7,65 euro en verzocht heeft om tot betaling over te gaan.

[De verweerster] is binnen de verjaringstermijn overgegaan tot dagvaarding van [de eiseres] zodat van verjaring van de vordering geen sprake is.

De eerste rechter heeft terecht, weliswaar deels op andere gronden, [de eiseres] veroordeeld tot betaling van 72.635,30 euro meer de gerechtelijke interesten op 47.656,06 vanaf 26 februari 2009 zodat het hoger beroep van [de eiseres] tegen dit onderdeel van het vonnis ongegrond is."

Grieven

1.1. Artikel 20, § 1, vierde lid, a), van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hieronder afgekort als koninklijk besluit nr. 38, bepaalt dat het tot de taak van de erkende socialeverzekeringskassen voor de zelfstandigen behoort, van hun aangeslotenen de bijdragen te innen, verschuldigd krachtens dat besluit en, in voorkomend geval, de gerechtelijke invordering ervan te vervolgen. Zij zijn krachtens artikel 16, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit, belast met de invordering van de bijdragen, zo nodig langs gerechtelijke weg.

Artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 bepaalt dat de invordering van de in dat besluit bedoelde bijdragen verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn.

Krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, van dat besluit, wordt de verjaring van de invordering van de bijdragen niet alleen gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, maar ook met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering, de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert, of nog met een aangetekende brief die door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen is verzonden ter uitvoering van de hem in artikel 21, § 2, 1°, toevertrouwde opdracht en waarin de betrokkene aangemaand wordt zich bij een socialeverzekeringskas aan te sluiten. Sinds 1 januari 2003 geldt in dat laatste geval dat de aangetekende brief in voorkomend geval eveneens de verjaring stuit van de vordering van de bijdragen die verschuldigd zijn door de in artikel 7bis bedoelde echtgenoot.

1.2. Artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars bestaat wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en dat de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Krachtens artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek lijdt de regel dat hoofdelijkheid niet wordt vermoed (en uitdrukkelijk bedongen moet zijn) alleen uitzondering in de gevallen waarin hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de wet.

Artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 bepaalt dat de zelfstandige, samen met de helper, hoofdelijk gehouden is tot de betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen, en dat hetzelfde geldt voor de rechtspersonen voor de bijdragen verschuldigd door hun vennoten of mandatarissen. De rechtspersoon is dus, samen met zijn vennoten of mandatarissen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de bijdragen die laatstgenoemden verschuldigd zijn.

1.3. De tekst van artikel 16, § 2, tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38 maakt bij de daarin bepaalde stuiting van de verjaring geen enkel onderscheid naargelang de bijdragen gevorderd worden van de vennoten, dan wel van de mandatarissen van de rechtspersonen of van die rechtspersonen, die samen met hun vennoten of mandatarissen hoofdelijk tot de betaling gehouden zijn. Hoewel, bij ontstentenis van enig onderscheid, de voornoemde bepalingen betrekking hebben op de verjaring van de invordering van de bijdragen ten laste van gelijk welke persoon die de bijdragen verschuldigd is, geldt de verrichte stuitingsdaad enkel ten aanzien van diegene tegenover wie zij is gesteld. Dat volgt uit het beginsel van de relativiteit van de burgerlijke stuiting van de verjaring, en kan evenzeer worden afgeleid uit artikel 16, § 2, tweede lid, 3°, in fine, van het koninklijk besluit nr. 38, luidens welk de aangetekende brief in voorkomend geval eveneens de verjaring stuit van de vordering van de bijdragen die verschuldigd zijn door de in artikel 7bis bedoelde meewerkende echtgenoot.

1.4. Artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuiten ten aanzien van allen.

De verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert, kan niet beschouwd worden als een "vervolging" (van een van de hoofdelijke schuldenaars) in de zin van artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek, zodat die verzending de verjaring van de rechtsvordering niet stuit ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars. Artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek moet immers worden samengelezen met artikel 2249 van datzelfde wetboek.

Krachtens artikel 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, stuit "de ingebrekestelling van een van de hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen", of de erkenning van de schuld door hem gedaan, de verjaring tegen alle anderen, zelfs tegen hun erfgenamen. Een "ingebrekestelling overeenkomstig de bovenstaande artikelen" betreft een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, zo volgt uit de artikelen 2242 tot 2248 van het Burgerlijk Wetboek.

De verzending van een aangetekende brief aan een zelfstandige waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert, is geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

1.4. Uit de samenlezing van de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 2, eerste en tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 38, 1200, 1202, 1206 en 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, volgt derhalve dat de verjaring die van toepassing is op de invordering ten laste van de rechtspersonen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de door hun vennoten of mandatarissen verschuldigde bijdragen, niet gestuit wordt door een aangetekende brief die door de socialeverzekeringskas naar de zelfstandige verstuurd wordt en waarin die kas de verschuldigde bijdragen vordert.

2. Het arbeidshof stelt vast dat:

- M.C. bij de eiseres een bezoldigd mandaat uitoefende waardoor hij onderworpen was aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en de bijdragen voor het eerste kwartaal 1991 tot en met het eerste kwartaal 1994 niet (tijdig) heeft betaald,

- de verjaring van de vordering met betrekking tot die bijdragen met toepassing van artikel 16, § 2, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 werd gestuit met aangetekende brieven verzonden aan M.C. op 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998,

- de verjaring nadien werd gestuit door dagvaarding van M.C. op 14 december 2000, ertoe strekkende hem te horen veroordelen tot betaling van de achterstallige sociale bijdragen,

- M.C. bij verstekvonnis van 2 april 2001 van de arbeidsrechtbank te Veurne werd veroordeeld tot betaling van 48.005,94 euro, meer de interest en kosten,

- dat verstekvonnis niet werd betekend en door de arbeidsrechtbank te Veurne eenzelfde veroordeling werd uitgesproken bij vonnis van 6 oktober 2003,

- op 6 oktober 2003 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is beginnen lopen,

- het verstekvonnis van 6 oktober 2003 aan M.C. werd betekend op 16 december 2003 en hem op 2 maart 2004 een bevel tot betaling werd betekend, wat eveneens een daad van stuiting is.

Vervolgens overweegt het arbeidshof dat de eiseres met toepassing van artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 als rechtspersoon hoofdelijk gehouden is voor de betaling van de bijdragen verschuldigd door M. C. , en verklaart het de vordering van de verweerster ten aanzien van de eiseres niet verjaard op de gronden dat:

- de eiseres zich ten onrechte steunt op artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek,

- de aangetekende brief inderdaad niet voorkomt als een daad van stuiting als bedoeld in artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek,

- dat echter niet inhoudt dat de verjaring jegens de eiseres niet geldig werd gestuit door de aangetekende brieven van 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 waarmee M.C. in gebreke werd gesteld en die de verjaring tegenover hem hebben gestuit,

- in een bijzondere wet, m.n. artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, is voorzien in verschillende specifieke daden waarmee de verjaring van de vordering is gestuit,

- hoewel in artikel 16, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 niet is vermeld dat de stuiting van de verjaring ook geldt ten opzichte van de vennootschap, of van de zelfstandige die een helper heeft en hoofdelijk gehouden is tot betaling van de sociale bijdragen, en terwijl in artikel 16, § 2, 3°, wel is vermeld dat de aangetekende brief in het aldaar bedoelde geval ook de verjaring stuit van de vordering tegen de meewerkende echtgenote, dat niet verhindert dat de stutting van de verjaring ook geldt tegenover de eiseres als rechtspersoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling van de sociale bijdragen van M.C. ,

- de bepalingen van de artikelen 1200 tot 1216 van het Burgerlijk Wetboek wel degelijk van toepassing zijn op de in artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde hoofdelijkheid,

- één van de gevolgen van de passieve hoofdelijkheid is dat luidens artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek de vervolging tegen één van de hoofdelijke schuldeisers de verjaring stuit tegen allen,

- het verzenden van een aangetekende brief overeenkomstig artikel 16, § 2, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 aan de zelfstandige die sociale bijdragen verschuldigd is, moet beschouwd worden als een daad van vervolging,

- het versturen van de aangetekende brieven op 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 aan M.C. ook de verjaring van de vordering lastens de eiseres hebben gestuit, net als de op 14 december 2000 betekende dagvaarding,

- een nieuwe verjaringstermijn is beginnen lopen op 7 oktober 2003 en de verjaring opnieuw werd gestuit op 2 maart 2004,

- de eiseres met een aangetekende brief van 27 juni 2003 in gebreke werd gesteld als hoofdelijk gehoudene tot betaling van de bijdragen verschuldigd door M.C., en binnen de verjaringstermijn werd overgegaan tot dagvaarding.

Door te oordelen dat de bepalingen van de artikelen 1200 tot 1216, waaronder dus artikel 1206, van het Burgerlijk Wetboek wel degelijk van toepassing zijn op de door de wet ingevoerde hoofdelijkheid van de rechtspersoon waarin is voorzien door artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, schendt het arbeidshof die genoemde bepalingen, alsook de artikelen 16, § 2, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 en 2242 tot 2249 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek moet immers worden samengelezen met artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek en geldt enkel voor de in die laatstgenoemde bepaling bedoelde ingebrekestellingen, waartoe een aangetekende brief ais bedoeld in artikel 16, § 2, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 niet behoort.

Door te oordelen dat het verzenden van een aangetekende brief overeenkomstig artikel 16, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 door de verweerster aan de zelfstandige die bijdragen van sociale zekerheid verschuldigd is, wel degelijk moet worden beschouwd als een daad van vervolging als bedoeld in artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek, schendt het arbeidshof die beide wettelijke bepalingen.

Uit wat voorafgaat volgt dat het arbeidshof niet wettig oordeelt dat de op 3 juni 1993, 8 november 1994 en 22 december 1998 per aangetekend aan M.C. verstuurde brieven de verjaring van de vordering van de bijdragen eveneens ten aanzien van de eiseres hebben gestuit (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen).

Conclusie

Aldus oordeelt het arbeidshof niet wettig dat de vordering van de verweerster niet verjaard is en verklaart derhalve het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 15, § 1, derde lid, 16, § 1 en § 2, eerste lid en tweede lid, en 20, § 1, vierde lid, a), van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, 1200, 1202, 1206, en 2242 tot 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 15, § 1, derde lid, Sociaal Statuut Zelfstandigen bepaalt dat de rechtspersonen, samen met hun vennoten of mandatarissen, hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van de bijdragen die laatstgenoemden verschuldigd zijn.

Krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, Sociaal Statuut Zelfstandigen, wordt de ver-jaring van de invordering van de bijdragen niet alleen gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende Burgerlijk Wetboek, maar ook door een aange-tekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert.

2. Door de hoofdelijkheid zijn de rechtspersonen gehouden tot de betaling van dezelfde schuld als hun vennoten of mandatarissen.

De verjaring wordt gestuit ten aanzien van alle personen die tot betaling van die-zelfde schuld gehouden zijn.

3. Het middel dat volledig ervan uitgaat dat de in artikel 16, § 2, tweede lid, 2°, Sociaal Statuut Zelfstandigen bedoelde stuitingsdaad ten aanzien van de zelfstandige zelf enkel geldt tegenover deze laatste en niet ten aanzien van de vennootschap waarvan de zelfstandige bestuurder is, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Verwijst de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 200,99 euro en voor de verweerster op 355,33 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 4 november 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deco-ninck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens A. Lievens

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Sociale zekerheid

  • Zelfstandigen

  • Bijdragen

  • Vennoten

  • Mandatarissen

  • Rechtspersonen

  • Hoofdelijkheid

  • Invordering

  • Ingebrekestelling

  • Aangetekende brief