- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.12.1784.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De dagvaarding houdende vaststelling van een strafzaak voor de appelrechters ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie houdt in dat de beklaagde is uitgenodigd zich te verweren over alle aspecten van de zaak die in hoger beroep aan bod kunnen komen; er bestaat dan ook voor de appelrechters geen verplichting om aan een beklaagde die enkel verweer voert omtrent de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en die wat betreft het verweer ten gronde vraagt voorbehoud te verlenen, hem dit voorbehoud toe te kennen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1784.N

R A C,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Henry Van Burm, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Gent van 18 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het door de politierechter verleende onbepaald uitstel ten onrechte ontvankelijk; het verlenen van een onbepaald uitstel is slechts een maatregel van inwendige aard in de zin van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, die het openbaar ministerie geen enkel nadeel toebrengt; bovendien heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg zich niet verzet tegen het onbepaald uitstel; het bestreden vonnis preciseert niet dat de vertraging de uitvoering van de strafvordering in gevaar brengt en evenmin waarin dit gevaar bestaat, zodat de beslissing door de enkele vermelding dat door een vertraging een onmiddellijk nadeel kan worden berokkend aan een van de par-tijen, niet naar recht is verantwoord.

2. Artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling niet vatbaar zijn voor verzet of hoger beroep.

Deze in strafzaken toepasselijke bepaling beoogt uitsluitend beslissingen van lou-ter administratieve aard die betrekking hebben op de werking van het rechtscolle-ge, de samenstelling van de zetel of het verloop van de rechtszitting, maar geen beslissingen die de belangen van partijen kunnen schaden of die een beoordeling inhouden van een feitenkwestie of de oplossing van een rechtsvraag. Tegen die tweede categorie van beslissingen staat overeenkomstig artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek hoger beroep open zodra de beslissing is gewezen.

3. De afwezigheid van verzet door de magistraat van het openbaar ministerie voor de eerste rechter tegen een voorgenomen beslissing om de behandeling van een strafzaak onbepaald uit te stellen, belet het openbaar ministerie niet tegen die beslissing hoger beroep aan te tekenen, zo die beslissing de uitoefening van de strafvordering in het gedrang kan brengen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. De omstandigheid dat een onbepaald uitstel de uitoefening van de strafvor-dering in het gedrang kan brengen, heeft tot gevolg dat de beslissing van onbe-paald uitstel geen maatregel van inwendige aard is in de zin van artikel 1046 Ge-rechtelijk Wetboek. Daartoe is niet vereist dat de uitoefening van de strafvorde-ring door de betwiste beslissing daadwerkelijk wordt geschaad.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het bestreden vonnis oordeelt dat de beslissing om de zaak voor een onbe-paalde termijn uit te stellen:

- de goede rechtsbedeling in het gedrang brengt;

- een onverantwoorde vertraging met zich mee brengt in de uitoefening van de strafvordering waardoor een onmiddellijk nadeel kan worden berokkend aan de rechten van partijen;

- de normale rechtsgang wordt gestremd.

Met die redenen verantwoordt het bestreden vonnis naar recht de beslissing om het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: door het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren en te beslissen over de strafvordering, ontneemt het bestreden vonnis aan de eiser één aanleg en zijn door artikel 14.5 IVBPR en artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM gewaarborgde recht op hoger beroep; daardoor be-schikken het openbaar ministerie en de eiser als beklaagde niet langer over gelijke wapens; dit alles houdt een grove miskenning in van eisers recht van verdediging; door aan de eiser te weigeren voorbehoud te verlenen om zich met betrekking tot de grond van de zaak te verdedigen, miskent het bestreden vonnis evenzeer eisers recht van verdediging.

7. Het ontvankelijk verklaren van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een beslissing waarbij de behandeling van een strafzaak onbepaald wordt uitgesteld, heeft niet tot gevolg dat de beklaagde en het openbaar ministerie niet langer over gelijke wapens zouden beschikken.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

8. Artikel 14.5 IVBPR bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht heeft zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoorde-len door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.

Artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft om zijn schuldig-verklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen een vrijspraak.

9. Uit de enkele omstandigheid dat een vonnis de beslissing van de eerste rech-ter vernietigt, de zaak tot zich trekt en erover zelf uitspraak doet bij wege van een nieuwe beslissing, kan geen schending van de voormelde bepalingen noch een miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

10. De dagvaarding houdende vaststelling van een strafzaak voor de appelrech-ters ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie houdt in dat de be-klaagde is uitgenodigd zich te verweren over alle aspecten van de zaak die in ho-ger beroep aan bod kunnen komen.

Er bestaat dan ook voor de appelrechters geen verplichting om aan een beklaagde die enkel verweer voert omtrent de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en die wat betreft het verweer ten gronde vraagt voorbehoud te verlenen, hem dit voorbehoud toe te kennen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Het bestreden vonnis stelt vast dat er geen redenen zijn om het door de eiser gevraagde voorbehoud te verlenen om ten gronde te concluderen daar de eiser de kans werd gegeven ter rechtszitting om zich in ondergeschikte orde ten gronde te verdedigen. Aldus miskent het bestreden vonnis eisers recht van verdediging niet en is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt weliswaar eisers verweer met betrekking tot de miskenning van zijn recht van verdediging in eerste aanleg, maar niet omtrent de miskenning van zijn recht van verdediging in hoger beroep als gevolg van het ontvankelijk verklaren van het hoger beroep van het openbaar ministerie.

13. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.

De eiser heeft het in het middel bedoelde argument enkel aangevoerd ter staving van zijn verweer omtrent de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van het openbaar ministerie. De appelrechters dienden dit argument dan ook niet afzon-derlijk te beantwoorden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 74,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Hoger beroep van het openbaar ministerie