- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.13.0116.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof van Cassatie de vraag rijst of artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre het bepaalt dat een persoon die bij verstek is veroordeeld en geen kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, slechts in verzet kan komen tegen dit vonnis totdat de termijn van verjaring van de straf is verstreken, terwijl zolang de verjaring van de straf niet is tussengekomen, de persoon die kennis gekregen heeft van de betekening van het vonnis, in verzet kan komen binnen de vijftien dagen na die kennisneming, en het vonnis bij verstek voor de beide categorieën van personen een strafrechtelijk voorgaande creëert dat onder meer aanleiding kan geven tot een vermelding op het strafregister, de mogelijkheid tot vaststelling van de herhaling met bijkomende strafverzwaring en de onmogelijkheid om nog een straf opgelegd te krijgen waarbij de gunst van de opschorting verleend wordt of de straf met uitstel opgelegd wordt, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0116.N

V M J P,

beklaagde,

eiseres,

met als raadslieden mr. Bart Vaesen, advocaat bij de balie te Hasselt en mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer van 13 december 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De drie middelen samen

1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof; het tweede middel voert schending aan van artikel 13 Grondwet; het derde middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 12 en 22 Grondwet: het arrest oordeelt dat er geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof daar de groep van personen die binnen de vijftien dagen na kennisname van de betekening van het verstekvonnis verzet aantekenen na de verjaring van de straf en de groep van per-sonen die binnen de vijftien dagen na kennisname van de betekening van het ver-stekvonnis verzet aantekenen voor de verjaring van de straf, niet onderling verge-lijkbaar zijn; deze twee groepen van personen verkeren integendeel wel in verge-lijkbare rechtstoestanden.

1. Artikel 187, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hij die bij verstek is veroordeeld, tegen het vonnis in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

Artikel 187, tweede lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat indien de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon is gedaan, deze, wat de veroorde-lingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van 15 dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn.

2. Hieruit blijkt dat wanneer de straf is verjaard, voor de beklaagde geen verzet tegen het veroordelend vonnis meer openstaat, terwijl wanneer de straf niet ver-jaard is, verzet mogelijk is zolang de veroordeelde beklaagde geen kennis heeft van de betekening van dat vonnis.

3. Het vonnis bij verstek creëert voor de beide categorieën van personen evenwel een strafrechtelijk voorgaande dat onder meer aanleiding kan geven tot een vermelding op het strafregister, de mogelijkheid tot vaststelling van de herha-ling met bijkomende strafverzwaring en de onmogelijkheid om nog een straf op-gelegd te krijgen waarbij de gunst van de opschorting verleend wordt of de straf met uitstel opgelegd wordt. Wat die aspecten betreft, bevinden de beide catego-rieën personen zich bijgevolg in een vergelijkbare rechtstoestand.

4. De vraag rijst of dit onderscheid in behandeling wel bestaanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het Hof stelt hierover ambtshalve de hierna omschreven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof geantwoord heeft op de volgende prejudiciële vraag:

"Schendt artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het bepaalt dat een persoon die bij verstek is veroordeeld en geen kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, slechts in verzet kan komen tegen dit vonnis totdat de termijn van verjaring van de straf is verstreken, terwijl zolang de verjaring van de straf niet is tussengekomen, de persoon die kennis gekregen heeft van de betekening van het vonnis, in verzet kan komen binnen de vijftien dagen na die kennisneming, en het vonnis bij verstek voor de beide categorieën van personen een strafrechtelijk voorgaande creëert dat onder meer aanleiding kan geven tot een vermelding op het strafregister, de mogelijkheid tot vaststelling van de herhaling met bijkomende strafverzwaring en de onmogelijkheid om nog een straf opgelegd te krijgen waarbij de gunst van de opschorting verleend wordt of de straf met uitstel opgelegd wordt?"

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Buitengewone termijn van verzet

  • Al dan niet verjaring van de straf

  • Belang van de verzetdoende veroordeelde

  • Onderscheid in behandeling