- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.13.0739.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 187, zesde lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat ten gevolge van het verzet de veroordeling voor niet bestaande wordt gehouden, volgt niet dat het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een verstekvonnis in zoverre dit een beklaagde vrijspreekt voor een telastelegging, zonder voorwerp wordt door het ontvankelijk verklaren van het verzet van die beklaagde tegen hetzelfde vonnis waarbij de beklaagde werd veroordeeld voor een andere telastelegging (1). (1) Zie: Cass. 11 dec. 2002, AR P.02.818 F, AC 2002, nr. 665; Cass. 16 maart 2010, AR P.09.1837 N, AC 2010, nr. 187.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0739.N

I

1. E C,

beklaagde,

eiser,

2. C C,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Rik Geukens, advocaat bij de balie te Tongeren,

II

L A H D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie te Tongeren,

tegen

1. HET CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN VOOR RACISMEBESTRIJDING, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138,

2. S R,

burgerlijke partijen,

verweerders.

III

M S,

beklaagde, gedetineerd om andere redenen,

eiser,

met als raadsman mr. Bert Partoens, advocaat bij de balie te Tongeren, met kan-toor te 3740 Bilzen, Bergstraat 9, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 31 januari 2013.

Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 14 maart 2013.

De eiser I.1 voert geen middel aan.

De eiser I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II

1. Het arrest verklaart het incidenteel beroep van S R onontvankelijk.

In zoverre gericht tegen die beslissing is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel van de eiser I.2

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 373 Strafwetboek: het arrest maakt in zijn motivering geen onderscheid tussen ener-zijds de aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en anderzijds de verkrachting, en motiveert de begrippen "met geweld en bedreiging" niet wat be-treft S V.

3. De feitenrechter oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar of de constitutieve bestanddelen van een misdrijf bewezen zijn.

Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, dient de rechter niet onder-scheidenlijk te motiveren waarom hij twee telastleggingen bewezen verklaart al-hoewel hun constitutieve bestanddelen verschillen, noch dient hij het bestaan van die bestanddelen afzonderlijk te motiveren.

4. Het arrest (p. 49) oordeelt: "door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof is de schuld van [de eiser I.2] aan de hem sub III.C, IV.C en V.C ten laste gelegde feiten bewezen gebleven, respectievelijk geworden." Het vermeldt tevens (p. 49 en 50) de feitelijke gegevens waarop het dat oordeel laat steunen. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser II

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 433septies, § 6 (lees: 6°), Strafwetboek: het arrest motiveert niet waaruit de ver-zwarende omstandigheid van de telastlegging van mensenhandel dat van de be-trokken activiteit een gewoonte werd gemaakt, blijkt.

6. De eiser II werd schuldig verklaard aan de telastlegging I, te weten een in-breuk op artikel 433quinquies, § 1, Strafwetboek met de verzwarende omstandig-heden, bepaald in artikel 433septies, 2°, 3° en 6°, in zoverre gepleegd ten aanzien van S V en S R.

7. De uitgesproken straf is naar recht verantwoord door het bewezen verklaren van de verzwarende omstandigheden, bepaald in artikel 433septies, 2° en 3° voormeld.

Het middel dat alleen gericht is tegen de verzwarende omstandigheid van artikel 433septies, 6°, Strafwetboek, kan niet tot cassatie leiden.

Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser II

8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 373 Strafwetboek: het arrest maakt in zijn motivering geen onderscheid tussen ener-zijds de aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en anderzijds de verkrachting, noch met betrekking tot S V, noch met betrekking tot S R, terwijl de constitutieve bestanddelen van beide telastleggingen verschillen en het motiveert de begrippen "met geweld en bedreiging" niet wat betreft S R.

9. De eiser wordt vervolgd voor de telastlegging III.A en IV.A, respectievelijk wegens aanranding van de eerbaarheid met geweld op de persoon van S V en S R en verkrachting van dezelfden.

10. Het arrest (p. 41) oordeelt: "door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het hof [van beroep]; is de schuld van [de eiser II] aan de hem ten laste gelegde feiten sub: III.A.1, III.A.2, IV.A.1 en IV.A.2, bewezen gebleven, respectievelijk geworden." Het vermeldt verder (p. 41 tot 43) de concre-te gegevens op grond waarvan het oordeelt dat de eiser met geweld of bedreiging heeft gehandeld.

11. Met die redenen motiveert het arrest regelmatig eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen III.A.1, III.A.2, IV.A.1 en IV.A.2, zonder dat het, bij ont-stentenis van daartoe strekkende conclusie, het bestaan van elk constitutief be-standdeel van de verschillende telastleggingen afzonderlijk moet motiveren. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser III

12. Het middel voert schending aan van artikel 187, zesde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt onwettig aan over een geldige saisine of rechts-macht te beschikken om te oordelen over de aan de eiser III te laste gelegde feiten I en VI.C.

13. Krachtens artikel 187, zesde lid, eerste zin, Wetboek van Strafvordering wordt ten gevolge van het ontvankelijk verzet de veroordeling voor niet-bestaande gehouden.

14. Uit deze bepaling volgt niet dat het hoger beroep van het openbaar ministe-rie tegen een verstekvonnis in zoverre dit een beklaagde vrijspreekt voor een te-lastlegging, zonder voorwerp wordt door het ontvankelijk verklaren van het verzet van die beklaagde tegen hetzelfde vonnis waarbij de beklaagde werd veroordeeld voor een andere telastlegging.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:

- de eiser bij verstekvonnis van 8 september 2011 voor de telastleggingen I en VI.C werd vrijgesproken en tot straf werd veroordeeld wegens de telastleggin-gen II en V.A;

- het openbaar ministerie op 19 september 2011 tegen dat vonnis hoger beroep heeft aangetekend;

- de eiser op 14 december 2011 tegen hetzelfde vonnis verzet heeft gedaan;

- het vonnis van 9 februari 2012 het verzet van de eiser ontvankelijk verklaart en de eiser tot straf veroordeelt wegens de telastleggingen II en V.A;

- de eiser tegen dat vonnis geen hoger beroep heeft ingesteld;

- op het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis van 8 sep-tember 2011, het verstekarrest van 31 januari 2013 de eiser schuldig verklaart aan de telastleggingen I (beperkt tot S V) en VI.C;

- hetzelfde arrest het hoger beroep van het openbaar ministerie zonder voorwerp verklaart in zoverre het gericht is tegen de veroordeling wegens de telastleg-gingen II en V.A;

- de eiser III op 5 februari 2013 tegen dat arrest verzet heeft gedaan;

- het bestreden arrest eisers verzet ontvangt behoudens in zoverre het gericht is tegen de beschikkingen van het verstekarrest dat vaststelt dat het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het verstekvonnis van 8 september 2011 zonder voorwerp is geworden met betrekking tot de telastleggingen II en V.A.

16. Hieruit volgt dat het hoger beroep waarover het bestreden arrest uitspraak doet, gericht is tegen eisers vrijspraak voor de telastleggingen I en VI.C bij het verstekvonnis van 8 september 2011, dat niet het voorwerp uitmaakt van eisers verzet tegen dat vonnis. Het bestreden arrest dat oordeelt dat het hoger beroep van het openbaar ministerie voor deze telastleggingen niet zonder voorwerp geworden is en dat het hof van beroep daarover uitspraak diende te doen, is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser III

17. Het middel voert schending aan van het ‘rechtsbeginsel van niet-verzwaring': alhoewel het openbaar ministerie enkel hoger beroep aantekende te-gen het initiële verstekvonnis en niet tegen het verzetvonnis, veroordeelt het arrest de eiser tot een gevangenisstraf van 40 maanden en een geldboete van 5.500 euro, zodat de straf, opgelegd met het verstekvonnis, werd verzwaard.

18. Het verzetvonnis van 9 februari 2012 verklaart de eiser enkel schuldig aan de telastleggingen II en V.A en legt hem, zoals het verstekvonnis van 8 september 2011 dat had gedaan, hiervoor een straf op, maar doet geen recht over de telast-leggingen I en VI.C, waarvoor de eiser met het verstekvonnis werd vrijgesproken.

19. Met de veroordeling van de eiser zoals vermeld in het middel wordt de straf opgelegd met het verstekvonnis van 8 september 2011 en het verzetvonnis van 9 februari 2012 niet verzwaard maar wordt een straf opgelegd voor andere telastleg-gingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 487,77 euro waarvan de eisers I en de eiser II elke 147,74 euro verschuldigd zijn en de eiser III 129,29 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Strafvordering

  • Verstekvonnis

  • Hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak voor een telastelegging

  • Verzet van de beklaagde tegen de veroordeling voor andere telasteleggingen

  • Ontvankelijk verklaard verzet van de beklaagde