- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.13.0834.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die kennis neemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een conflict van jurisdictie ontstaat die de rechtsgang belemmert en slechts door de regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd; de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van een beslissing genomen met toepassing van artikel 28sexies, Wetboek van Strafvordering, is dergelijke beslissing niet (1). (1) Cass. 23 juli 1991, AR 5757, AC 1990-91, nr. 567; Cass. 4 feb. 1998, AR P.98.0017.F, AC 1998, nr. 65; Cass. 18 sept. 2002, AR P.02.0874.F, AC 2002, nr. 459; Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0748, AC 2006, nr. 298.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0834.N

I-II

VALDEFOREST sa, met zetel te 11370 Los Barrios (Cadiz-Spanje), Lugar Puer-to Valdespera (CR Jeres los Bo-KM 86),

verzoekster tot opheffing van een opsporingshandeling,

eiseres,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, advocaten bij de balie te Brussel, tevens met als raadsman mr. Chris Declerck, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 387, waar de eise-res woonplaats kiest,

tegen

J D C,

vrijwillig tussengekomen partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het tussenarrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 april 2013.

Het cassatieberoep II is gericht tegen het eindarrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 april 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. In het kader van een opsporingsonderzoek met betrekking tot een persoon met voorrang van rechtsmacht, heeft de eiseres bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 28sexies Wetboek van Strafvordering, de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel verzocht het beslag op een onroerend goed op te heffen. Bij afwezigheid van beslissing van de procureur-generaal, heeft de eiseres de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aangebracht overeenkomstig artikel 28sexies, § 5, van dat wetboek. Bij voormeld tussenarrest laat die kamer de verweerder in het geding toe. Bij voormeld eindarrest verklaart die kamer eiseres' verzoek niet ontvankelijk en verweerders tussenkomst zonder voorwerp.

2. In haar memorie voert de eiseres aan dat het cassatieberoep II ontvankelijk is omdat:

- het arrest een in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissing is die het inge-stelde beroep tegen een niet-tijdige beslissing van de procureur-generaal onte-recht niet-ontvankelijk verklaart en er tegen een dergelijk arrest cassatieberoep openstaat;

- het arrest dat oordeelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen bevoegd-heid heeft om in te grijpen in de procedurehandelingen die de procureur-generaal stelt krachtens artikel 479 en volgende Wetboek van Strafvordering, een arrest inzake bevoegdheid is, waartegen op grond van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, cassatieberoep openstaat;

- de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep zou impliceren dat de eiseres op geen enkele wijze een beroep zou kunnen doen op enige daadwerkelijke rechtshulp voor een onafhankelijke en onpartijdige nationale instantie, wat een schending zou inhouden van de artikelen 1 en 5 van het Eerste Aanvullend Pro-tocol bij het EVRM en van artikel 13 EVRM.

3. Er bestaat slechts een geschil inzake bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, wanneer de rechter die ken-nis neemt van de strafvordering zich de bevoegdheid van een andere rechter toe-eigent of zich onbevoegd verklaart, zodat daaruit een conflict van jurisdictie ont-staat die de rechtsgang belemmert en slechts door de regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd.

De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die zich onbevoegd ver-klaart om kennis te nemen van een beslissing genomen met toepassing van artikel 28sexies Wetboek van Strafvordering, is geen dergelijke beslissing.

4. Een arrest dat uitspraak doet met toepassing van artikel 28sexies Wetboek van Strafvordering is geen eindbeslissing als bedoeld in artikel 416, eerste lid, van dat wetboek en doet geen uitspraak in een van de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

5. Artikel 13 EVRM vereist niet dat tegen een beslissing over een onderzoeks-handeling steeds een onmiddellijk rechtsmiddel moet kunnen worden aangewend. Het feit dat geen onmiddellijk cassatieberoep openstaat tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling, belet niet dat de eiseres in een later stadium van de strafprocedure wel toegang kan hebben tot de rechter teneinde met betrek-king tot het betwiste beslag daadwerkelijke rechtshulp te krijgen. De onmogelijk-heid onmiddellijk cassatieberoep in te stellen levert bijgevolg geen schending op van de artikelen 1 en 5 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en van artikel 13 EVRM.

6. Het cassatieberoep II is voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

7. De niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep II om de voormelde reden, heeft tot gevolg dat het cassatieberoep I eveneens voorbarig, mitsdien niet ont-vankelijk is.

Middel

8. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de cassa-tieberoepen, behoeft geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van de cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 122,71 euro waarvan op het cassatieberoep I 61,35 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 61,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Verzoek tot opheffing van een opsporingshandeling

  • Beslissing tot onbevoegdverklaring