- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.13.1087.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 19ter Wet Bescherming Maatschappij volgt dat beslissingen tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting en tot gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om penitentiaire verloven, die slechts uitvoeringsmodaliteiten van de internering uitmaken, niet vatbaar zijn voor cassatieberoep (1). (1) Zie: Cass. 20 dec. 2011, AR P.11.1912.N, AC 2011, nr. 698; Cass. 5 nov. 2013, AR P.13.1090.N, www.cassonline.be.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1087.N

M D,

geïnterneerde,

eiser,

met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de hoge commissie tot be-scherming van de maatschappij van 23 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens artikel 19ter Wet Bescherming Maatschappij kan de advocaat van de geïnterneerde cassatieberoep instellen tegen een beslissing van de hoge com-missie tot bescherming van de maatschappij die de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot invrijheidstelling van de geïnterneerde bevestigt of die het verzet van de procureur des Konings tegen de beslissing tot invrijheidstelling van de geïnter-neerde gegrond verklaart.

2. Uit die bepaling volgt dat beslissingen tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting en tot gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om peniten-tiaire verloven, die slechts uitvoeringsmodaliteiten van de internering uitmaken, niet vatbaar zijn voor cassatieberoep.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: de bestreden be-slissing geeft niet aan op grond waarvan zij, niettegenstaande een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de rechtmatigheid van eisers opsluiting conform artikel 5 EVRM, besluit dat zij die beoordeling naast zich mag leggen en eisers vrijstelling weigert; zij motiveert evenmin waarom eisers vrijstel-ling enig gevaar zou opleveren voor de samenleving; aldus beantwoordt zij eisers verweer niet en verantwoordt zij haar beslissing niet naar recht.

2. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in een van de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...) e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding (...) van geesteszieken (...)".

Artikel 5.4 EVRM bepaalt: "Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is."

3. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat:

- de "rechtmatigheid" niet alleen de gevangenhouding zelf, maar ook haar ver-dere tenuitvoerlegging betreft;

- de gevangenhouding in overeenstemming moet zijn, niet alleen met het interne recht, maar ook met de limitatief bepaalde gronden van artikel 5.1 EVRM teneinde elke vorm van willekeur te voorkomen en er een band tussen die gronden en de plaats en wijze waarop de gevangenhouding geschiedt, moet be-staan;

- de gevangenhouding op grond van artikel 5.1.e EVRM zowel de bescherming van de geesteszieke zelf als van de samenleving beoogt en enkel rechtmatig kan zijn wanneer zij in een kliniek, hospitaal of andere daartoe geschikte instelling wordt uitgevoerd.

4. Zoals de internering zelf van een geesteszieke noodzakelijk en evenredig moet zijn, zo ook moet de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van de in-terneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd: een onaangepaste verzor-ging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM opleve-ren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verant-woorden indien de samenleving daardoor in gevaar komt.

5. De bestreden beslissing oordeelt dat de voorwaarden om de eiser voorgoed of op proef in vrijheid te stellen, niet vervuld zijn omdat zijn geestestoestand on-voldoende verbeterd is en de voorwaarden van zijn reclassering evenmin vervuld zijn.

Zij laat evenwel na de reden op te geven waarom eisers invrijheidstelling een ge-vaar voor de maatschappij zou uitmaken.

Aldus verantwoordt de hoge commissie de beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

6. De hierna uit te spreken vernietiging brengt de vernietiging met zich mee van de beslissingen waartegen geen ontvankelijk cassatieberoep openstaat, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden beslissing.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernie-tigde beslissing.

Verwijst de zaak naar de hoge commissie tot bescherming van de maatschappij, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Beslissing die slechts een uitvoeringsmodaliteit van de internering uitmaakt

  • Cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid