- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - P.13.1701.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele omstandigheid dat een inverdenkinggestelde gedurende een lange periode van zijn vrijheid is beroofd of dat het openbaar ministerie zijn vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis blijft steunen op dezelfde feitelijke gegevens, levert geen overschrijding van de redelijke termijn op.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1701.N

G T,

verdachte, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Reinhard Van Hecke, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 22 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet met toepassing van artikel 136ter Wetboek van Strafvorde-ring, onder meer uitspraak over het verloop van het strafonderzoek. Het maakt geen toepassing van artikel 235bis van hetzelfde wetboek. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak als bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 151 Grondwet: twee van de raadsheren die het arrest hebben gewezen, maakten deel uit van de zetel die op 8 oktober 2013 eisers voorlopige hechtenis hebben gehand-haafd; vermits de kamer van inbeschuldigingstelling impliciet oordeelt over de re-gelmatigheid van de rechtspleging wanneer zij uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, kan zij niet onafhankelijk oordelen wanneer dezelfde leden van die kamer later uitspraak doen met toepassing van artikel 136ter Wet-boek van Strafvordering; minstens wordt de schijn gewekt dat een onafhankelijke en onpartijdige beoordeling onmogelijk is.

3. Artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de straf-vordering.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

4. Geen enkele wettelijke bepaling belet dat een magistraat van het hof van be-roep, die voordien in dezelfde zaak als lid van de kamer van inbeschuldiging-stelling over de voorlopige hechtenis heeft geoordeeld, opnieuw oordeelt over de voorlopige hechtenis in het kader van de controle ex artikel 136ter Wetboek van Strafvordering.

In zoverre faalt het middel naar recht.

5. Voor het overige heeft het middel betrekking op een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is en houdt het geen verband met de ontvanke-lijkheid van het cassatieberoep daartegen, zodat het geen antwoord behoeft.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet en artikel 136ter Wetboek van Strafvordering: het arrest beveelt eisers invrij-heidstelling niet, maar beantwoordt zijn verweer niet over het feit dat er binnen de wettelijke termijn van zes maanden geen evaluatie heeft plaatsgevonden van de regelmatigheid van het onderzoek, zodat hij in vrijheid moest gesteld worden; de niet-naleving van die termijn heeft de invrijheidstelling van de inverdenkingge-stelde voor gevolg.

7. Artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de straf-vordering.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

8. Artikel 136ter, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"§ 1. Met uitzondering van de bij artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde zaken, neemt de kamer van in-beschuldigingstelling kennis van alle zaken waarin de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarover de raadkamer, wat de regeling van de rechtspleging betreft, geen uitspraak heeft gedaan binnen zes maanden te rekenen van het verlenen van het bevel tot aanhouding.

§ 2. Op verzoek van de inverdenkinggestelde, aanhangig gemaakt door een op de griffie van het hof van beroep neergelegd verzoekschrift, neemt de kamer van in-beschuldigingstelling kennis van de bij artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde zaken waarin de inverden-kinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarover de raadkamer, wat de regeling van de rechtspleging betreft, geen uitspraak heeft gedaan binnen zes maanden te rekenen van het verlenen van het bevel tot aanhouding."

9. Deze bepalingen verlenen aan de kamer van inbeschuldigingstelling de be-voegdheid om kennis te nemen van zaken waarin de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarover binnen de zes maanden na de aanhou-ding geen regeling van de rechtspleging plaatsvond. Hieruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling slechts tot de controle, bepaald in artikel 136ter voor-noemd, overgaat nadat zes maanden verstreken zijn sinds het verlenen van het be-vel tot aanhouding. Deze bepalingen houden niet in dat wanneer de procureur des Konings de zaak niet binnen deze termijn voor de kamer van inbeschuldiging-stelling aanhangig heeft gemaakt, de aangehoudene na zes maanden in vrijheid moet worden gesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

10. Het arrest oordeelt dat:

- "Uit de inzage van het voorliggend strafdossier en het debat gevoerd ter te-rechtzitting, blijkt dat het gerechtelijk onderzoek tot op heden een goed verloop heeft gekend en dat het onderzoek steeds op een diligente manier werd gevoerd(...)";

- "(...) de rechtspleging tot op heden een normaal verloop heeft gekend en het onderzoek zonder onverantwoorde vertraging is geschied";

- "na onderzoek overeenkomstig artikel 136ter Sv. omtrent het verloop van het gerechtelijk onderzoek, [het hof van beroep], kamer van inbeschuldiging-stelling, terzake geen redenen ontwaart dewelke tot een wijzigende beslissing omtrent de voorlopige hechtenis zouden kunnen nopen."

Aldus oordeelt het arrest dat het onderzoek regelmatig is verlopen, ook al zijn meer dan zes maanden verlopen sinds eisers aanhouding en dat de eiser niet in vrijheid moet worden gesteld. Hierdoor beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM en artikel 136ter Wetboek van Strafvordering: op de rechtszitting van 15 oktober 2013 werden de onderzoeksrechter en de advocaat-generaal gehoord; hun verklaringen verschaften de eiser geen verduidelijking over het voortduren van het onderzoek en zijn hech-tenis; het proces-verbaal van de rechtszitting bevestigt de zeer oppervlakkige be-nadering van de verslaggeving; door hem essentiële informatie te ontzeggen kan de eiser zijn verdediging niet aanpassen en worden zijn rechten miskend.

12. Het middel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor het cassatiebe-roep niet ontvankelijk is en dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.3 en 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de redelijke termijn: hoewel het openbaar ministerie steunt op een strafonderzoek dat minstens in september 2011 werd geopend en waaraan drie jaren bijzondere onderzoeksmethoden voorafgin-gen, blijft het zich steeds op dezelfde elementen beroepen om de verlenging van eisers voorlopige hechtenis te vorderen; doordat het openbaar ministerie zijn vor-dering niet actualiseert komt de redelijke termijn, ook voor de voorlopige hechte-nis, in het gedrang; de eiser verleent sinds zijn aanhouding zijn medewerking aan het onderzoek zodat een aanhouding van ongeveer acht maanden, op het ogenblik dat het Hof zal oordelen, de toets van het supranationaal recht niet doorstaat.

14. De enkele omstandigheid dat een inverdenkinggestelde gedurende een lange periode van zijn vrijheid is beroofd of dat het openbaar ministerie zijn vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis blijft steunen op dezelfde feitelijke gegevens, levert geen overschrijding van de redelijke termijn op.

In zoverre faalt het middel naar recht.

15. Het onderzoeksgerecht dat over de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak doet, oordeelt onaantastbaar in feite of op het tijdstip van zijn beslissing de redelijke termijn waarbinnen een aangehouden persoon krachtens artikel 5.3 EVRM het recht heeft te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld, al dan niet overschreden is.

In zoverre het middel opkomt tegen dat oordeel is het niet ontvankelijk.

16. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 5 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Algemeen

  • Duur van de voorlopige hechtenis

  • Vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis gesteund op dezelfde feitelijke gegevens

  • Toepassing