- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - C.10.0286.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De artikelen 1, lid 1, sub b, en 17 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat dat verlangt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, niet noodzakelijkerwijs gehouden is de in die bepalingen neergelegde methode voor bewijsverkrijging toe te passen om die handeling te mogen gelasten (1). (1) Zie Cass. 27 mei 2011, AR C.10.0286.N, AC 2011, nr. 360.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0286.N

PRORAIL bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3511 EP Utrecht (Nederland), Moreelsepark 3,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. XPEDYS nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Tweestationsstraat 80,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woon-plaats kiest,

2. FAG KUGELFISCHER GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 97421 Schweifurt (Duitsland), Georg Schäferstrasse 30,

verweerster,

3. DB SCHENKER RAIL NEDERLAND nv, met zetel te 3500 GB Utrecht (Nederland), Moreelsepark 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woon-plaats kiest,

4. NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOOR¬WE-GEN nv, met zetel te 1060 Brussel, Hallepoortlaan 40,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 januari 2010.

Gelet op het arrest van het Hof van 27 mei 2011 en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 februari 2013.

Zowel de eiseres als de eerste, tweede en vierde verweerster hebben na voormeld arrest van het Hof van Justitie een nota ingediend.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. Bij arrest van 27 mei 2011 heeft het Hof iedere nadere uitspraak aangehou-den tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak zal hebben gedaan over de hiernavolgende prejudiciële vraag:

"Moeten de artikelen 1 en 17 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, mede in acht genomen de Europese regelgeving inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het in artikel 33.1 EEX-Vo tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de in een lidstaat gegeven beslissingen zonder vorm van proces worden erkend in de overige lidstaten, aldus worden uitgelegd dat de rechter die een gerechtelijk deskundigenonderzoek beveelt waarvan de opdracht deels in het land van de lidstaat waartoe de rechter behoort, maar ook deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd, voor de rechtstreekse uitvoering van dit laatste deel alleen en dus exclusief gebruik moet maken van de door voormelde verordening in het leven geroepen methode bedoeld in artikel 17, dan wel of de door dat land aangestelde gerechtsdeskundige ook buiten de bepalingen van de verordening nr. 1206/2001 kan belast worden met een onderzoek dat gedeeltelijk in een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden uitgevoerd?"

2. Bij arrest van 21 februari 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie - zaak C-332/11- die vraag beantwoord.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1 en 17 van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken;

- artikel 31 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

- het algemeen rechtsbeginsel van internationaal publiek recht inzake de soevereiniteit van de staten.

Aangevochten beslissing

De appelrechter verklaart het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt dienvolgens de beschikking die op 5 mei 2009 werd gewezen door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel, zetelend in kort geding waarbij deskundige W. G. werd aangesteld als deskundige met de opdracht zich naar Nederland te begeven op de plaats van het ongeval, op het spoorwegnet tussen station Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal en op alle plaatsen waar hij nuttige vaststellingen kan doen, tot plaatsopname over te gaan en na onderzoek zijn advies te geven over de oorzaak van het ongeval, en tevens het door eiseres beheerde spoorwegnet en spoorwegnetinfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken en zijn advies te geven of, en zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong ligt van het ongeval, en veroordeelt eiseres in de kosten van de beroepsprocedure. De appelrechter verwerpt daarbij het verweermiddel dat door eiseres was aangevoerd en waarin werd betoogd dat de Belgische rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om aan de aangestelde deskundige de opdracht te geven het spoorwegnet beheerd door eiseres in Nederland te onderzoeken alsook het verweermiddel waarin werd aangevoerd dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 en wel op de volgende gronden:

"De door [eiseres] ingeroepen Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en handelszaken.

12. Artikel 1 van de voormelde Verordening bepaalt het volgende:

‘Werkingssfeer

1. De verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat:

a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten;

of

b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.'

In casu is er geen sprake van één van de hypotheses bepaald in artikel 1 van de door [eiseres] ingeroepen Verordening. Deze Verordening is in casu niet van toepassing en niet ter zake dienend. [Eiseres] kan in casu geen nuttig middel of argument uit deze Verordening putten om haar bewering, volgens dewelke de eerste rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om de bestreden onderzoeksmaatregel te bevelen, te onderbouwen.

In strijd met hetgeen [eiseres] aanvoert, heeft de eerste rechter de door [eiseres] bestreden onderzoeksmaatregel rechtsgeldig bevolen. De bewering van [eiseres] dat zij daarvoor niet over de nodige rechtsmacht beschikte, is ongegrond."

"De opdracht die aan de gerechtsdeskundige G. toevertrouwd werd bij de bestreden beschikking dd. 5 mei 2009.

13. [Eiseres] uit bezwaren tegen de opdracht van de deskundige zoals hij werd gevorderd en omschreven.

14. De bewering van [eiseres] dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland, anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en handelszaken, is ongegrond. Het [hof van beroep] verwijst dienaangaande naar hetgeen uiteengezet werd onder randnummer 11 van dit arrest.

15. De opdracht van de gerechtsdeskundige houdt krachtens de bestreden beschikking onder meer in:

- in het kader van het bevolen en omschreven onderzoek eveneens het door [eiseres] beheerde spoorwegnet en spoorweginfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken, hierin beschreven het hotbox-systeem en het Quo Vadis-systeem, en zijn advies te geven of, en zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong van het ongeval van 22 november 2008 ligt.

Terecht laat [eerste verweerster] gelden dat de opdracht van de deskundige zoals geformuleerd in de bestreden beschikking geen vrijgeleide inhoudt voor de aangestelde deskundige om zonder meer het gehele Nederlandse spoorwegnet en de hele Nederlandse spoorweginfrastructuur te onderzoeken, zonder dat daarbij enige relatie zou bestaan met het ongeval dd. 22 november 2008. Het geciteerde onderdeel van de opdracht van de gerechtsdeskundige dient gelezen te worden samen met de overige bepalingen van de omschrijving van die opdracht.

Het bezwaar van [eiseres] tegen voormeld onderdeel van de opdracht van deskundige is zodoende ongegrond."

Grieven

De eerste rechter heeft bij zijn beschikking van 5 mei 2009, welke beschikking door het bestreden arrest wordt bevestigd, een deskundige aangesteld met de opdracht onder meer:

"- zich ter plaatse te begeven op de plaats van het ongeval te Nederland, op het spoorwegnet tussen station Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal en op alle plaatsen waar hij nuttige vaststellingen kan verrichten;

- tot plaatsopname over te gaan, na onderzoek zijn advies te geven over de oorzaken en omstandigheden van het ongeval van 22 november 2008 op het spoorwegnet nabij Amsterdam;

- in het kader van voormeld onderzoek eveneens het door [eiseres] beheerde spoor-wegnet en spoorwegnetinfrastructuur te beschrijven en te onderzoeken, hierin beschreven het hotbox-systeem en het Quo Vadis-systeem, en zijn advies te geven of/en, zo ja, in welke mate deze infrastructuur mede aan de oorsprong van het ongeval van 22.11.2008 ligt."

Uit deze omschrijving van de opdracht toegekend aan de deskundige blijkt dat het grootste deel van de hem verleende opdracht diende te worden uitgevoerd in Nederland.

Het internationaal erkende algemene rechtsbeginsel inzake de soevereiniteit van de staten houdt in dat een staat over de exclusieve bevoegdheid beschikt om op haar grondgebied tot dwanguitvoering over te gaan. Dit beginsel houdt ook in dat, wanneer het te onderzoeken bewijsmaterieel zich bevindt in een andere staat dan die van de rechtbank die over de grond van de zaak moet oordelen, de eerbiediging van dit beginsel en de belangen van die vreemde staat in principe de bovenhand moeten krijgen.

Overeenkomstig artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 is deze Verordening van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten. Luidens artikel 17, 1e lid van dezelfde Verordening dient, wanneer een gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een ander lidstaat te mogen verrichten, het daartoe met gebruikmaking van formulier I in de bijlage een verzoek in bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van die staat, bedoeld in artikel 3, lid 3 en overeenkomstig het tweede lid van ditzelfde artikel 17 kan een handeling tot het verkrijgen van bewijs alleen rechtstreeks worden verricht indien zij vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd. Uit de samenlezing van deze bepalingen van deze Verordening blijkt derhalve ondubbelzinnig dat wanneer een onder-zoeksmaatregel, zoals een deskundig onderzoek, in Nederland dient te worden uitgevoerd, de voorafgaande toelating dient te worden gevraagd van de Nederlandse staat overeenkomstig artikel 17 van deze Verordening en dat dit vereiste van voorafgaande toelating ook geldt wanneer het gaat om een maatregel tot het verkrijgen van bewijs die vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd.

Dit vereiste van de voorafgaande toelating van de lidstaat waarin de onderzoeksmaatregel dient te worden uitgevoerd, vloeit ook voort uit artikel 31 van de Bevoegdheidsverordening. Luidens die bepaling kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregel bij de gerechten van die staat worden aangevraagd zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze Verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Hieruit vloeit voort dat de bevoegdheid tot het bevelen van deskundigenonderzoeken enkel toebehoort aan de rechtbanken van de plaats waar deze maatregel dient te worden uitgevoerd en dat a contrario een dergelijke maat-regel geen extraterritoriaal effect heeft behoudens toelating van de staat waarin deze onderzoeksmaatregel dient te worden uitgevoerd.

Door te oordelen dat de Verordening (EG) nr. 1206/2001 in casu niet van toepassing is en niet terzake dienend is en dat eiseres in casu geen nuttig middel of argument kan putten uit deze Verordening om haar bewering volgens dewelke de eerste rechter niet over de nodige rechtsmacht beschikte om de bestreden onderzoeksmaatregel te bevelen, te onderbouwen en dat de bewering van eiseres dat de eerste rechter daarvoor niet over de nodige rechtsmacht beschikte ongegrond is en door verder te oordelen dat de bewering van eiseres dat een deskundige niet kan belast worden met een onderzoek in Nederland, anders dan via de toepassing van de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten en de lidstaten op het ge-bied van bewijsverkrijging in burgerlijke zaken en in handelszaken ongegrond is, schendt de appelrechter dan ook de artikelen 1 en 17, 1e en 2e lid, van de Verordening nr. 1206/2001 van 28 mei 2001, alsook het rechtsbeginsel van internationaal publiekrecht inzake de soevereiniteit van de staten en voor zoveel als nodig ook artikel 31 van de Bevoegdheidsverordening.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het Hof van Justitie heeft bij arrest - 2 - 332/11 - van 21 februari 2013 ver-klaard voor recht:

"De artikelen 1, lid 1, sub b, en 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat dat verlangt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, niet noodzakelijkerwijs gehouden is de in die bepalingen neergelegde methode voor bewijsverkrijging toe te passen om die handeling te mogen gelasten."

2. Het Hof van Justitie overwoog hierbij:

"47. Niettemin moet worden gepreciseerd dat, wanneer de door een gerecht van een lidstaat aangewezen deskundige zich naar een andere lidstaat moet begeven om aldaar het deskundigenonderzoek waarmee hij is belast uit te voeren, dit on-derzoek in bepaalde omstandigheden invloed kan hebben op het openbaar gezag van de lidstaat waarin het onderzoek moet worden verricht, met name wanneer het wordt uitgevoerd op plaatsen die verband houden met de uitoefening van dat gezag of op plaatsen die volgens het recht van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd, niet of slechts door bevoegde personen mogen worden betreden of waar enkel die personen bepaalde handelingen mogen verrichten.

48. In die omstandigheden, behoudens indien het gerecht dat een grensoverschrij-dend deskundigenonderzoek wenst te gelasten, afziet van het verkrijgen van het betrokken bewijs, en bij ontbreken van een overeenkomst of regeling tussen de lidstaten in de zin van artikel 21, lid 2, van verordening 1206/2001, is de in de ar-tikelen 1, lid 1, sub b, en 17 van voormelde verordening bedoelde methode van bewijsverkrijging in de praktijk de enige methode volgens welke een gerecht van een lidstaat een deskundigenonderzoek rechtstreeks in een andere lidstaat kan laten uitvoeren.

49. Uit een en ander volgt dat een nationale rechterlijke instantie die een deskun-digenonderzoek wil gelasten dat op het grondgebied van een andere lidstaat moet worden uitgevoerd, niet noodzakelijk verplicht is de in de artikelen 1, lid 1, sub b, en 17 van verordening nr. 1206/2001 neergelegde methode van bewijsverkrijging toe te passen."

3. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het gerecht van een lidstaat dat ver-langt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, steeds gehouden is hiertoe de voorafgaande toelating van de andere lidstaat te vragen overeenkomstig artikel 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001, zonder hierbij te onderscheiden naargelang het onderzoek al dan niet invloed kan hebben op het openbaar gezag van die andere lidstaat, noch naargelang er al dan niet een overeenkomst of regeling bestaat in de zin van artikel 21, lid 2, van verordening 1206/2001, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 525,29 euro en voor de verweerders op 261,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Van-dewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K.Vanden Bossche K. Moens A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Deskundigenonderzoek

  • Europese Unie

  • Uitvoering gedeeltelijk in andere lidstaat

  • Opdracht van de rechter

  • Procedure