- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - C.12.0053.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wettelijke bepaling van artikel 72, §1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, die inhoudt dat, wanneer de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of –vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening (1). (1) Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N, AC 2013, nr. 332.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0053.N

M G,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR ONTWIKKELING VAN HET GEWEST MECHELEN EN OMGEVING, IGEMO, met zetel te 2800 Mechelen, Schoutestraat 2, vertegenwoordigd door de voorzitter van het Aankoopcomité, met zetel te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 27,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 februari 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 72, § 1, eerste lid, Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, hierna DRO, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening ge-houden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voor-schriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt ge-vorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

2. Deze bepaling die inhoudt dat, wanneer de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waarde-vermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruim-telijk uitvoeringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is onge-acht de rechtsgrond van de onteigening.

3. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel gaat ervan uit dat de regel vervat in artikel 72 DRO verband houdt met de bijzondere waarborgen die door die wet worden verstrekt, terwijl uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat die bepaling een algemeen beginsel vertolkt dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening.

5. Het onderdeel gaat tevens ten onrechte ervan uit dat de doelstelling van de onteigening enkel kan worden afgeleid uit de motieven van het onteigeningsbe-sluit, terwijl de rechter hierover onaantastbaar in feite oordeelt.

6. Er is geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen die uitgaan van een ver-keerde rechtsopvatting.

Tweede middel

7. De appelrechters stellen vast dat:

- vóór het ontstaan van het gewestplan Mechelen voor de betrokken gronden een Algemeen Plan van Aanleg van toepassing was waarin voorzien was dat de percelen gelegen waren in een "landelijke zone", bestemd voor "woonhuizen, handelshuizen, kleinbedrijven, landbouwbedrijven en nijverheden";

- de onteigende gronden gebruikt werden als weiland en het geheel van die gronden een aaneengesloten blok weiland vormt, die gebruikt wordt als paardenweide;

- blijkens de vaststellingen van de gerechtsdeskundige de onmiddellijke om- geving van de onteigende percelen steeds landbouwgebied is geweest, zonder bebouwing in de onmiddellijke omgeving en dat de percelen goed bereikbare, aan de straat gelegen landbouwgronden zijn van normale streekkwaliteit.

Op grond van deze vaststellingen oordelen zij dat bij de bepaling van de waarde van de onteigende gronden dient te worden uitgegaan van landbouwgrond.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat abstractie dient te worden gemaakt van het vooraf bestaand Algemeen Plan van Aanleg, be-rust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 504,48 euro en voor de verweersters op 159,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan

  • Onteigend perceel

  • Waardebepaling

  • Planologische neutraliteit