- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - C.12.0095.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een partij die in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, kan tegen die partij niet voor het eerst in hoger beroep een vordering instellen (1). (1) Zie Cass. 16 maart 2007, AR C.06.0294.N, AC 2007, nr. 144; Cass. 5 jan. 2007, AR C.06.0026.N, AC 2007, nr. 8; Cass. 29 okt. 2004, AR C.02.0406.N, AC 2004, nr. 517 en RW 2004-05, 1618, noot S. MOSSELMANS; S. MOSSELMANS, “Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht”, RW 2004-05, (1601) 1606-1607.

Arrest - Integrale tekst

I.

Nr. C.12.0095.N

1. J V D H,

2. A V L,

3. H V D H,

4. E V D H,

5. L V D H,

allen in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen F V D H,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eisers woonplaats kie-zen,

tegen

1. A H,

2. A S,

3. G B,

4. DE FEDERALE VERZEKERINGEN cvba, met zetel te 1000 Brussel, Stoof-straat 12,

verweerders.

II.

Nr. C.12.0110.N

G B,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. A H,

2. A S,

verweerders,

3. J V D H,

4. A V L,

5. H V D H,

6. E V D H,

7. L V D H,

de derde tot en met de zevende in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen Franciscus V D H,

8. DE FEDERALE VERZEKERINGEN cvba, met zetel te 1000 Brussel, Stoof-straat 12,

verweerders, minstens tot bindendverklaring opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 20 september 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In de zaak C.12.0095.N voeren de eisers in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

In de zaak C.12.0110.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is ge-hecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging

1. De cassatieberoepen in de zaken C.12.0095.N en C.12.0110.N zijn gericht te-gen hetzelfde arrest, zodat zij gevoegd dienen te worden.

B. Zaak C.12.0095.N

Ontvankelijkheid van het middel

2. Het middel dat geheel gericht is tegen de veroordeling van de tweede tot en met de vijfde eisers, is, in zoverre het uitgaat van de eerste eiser, bij gebrek aan be-lang, niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

3. Krachtens artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.

4. Deze bepaling sluit uit dat een partij die in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, tegen die partij voor het eerst in hoger beroep een vordering instelt.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste en tweede verweerders, evenals de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering hebben ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, die vrijwillig in het ge-ding voor de eerste rechter waren tussengekomen.

6. De appelrechters oordelen dat de door de eerste en tweede verweerders, alsme-de door de vierde verweerster in hoger beroep tegen de tweede tot en met de vijfde eisers ingestelde vorderingen ontvankelijk zijn, op grond dat:

- de tweede tot en met de vijfde eisers partij waren in het geding voor de eerste rechter, zodat de volledige procedure hen tegenstelbaar was;

- de eerste eiser impliciet maar zeker als vertegenwoordiger van de successie is op-getreden in de procedurele aanwezigheid van de andere erfgenamen;

- de aansprakelijkheid van wijlen architect F V D H betrokken was, zodat de erfge-namen zich niet konden vergissen over de draagwijdte van de ingestelde vorde-ring en van hun tussenkomst.

7. Deze omstandigheden beletten niet dat door de eerste en tweede verweerders, alsmede door de vierde verweerster in eerste aanleg geen vordering werd ingesteld tegen de tweede tot en met de vijfde eisers, zodat de appelrechters niet vermochten de in hoger beroep voor het eerst ingestelde vorderingen ontvankelijk te verklaren.

Het onderdeel is in zoverre het uitgaat van de tweede tot en met de vijfde eisers ge-grond.

C. Zaak C.12.0110.N

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de eerste en tweede verweerders in hun inleidende dagvaarding aanvoerden dat:

- wijlen architect V D H grovelijk tekortkwam in de uitvoering van de hem toever-trouwde opdrachten;

- zulks niet alleen diverse financiële implicaties had, maar tevens een minwaarde voor de woning en genotsderving opleverde;

- zij gerechtigd waren op vergoeding voor de ontegensprekelijk door hen geleden schade;

- de aanstelling van een deskundige zich derhalve opdrong in het kader van een globale regeling van deze zaak.

9. De appelrechters die oordelen dat de eerste en tweede verweerders met deze dagvaarding, ook al strekte het dictum ervan enkel tot de aanstelling van een deskun-dige en het veroordelen van de eiser en de derde verweerder tot de kosten, een vordering tot vergoeding van de door hen geleden schade tegen architect en aannemer hebben ingesteld, geven van de inleidende dagvaarding geen uitleg die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.

10. In zoverre het middel een schending van de bewijskracht van de inleidende dagvaarding aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

11. De appelrechters verantwoorden op grond van de aldus vergeefs bestreden uit-leg van de inleidende dagvaarding hun beslissing dat de eerste rechter met zijn von-nis van 15 december 1994 tot aanstelling van een deskundige, zijn rechtsmacht niet had uitgeput.

12. In zoverre het middel opkomt tegen overige ten overvloede gegeven redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen C.12.0095.N en C.12.0110.N.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt ten aanzien van de tweede tot en met de vijfde eisers.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep in de zaak C.12.0095.N voor het overige.

Verwerpt het cassatieberoep in de zaak C.12.0110.N.

Veroordeelt de eerste eiser in de zaak C.12.0095.N tot één vijfde van de kosten.

Veroordeelt de eiser in de zaak C.12.0110.N tot de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in de zaak C.12.0095.N voor de eisers op 1062,77 euro en voor de verweerders op 0 euro.

Bepaalt de kosten in de zaak C.12.0110.N voor de eiser op 1516,68 euro en voor de verweerders op 0 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samenge-steld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Eerste aanleg

  • Geen vordering

  • Hoger beroep

  • Vordering

  • Ontvankelijkheid