- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - C.12.0570.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al zijn deze ontstaan vóór het tijdstip van hun toetreding tot de vennootschap (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0570.N

Jean de CHAFFOY de COURCELLES, advocaat, met kantoor te 1000 Brussel, Kunstlaan 24, bus 9 A, in zijn hoedanigheid van curator over het faillis-sement van P & P,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. K P,

2. V V,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerders woonplaats kiezen,

3. J S,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 27 juni 2011 en 12 maart 2012.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 23 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De eerste verweerder en de tweede verweerster voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel laat na de schending in te roepen van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

2. In het arrest van 27 juni 2011 oordeelt de appelrechter dat:

- de vordering van de eiser ontvankelijk is, omdat de eiser gerechtigd is de vor-dering in te stellen tot aanzuivering van het passief van de vennootschap tegen de met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoten, aangezien de eiser ge-rechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers;

- de vordering van de eiser tegen de voormalige vennoten van de V.O.F. ontvan-kelijk is, omdat de eiser vorderingsrechten uitoefent tegen derden die hebben in te staan voor de schulden van de gefailleerde en waarvan de gehoudenheid be-staat tegen alle schuldeisers, ook al kan er tussen de schuldeisers een differen-tiatie ontstaan ingevolge het tijdselement.

3. De aangevoerde grief betreft geen tegenstrijdigheid tussen beschikkingen, maar enkel tussen redenen van het bestreden arrest zodat artikel 1138, 4°, Gerech-telijk Wetboek geen verband houdt met de deze grief.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

4. De aangevoerde tegenstrijdigheid is geen feitelijke maar een juridische te-genstrijdigheid die slechts kan beoordeeld worden op grond van de uitleg van wetsbepalingen.

Het middel dat enkel een schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, houdt geen verband met de motiveringsplicht van deze bepaling en is derhalve niet ont-vankelijk.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 204 Wetboek van Vennootschappen zijn de vennoten on-der firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dit namens de vennootschap is ge-schied.

Vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al zijn deze ontstaan vóór het tijdstip van hun toetreding tot de vennootschap.

6. Uit het arrest van 27 juni 2011 blijkt dat:

- eerste en tweede verweerders P & P vof hebben opgericht in 2002;

- eerste en tweede verweerders hun aandelen op 29 januari 2005 hebben overge-dragen aan de derde verweerder en aan W;

- de derde verweerder en W hun aandelen op 7 december 2006 hebben overge-dragen aan D en D;

- de vof op 30 oktober 2007 failliet werd verklaard.

7. De appelrechter oordeelt dat "[de derde verweerder] enkel gehouden [kan] zijn voor de verbintenissen die zijn ontstaan nadat hij de aandelen heeft overge-nomen van [de eerste verweerder] en [de tweede verweerster] d.d. 29 januari 2005" en dat "de nieuwe vennoot-overnemer niet aansprakelijk [is] voor het be-staande passief op het ogenblik van zijn intrede in de vennootschap".

Door aldus te oordelen schendt de appelrechter artikel 204 Wetboek van Vennoot-schappen.

Het middel is gegrond.

Derde middel

8. Volgens artikel 209 Wetboek van Vennootschappen kan de overdracht van deelneming, wanneer zij door het vennootschapscontract is toegelaten, slechts ge-schieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht en kan zij geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.

Uit de artikelen 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen volgt dat de vennoten onder firma die hun deelneming hebben overdragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn aange-gaan.

De omstandigheid dat de schuldeisers wiens schuldvorderingen zijn ontstaan na-dat een vennoot zijn deelneming heeft overgedragen, deze niet kan aanspreken, staat er niet aan in de weg dat deze vennoot gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers wiens schuldvorderingen voordien zijn ontstaan.

9. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefail-leerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorde-ringsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet toe aan de gefailleerde.

De gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid verschillend.

10. Uit het vorenstaande volgt dat een gedifferentieerde gehoudenheid van uit-tredende vennoten van een vennootschap onder firma er niet aan in de weg staat dat de curator zijn vorderingsrecht uitoefent tegen al deze vennoten.

11. De appelrechter die in het eindarrest van 12 maart 2012 oordeelt dat aange-zien geen van de verweerders als achtereenvolgende uittredende vennoten op ge-lijke wijze gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers, de curator niet vorde-ringsrechtigd is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

In zoverre is het middel gegrond.

Overige grieven

12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 27 juni 2011, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, de vordering van de curator tegen de verweerders ontvankelijk verklaart en voor recht zegt dat de eerste en tweede verweerders enkel door de curator kunnen worden aangesproken voor de verbintenissen die dateren van vóór 29 januari 2005.

Vernietigt het bestreden arrest van 12 maart 2012.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 27 juni 2011 en van het vernietigde arrest van 12 maart 2012.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 7 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Vennoten

  • Hoofdelijke aansprakelijkheid

  • Verbintenissen van de vennootschap

  • Ontstaan voor hun toetreding