- Arrest van 12 november 2013

12/11/2013 - P.13.1169.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter is slechts gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot een leemte in de wet, indien hij vaststelt dat hij aan die leemte, gesteld dat ze de Grondwet schendt, zou kunnen verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever (1). (1) Zie Cass. 14 aug. 2012, AR P.12.1293.N, AC 2012, nr. 435.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1169.N

L A J D,

veroordeelde, gedetineerd,

eiser,

met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Femke De Backer, beiden advo-caat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 27 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. RELEVANTE GEGEVENS

De eiser werd bij arrest van het hof van beroep te Gent van 7 februari 2012 ver-oordeeld tot een werkstraf van 300 uur of een vervangende gevangenisstraf van drie jaar.

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent heeft beslist tot de tenuit-voerlegging van de vervangende gevangenisstraf.

De eiser tekende op 11 april 2013 bij het hof van beroep te Gent verzet aan ertoe strekkende te horen zeggen voor recht dat de vervangende gevangenisstraf niet ten uitvoer diende te worden gelegd.

In zijn voor het hof van beroep neergelegde conclusie heeft de eiser gevraagd dat de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zouden worden ge-steld:

"1. Schendt artikel 37quinquies, § 4, vierde lid, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een mogelijkheid tot verzet tegen de beslissing om de vervangende gevangenisstraf ten uitvoer te leggen, terwijl artikel 96 Wet Strafuitvoering zoals geïnterpreteerd overeenkomstig het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 37/2009 van 4 maart 2009 wel voorziet in de mogelijk-heid van verzet tegen de herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit?

2. Schendt artikel 37quinquies, § 4, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen samen met de artikelen 6 en 13 EVRM, doordat het niet voorziet in de mogelijkheid tot het aanwenden van verzet tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf of de geldboete van het openbaar ministerie, terwijl de op probatie-uitstel gestelde veroordeelde tegen de herroeping van het probatie-uitstel kan opkomen door middel van verzet (artikel 14, § 2, derde lid, Probatiewet)?

3. Schendt artikel 37quinquies, § 4, Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen samen met artikel 6 EVRM, doordat het niet voorziet in de verplichting tot motivering van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf of de geldboete, terwijl de op probatie-uitstel gestelde veroordeelde de waarborg heeft dat de beslissing tot herroeping van het probatie-uitstel gemotiveerd is?

4. Schendt artikel 37quinquies, § 4, vierde lid, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, het beginsel van een behoorlijke rechtsbedeling en het beginsel van de scheiding der machten doordat de vervangende gevangenisstraf kan worden uit-voerbaar verklaard op eenvoudige, niet-tegensprekelijke beslissing van het open-baar ministerie, zonder dat daartegen enig rechtsmiddel kan worden aangewend, terwijl overeenkomstig de artikelen 87 tot 94 Wet Strafuitvoering een gevangenis-straf kan worden omgezet in een werkstraf, na een tegensprekelijke procedure voor een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie en met de mogelijkheid tot een voorziening in cassatie?

5. Schendt artikel 37quinquies, § 4, vierde lid, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, het recht op een behoorlijke rechtsbedeling daarin begrepen het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces doordat de persoon die veroor-deeld werd tot een werkstraf (gekoppeld aan een door de rechter voorziene ver-vangende straf die van toepassing kan worden verklaard ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd) en deze werkstraf niet (of slechts gedeeltelijk) uitvoert geen en-kele tegenspraak kan voeren ten aanzien van het openbaar ministerie dat beslist over de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, terwijl diegene die tot een straf met uitstel is veroordeeld en daaraan gekoppelde voorwaarden niet (of slechts gedeeltelijk) naleeft wel wordt gehoord door de jurisdictionele instantie (de rechtbank van eerste aanleg) die bevoegd is om de initieel met uitstel verleende gevangenisstraf ten uitvoer te leggen (artikel 14, § 2, Probatiewet)?

6. Schendt artikel 37quinquies, § 4, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met het beginsel van de scheiding der machten, doordat het open-baar ministerie en dus de uitvoerende macht de beslissing tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf of de geldboete dient te nemen, terwijl de op probatie-uitstel gestelde veroordeelde de waarborg heeft dat de beslissing tot herroeping van het probatie-uitstel door de rechtbank en dus de rechterlijke macht wordt genomen?"

Het hof van beroep te Gent heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van eisers verzet gericht tegen de beslissing van het openbaar ministerie in het ka-der van de strafuitvoering.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 26, § 2, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: hoewel daartoe gehouden, stelt het hof van beroep de voorgestelde prejudiciële vragen en in het bijzonder de vijfde en de zesde vraag ten onrechte niet; de omstandigheid dat het hof van beroep niet bevoegd zou zijn, biedt daartoe geen verantwoording.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende de motiveringsplicht: het arrest negeert volledig de voormelde prejudiciële vragen en motiveert niet waarom ze niet moeten worden gesteld; het geeft in elk geval niet overeenkomstig artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan waarom ze niet dienden te worden gesteld; aldus is het arrest niet wettig gemotiveerd.

Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest geeft niet de voornaamste redenen op waarom de voorgestelde prejudiciële vragen niet worden gesteld, hoewel het daartoe op grond van deze verdragsbepaling toe ge-houden is; de loutere vaststelling dat het hof van beroep daartoe niet bevoegd is volstaat niet, aangezien onder meer de vijfde voorgestelde prejudiciële vraag die bevoegdheid tot voorwerp had.

2. De rechter is slechts gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot een leemte in de wet, indien hij vast-stelt dat hij aan die leemte, gesteld dat ze de Grondwet schendt, zou kunnen ver-helpen zonder tussenkomst van de wetgever.

3. Het arrest oordeelt onder meer dat:

- er geen wettelijke basis bestaat om "verzet" aan te tekenen tegen een beslissing van het openbaar ministerie om de uitvoering van een vervangende gevange-nisstraf te bevelen wegens de niet-uitvoering van de werkstraf binnen de door de wet bepaalde termijn;

- de wetgever niet in een procedure heeft voorzien om dergelijk "verzet" te behandelen;

- het hof van beroep zich niet in de plaats van de wetgever kan stellen om zelf nieuwe procedures te ontwikkelen en te introduceren teneinde zich bevoegdheden toe te meten die de wetgever hem niet verleent en dit evenmin kan doen door het toepassen van procedures naar analogie.

Met die redenen geeft het hof van beroep te kennen dat gelet op de vastgestelde leemte die enkel de wetgever kan verhelpen, er geen grond is tot het stellen van de prejudiciële vragen, beantwoordt het eisers' verzoek en verantwoordt het die be-slissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 12 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Leemte in de wet

  • Stellen van een prejudiciële vraag