- Arrest van 13 november 2013

13/11/2013 - P.13.1738.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De goedkeuring door een Staat van internationale teksten die de eerbiediging van fundamentele rechten waarborgen, is een ontoereikende bescherming tegen het gevaar voor mishandeling wanneer betrouwbare bronnen melding maken van overheidspraktijken die kennelijk in strijd zijn met de beginselen van het Verdrag; de betrouwbaarheid van die bronnen is echter een feitelijke kwestie waarvoor het Hof van Cassatie niet bevoegd is; het staat aan de feitenrechter om daarover naar zijn overtuiging te beslissen, voorgelicht door de elementen uit het debat op tegenspraak, aangezien de wet hem geen hiërarchie oplegt van de bewijsmiddelen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1738.F

I. A. A.-L.,

Mrs. Christophe Marchand en Zouhaier Chihaoui, advocaten bij de balie te Brus-sel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest dat het geen werkelijk en effectief toezicht uitoefent op het risico op onmenselijke en vernederende behandelingen dat hij op grond van verschillende rapporten van internationale organisaties heeft aangevoerd. Volgens die rapporten zijn in de Staat die het Europees aanhoudingsbevel tegen de eiser heeft uitgevaardigd, de personen die wegens terroristische activiteiten worden vervolgd, het slachtoffer van praktijken die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. De eiser voert aan dat hij aldus, dienaangaande, een afdoende begin van bewijs heeft aangebracht om het vermoeden van wederzijds vertrouwen tussen de Lidstaten van de Raad van Europa te weerleggen, waardoor het bestreden arrest, door dit niet aan te nemen, het voormelde artikel 3 schendt.

Zoals het middel aangeeft, biedt de goedkeuring door een Staat van internationale teksten die de eerbiediging van fundamentele rechten waarborgen, op zich geen toereikende bescherming tegen het gevaar voor mishandeling wanneer betrouwba-re bronnen melding maken van overheidspraktijken die kennelijk in strijd zijn met de beginselen van het Verdrag.

De betrouwbaarheid van die bronnen is echter een feitelijke kwestie waarvoor het Hof niet bevoegd is. De feitenrechter dient daarover naar zijn overtuiging te be-slissen, voorgelicht door de elementen uit het tegensprekelijk debat, waarbij de wet hem geen hiërarchie van de bewijsmiddelen oplegt.

Het arrest wijst niet alleen op het feit dat de uitvaardigende Staat het Verdrag heeft ondertekend. Het voegt daar ook aan toe dat er geen gegronde redenen zijn om te geloven dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de fundamentele rechten van de eiser in het gedrang zou brengen. Die overweging houdt noodzakelijkerwijs in dat, voor de appelrechters, de door de eiser voorge-legde stukken geen begin van bewijs van het aangevoerde risico kunnen opleveren.

Onder voorwendsel van een schending van de artikelen 3 EVRM en 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, wordt het Hof gevraagd die feitelijke beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling te toetsen, wat het Hof niet vermag zonder daarbij aan de aangevoerde rapporten een bijzondere bewijsstatus te verle-nen die geen enkele bepaling van intern of internationaal recht voorschrijft.

De in het middel aangevoerde wetsbepalingen regelen noch de bewijswaardering door de feitenrechter noch de regels die de bewijslast tussen de partijen verdelen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser legt het Hof nieuwe stukken voor die volgens hem de informatie aanvul-len die reeds in conclusie voor de kamer van inbeschuldigingstelling was vermeld. Hij verzoekt het Hof om op grond van die stukken zélf te besluiten dat de kwets-bare groep waartoe hij behoort, is blootgesteld aan systematische folteringen, on-menselijke behandelingen en misbruiken gericht op het verkrijgen van bekente-nissen van op secreet geplaatste personen.

Artikel 3 EVRM, dat volgens het middel is geschonden, staat het Hof niet toe de constitutionele grenzen van zijn opdracht te overschrijden.

Het Hof werd opgericht om de regelmatigheid en wettigheid te onderzoeken van de vonnissen en arresten die aan zijn toezicht zijn voorgelegd. Het Hof mag de beslissing van de feitenrechter dus niet toetsen op grond van stukken die aan deze niet zijn voorgelegd en evenmin in diens plaats een geschil berechten dat feit en recht vermengt.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierrre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 13 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Eerbiediging mensenrechten

  • Uitvaardigende Staat

  • Bronnen maken melding van overheidspraktijken in strijd met de fundamentele rechten

  • Betrouwbaarheid van de bronnen

  • Beoordeling door de feitenrechter