- Arrest van 15 november 2013

15/11/2013 - C.11.0656.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing waarbij het arrest de vordering tot veroordeling van de verweerder tot betaling van het gehele door de eiser gevorderde bedrag verwerpt, benadeelt de eiser die, bijgevolg, belang erbij heeft op die beslissing kritiek uit te oefenen (1). (1) Cass. 4 okt. 2012, AR C.11.0686.F, AC 2012, nr. 512, met concl. OM in Pas., 2012, nr. 512.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0656.F

SNAIL COMPANY nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BESIX REAL ESTATE DEVELOPMENT nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. AXA BELGIUM nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 februari 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissing

Het arrest "verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, binnen de hierna bepaalde grenzen; zegt dat de gerechtsdeskundige niet gehoord dient te worden; wijzigt de beroepen beslissing, behalve in zoverre ze de twee zaken heeft gevoegd en de oorspronkelijke vordering, in zoverre ze steunde op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, ontvankelijk en in beginsel gegrond heeft verklaard; het arrest, dat opnieuw uitspraak doet, veroordeelt de [eerste] en de [tweede verweerster] in solidum om de [eiseres] het hoofdbedrag van 25.464,90 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire interest tegen de opeenvolgende wettelijke rentevoeten op het bedrag van 21.126,77 euro, vanaf 22 augustus 2001, en vervolgens met de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet op het bedrag van 25.464,90 euro, te rekenen vanaf dit arrest tot de algehele betaling; zegt voor recht dat het aandeel van de [eerste] en van de [tweede verweerster], voor elk van hen, wordt vastgesteld op 12.732,46 euro (25.464,90 euro x 50 pct.); veroordeelt de [eerste verweerster] om aan de [eiseres] het hoofdbedrag van 2.107,14 euro te betalen, vermeerderd met de compensatoire interest tegen de opeenvolgende wettelijke rentevoeten vanaf 22 augustus 2001, en vervolgens met de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet, te rekenen van dit arrest tot de algehele betaling; verwerpt de overige respectieve eisen van de partijen; veroordeelt de [eiseres] tot zestig pct. van het geheel van de kosten van de twee aanleggen en de [eerste] en de [tweede verweerster] tot veertig pct. van het totaalbedrag van de kosten van de twee aanleggen, waarbij hun aandeel vijftig pct. beloopt; veroordeelt de partijen, in dezelfde verhouding, tot de betaling van de totale kostprijs van de twee deskundigenonderzoeken, die wordt vastgesteld op 24.213,12 euro (701.122 frank + 275.033 frank = 976.755 frank), waarbij de partijen, in hun afrekening, daarenboven rekening moeten houden met de provisies die de [eiseres] heeft gestort en met die welke mogelijks door de andere partijen zijn gestort; stelt de overige kos-ten van de [eiseres] vast op 221,34 euro (dagvaarding in kort geding) + 96,36 euro (dagvaarding) + 238,97 euro (dagvaarding) + 15.000 euro (rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg) + 15.000 euro (rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep); stelt de kosten van de [eerste verweerster] vast op 15.000 euro (rechtsplegingsvergoeding) in eerste aanleg en op 186 euro (inschrijving op de rol in hoger beroep) + 15.000 euro (rechtsple-gingsvergoeding) in hoger beroep; stelt de kosten van de [tweede verweerster] vast op 10.000 euro (rechtsplegingsvergoeding) in eerste aanleg en op 10.000 euro (rechtsplegingsvergoeding) in hoger beroep".

Die beslissingen steunen op alle redenen van het arrest die hier als uitdrukkelijk weergegeven worden beschouwd en meer bepaald op de volgende redenen.

Het arrest vermeldt, op grond van het deskundigenverslag, dat het pand van de eiseres een eerste keer is verbouwd in 1963 en dat het tussen 1990 en 1994 werd verbouwd en gerestaureerd. Het beslist dat "de deskundige dus uiteindelijk heeft kunnen vaststellen dat het litigieuze pand, in de loop van zijn bestaan, een aantal ingrijpende veranderingen heeft doorgemaakt wat geleid heeft tot een predispositie voor bewegingen, spleten en barsten, die in het metselwerk van het gebouw zijn opgetreden" en dat "derhalve niet op ernstige gronden kan worden betwist dat verbouwingen zoals die van het litigieuze pand leiden tot een aanzienlijke herver-deling van de belasting, zowel in het gebouw zelf als in de funderingsondergrond, ‘die gekenmerkt wordt door gedragingen "die scheurvorming in de hand kunnen werken"'".

Het arrest leidt hieruit het volgende af:

"In dit stadium moet het bedrag worden bepaald van de rechtmatige en passende vergoeding die de [eerste] en de [tweede verweerster] aan de [eiseres] verschuldigd zijn tot herstel van het verstoorde evenwicht;

De vergoeding van de abnormale burenhinder staat niet gelijk aan het volledige herstel van de schade en betekent niet noodzakelijkerwijs, zoals de [eiseres] ten onrechte betoogt, dat het pand in zijn oorspronkelijke staat moet worden hersteld en dit uitsluitend op kosten van de bouwbedrijven;

Aangezien de partijen het eens zijn geworden over een vergoeding in tegenwaarde, moet bij het vaststellen van de vergoeding daarenboven rekening worden gehouden met de bijzondere vatbaarheid van het pand, waarop de deskundige de aandacht heeft gevestigd;

Uit de toelichting bij de bijzondere predispositie van het getroffen gebouw blijkt dat die predispositie ook aan de basis ligt van de vastgestelde gebreken;

Hoewel in de regel wordt aangenomen dat de bijzondere vatbaarheid van het getroffen gebouw de toepassing van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek niet uitsluit, moet niettemin daarmee rekening worden gehouden wanneer die vatbaarheid, net als de schadeveroorzakende feiten die aan de bouwbedrijven toe te rekenen zijn, ook een weerslag heeft op de schade zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; de aanleiding gevende factoren - de bouwwerkzaamheden - hadden met andere woorden geen dergelijke schade veroorzaakt indien het pand geen pre-dispositie voor scheurvorming had gehad;

Om de bijzondere vatbaarheid van het getroffen gebouw als oorzaak van de schade in aanmerking te kunnen nemen, hoeft die vatbaarheid niet voort te vloeien uit een constructiefout of een bewezen verklaarde fout die zou zijn begaan tijdens de renovatiewerkzaamheden in 1963 of in de periode van 1990 tot 1994;

Daartoe is noodzakelijk maar voldoende dat het pand een abnormale vatbaarheid vertoont; die vatbaarheid werd door de deskundige onderstreept; hierboven is erop gewezen dat het pand belangrijke structurele verbouwingen heeft ondergaan die een invloed hebben gehad op de stabiliteit van het pand, wat een herverdeling van de belasting tot gevolg heeft gehad, en dat op zijn beurt heeft geleid tot een ver-zakking van het gebouw en van de funderingen, die ondanks de opeenvolgende uitbreidingen en verhogingen niet zijn aangepast;

Die abnormale vatbaarheid heeft gevolgen, zowel voor het oorzakelijk verband, zoals hierboven is gezegd, als voor de vaststelling van de te vergoeden schadepos-ten (waarbij met name de gebreken die verband houden met de bouwgeschiedenis van het pand worden uitgesloten), zoals hierna zal worden gepreciseerd".

Het arrest beslist op grond van die redenen dat vijftig pct. van de door de eiseres aangevoerde schade te wijten was aan de abnormale vatbaarheid van het pand en dus niet vergoed kan worden. Het beslist daarenboven dat de eiseres niet kan worden vergoed voor de verrichte infrastructuurwerken, die bestonden in "de onderschoeiing" van verschillende gedeelten van het pand, alsook in "de plaatsing van een aaneengesloten stutconstructie rond de voorgevel", omdat "de bouwbedrijven de gebreken die verband houden met de bouwgeschiedenis van het pand niet dienen te vergoeden, aangezien die schadeposten hen in geen enkele hypothese kunnen worden verweten".

Grieven

1. Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht toe om op een normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.

Uit die bepaling volgt dat de eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de partijen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd is.

2. De rechtmatige en passende vergoeding die toegekend wordt aan de eigenaar die het slachtoffer is geworden van een abnormale burenhinder, heeft niet tot doel zijn schade volledig te vergoeden. De vergoedbare schade uit burenhinder bestaat in hetgeen de grenzen overschrijdt van de gewone ongemakken van het nabuurschap die de eigenaar moest dulden.

3. Krachtens de equivalentieleer kan de rechter een oorzakelijk verband tussen de abnormale burenhinder die hij vaststelt en de schade waarover de eigenaar klaagt pas uitsluiten wanneer hij vaststelt dat de schade, zonder die hinder, niettemin op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

4. De omstandigheid dat de abnormale vatbaarheid van het pand van het slachtoffer de schade mede heeft veroorzaakt, blijft dus zonder weerslag op de omvang van de verplichting om hem een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht te betalen.

De abnormale vatbaarheid van het pand kan maar een weerslag hebben op de omvang van de vergoedbare schade wanneer hetzij de schadelijke gevolgen zich in ieder geval zouden hebben voorgedaan, zelfs zonder abnormale burenhinder, hetzij die gevolgen de gewone ongemakken van het nabuurschap niet overtreffen.

5. Het arrest stelt, om de in de aanhef van het middel bedoelde redenen, vast dat het pand van de eiseres een abnormale vatbaarheid vertoonde, wat betekent dat het een predispositie voor scheurvorming heeft.

Het beslist dat, hoewel die bijzondere vatbaarheid de toepassing van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek niet uitsluit, "daarmee niettemin rekening moet worden gehouden wanneer die vatbaarheid, net als de schadeveroorzakende feiten die aan de bouwbedrijven toe te rekenen zijn, ook een weerslag heeft op de schade zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; de aanleiding gevende factoren - de bouwwerkzaamheden - hadden met andere woorden geen dergelijke schade veroorzaakt indien het pand geen predispositie voor scheurvorming had gehad". Het arrest leidt daaruit af dat "die abnormale vatbaarheid, zowel voor het oorzakelijk verband, zoals hierboven is gezegd, als voor de vaststelling van de te vergoeden schadeposten gevolgen heeft (waarbij met name de gebreken die verband houden met de bouwgeschiedenis van het pand worden uitgesloten), zoals hierna zal worden gepreciseerd», stelt het gedeelte van de schade dat te wijten is aan de abnormale vatbaarheid van het pand vast op vijftig pct., waarvoor de eiseres bijgevolg geen vergoeding kan eisen, en sluit ook de schadeposten die te wijten zijn aan de bouwgeschiedenis van het pand van vergoeding uit.

6. Het arrest beslist zodoende onwettig dat de abnormale vatbaarheid van het pand van de eiseres een weerslag kan hebben op de omvang van de rechtmatige en passende vergoeding die de verweerders haar verschuldigd zijn, en

a) sluit het bestaan uit van een oorzakelijk verband tussen de aan de verweersters toe te rekenen abnormale burenhinder en een gedeelte van de door de eiseres aangevoerde schade, alleen op grond van de vaststelling dat die hinder, zonder de abnormale vatbaarheid van het pand, niet even veel schade tot gevolg had gehad, terwijl het arrest zulks alleen wettig had kunnen beslissen indien het had vastgesteld dat het gedeelte van de schade van de eiseres dat het weigert te vergoeden, zelfs zonder de hinder die aan de verweersters toe te rekenen is, niettemin op dezelfde wijze zou zijn ontstaan; met andere woorden, de vaststelling dat de abnormale vatbaarheid van het pand een invloed heeft gehad op de omvang van een gedeelte van de schade, verantwoordt op zich niet naar recht de beslissing om het oorzakelijk verband tussen de aan de verweersters toe te rekenen burenhinder en de gehele schade van de eiseres uit te sluiten;

b) weigert onwettig een gedeelte van de schade van de eiseres te vergoeden, zonder vast te stellen dat het gedeelte van de schade dat het weigert te vergoeden de gewone ongemakken van het nabuurschap die de eigenaar moet dulden, overtreft.

Het arrest schendt zodoende artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt de vordering van de eiseres tot terugbetaling van de kosten van haar technisch raadsman, om de volgende redenen:

"De [eiseres] vordert, op grond van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 sep-tember 2004, de terugbetaling van de kosten van haar technisch raadsman die zij zowel tijdens als na het deskundigenonderzoek heeft gedragen; de [eerste verweerster] en de [tweede verweerster] betwisten terecht die schadepost, die niet kan worden opgenomen in de rechtmatige en passende vergoeding die verschuldigd is op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek; de arresten die het Hof van Cassatie heeft uitgesproken, zowel in aangelegenheden betreffende overeenkomsten als in die betreffende oneigenlijke misdrijven, erkennen slechts het recht op de verhaalbaarheid van de kosten van een technisch raadsman voor zover ze het noodzakelijk gevolg zijn van de fout - een fout die te dezen niet is bewezen (vgl. Cass. 16 november 2006, Pas., 2006, p. 2372)".

Grieven

1. Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht toe om op een normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.

Uit die bepaling volgt dat de eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de partijen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd is.

2. De rechtmatige en passende vergoeding die toegekend wordt aan de eigenaar die het slachtoffer is geworden van een abnormale burenhinder, heeft niet tot doel zijn schade volledig te vergoeden. De vergoedbare schade uit burenhinder bestaat in hetgeen de grenzen overschrijdt van de gewone ongemakken van het nabuurschap die de eigenaar moest dulden.

3. Krachtens de equivalentieleer kan de rechter een oorzakelijk verband tussen de abnormale burenhinder die hij vaststelt en de schade waarover de eigenaar klaagt pas uitsluiten wanneer hij vaststelt dat de schade, zonder die hinder, niettemin op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

4. De honoraria en kosten van een technisch raadsman die gedragen zijn door het slachtoffer van een abnormale burenhinder, kunnen bijgevolg een te vergoeden bestanddeel van zijn schade vormen, voor zover ze zijn veroorzaakt door die ab-normale burenhinder en voor zover ze de gewone ongemakken van het nabuurschap die de eigenaar moet dulden, overtreffen.

De omstandigheid dat de veroorzakers van de burenhinder geen enkele fout hebben begaan, doet in dat verband niet ter zake.

5. Het arrest sluit, om de in de aanhef van het middel weergegeven redenen, on-wettig uit dat de kosten die de eiseres, slachtoffer van abnormale burenhinder, voor haar technisch raadsman heeft gedragen, deel uitmaken van de te vergoeden schade waarvoor een rechtmatige en passende vergoeding kan worden toegekend, op grond dat de verweersters geen enkele fout hebben begaan, zonder dat het evenwel vaststelt (i) dat die schade, zonder die abnormale burenhinder, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan, en evenmin dat (ii) die schade deel zou uitmaken van de gewone ongemakken van het nabuurschap die een eigenaar moet dulden.

Het schendt bijgevolg artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

De door de tweede verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang:

De eiseres heeft in haar aanvullende en syntheseconclusies met ultieme weder-antwoorden aangevoerd dat niet was aangetoond dat haar pand een abnormale vatbaarheid vertoonde of een predispositie voor gebreken had en vroeg het hof van beroep om haar het bedrag dat zij vorderde in zijn geheel toe te kennen.

Het arrest, dat erop wijst dat de abnormale vatbaarheid van het pand door de des-kundige is onderstreept en dat de weerslag van die vatbaarheid op de vastgestelde gebreken vaststelt op vijftig pct., verwerpt vervolgens de vordering tot veroorde-ling van de verweersters tot betaling van het gehele gevorderde bedrag en bena-deelt zodoende de eiseres die, bijgevolg, belang erbij heeft op die beslissing kritiek uit te oefenen.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Artikel 544 Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht toe om op een normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.

De eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedra-ging het evenwicht tussen de partijen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, is een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd.

De abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar heeft slechts een weerslag op de rechtmatige en passende vergoeding, wanneer de feitenrechter vaststelt dat zonder de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker van de hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, die schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze in concreto is ontstaan.

Het arrest stelt vast dat "de deskundige tijdens zijn vaststellingen van 4 mei en 25 augustus 1995 gewezen heeft op scheuren over de hele lengte van de cementlaag van de westelijke gevel [van het pand van de eiseres]", dat "de twee verslagen van het gerechtelijk deskundigenonderzoek vermelden dat het pand van [de eiseres] wegens de doorgevoerde verbouwingen vatbaar bleek voor scheurvorming [...], wat heeft geleid tot een aanzienlijke herverdeling van de belasting, zowel in het gebouw zelf als in de funderingsondergrond", dat "de aldus ontstane spanningen, volgens de deskundige, kunnen vrijkomen door herhaalde schokken en trillingen die zelf aan de basis liggen van die vrijkomende spanningen", dat "de trillingen die zijn veroorzaakt door de graafwerken op de bouwplaatsen, [...] een factor zijn die [aan de basis liggen van de vastgestelde scheurvorming]", dat "een andere oorzaak van de gebreken, volgens de deskundige, bestond in de uitdrogingskrimp van de gevelcementering, die werd aangebracht [...] door de naamloze vennootschap H.", "wat ‘bepaalde barsten en haarscheuren' verklaart", dat "de deskundige het aandeel van de verschillende factoren als volgt heeft bepaald: de uitdrogingskrimp en de onjuiste cementatie van de gevels: tien pct.; [...] het probleem van de trillingen: zestig pct.; [...] de bouwgeschiedenis van het pand, de bouwwijze en de uitbreidings- en verhogingswerkzaamheden: dertig pct.".

Het arrest beslist, enerzijds, dat "een gedeelte van de vastgestelde gebreken [tien pct.] is veroorzaakt door de uitdrogingskrimp en bijgevolg geen oorzakelijk ver-band vertoont met de door [de verweersters] uitgevoerde werkzaamheden", en dat "de scheurvorming, met andere woorden, tot beloop van tien pct. zou zijn op-getreden, in weerwil van de door [verweerders] uitgevoerde werkzaamheden", en anderzijds, dat "de werkzaamheden op de twee bouwterreinen dus spanningen hebben doen vrijkomen en bepaalde gebreken hebben veroorzaakt, zodat het oor-zakelijk verband tussen die trillingen en een gedeelte van de schade bewezen is" en dat "de schade, of tenminste een gedeelte daarvan, zonder de graafwerken op de twee bouwplaatsen niet op dezelfde wijze of althans slechts gedeeltelijk zou zijn ontstaan".

Het arrest wijst erop dat "naar genoegen van recht is aangetoond dat de gebreken, te weten de scheurvorming, op zijn minst gedeeltelijk aan de bouwbedrijven toe te rekenen zijn en dat ze in oorzakelijk verband staan met die gebreken en een gedeelte van de schade", dat "de gebreken [...] die verband houden met de uit-voering van de werkzaamheden op de bouwterreinen een abnormale burenhinder vormen", dat "het fenomeen van de scheurvorming, dat gedeeltelijk is veroorzaakt door de werkzaamheden van de bouwbedrijven, het vroegere evenwicht heeft ver-stoord door ongemakken te veroorzaken die de gewone ongemakken van het nabuurschap, die veroorzaakt worden door een bouwterrein en die een buur in normale omstandigheden moet dulden, overtreffen" en dat "[de eiseres] naar genoegen van recht aantoont dat de bouwers aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek".

Bij het vaststellen van "het bedrag van de rechtmatige en passende vergoeding die de [verweersters] aan de [eiseres] tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd zijn", beslist het arrest dat "rekening moet worden gehouden met de bijzondere vatbaarheid van het pand", waarbij "de bijzondere predispositie van het gebouw ook aan de basis ligt van de vastgestelde gebreken", dat ze, immers, "net als de schadeveroorzakende feiten die aan de bouwbedrijven toe te rekenen zijn, een weerslag hebben gehad op de schade zoals deze in concreto is ontstaan", dat "de aanleiding gevende factoren, met name de bouwwerkzaamheden, met an-dere woorden geen schade van een dergelijke omvang hadden veroorzaakt indien het pand geen predispositie voor scheurvorming had gehad" en dat "die vatbaar-heid gevolgen heeft, zowel voor het oorzakelijk verband [...] als voor de vaststel-ling van de te herstellen schadeposten, waarbij met name de gebreken die verband houden met de bouwgeschiedenis van het pand uitgesloten worden".

Bij "het onderzoek van de juistheid van de door de deskundige in aanmerking ge-nomen wegingen", beslist het arrest dat "er geen grond bestaat [...] om af te wij-ken van het deskundigenverslag voor wat het aandeel van ‘de uitdrogingskrimp' betreft, maar dat ‘het aandeel van (de trillingen die veroorzaakt zijn door de in-frastructuurwerken) ex aequo et bono moeten worden vastgesteld op 40 pct.".

Het arrest beslist dat "de rechtmatige en passende vergoeding [...] beperkt wordt door zowel de hierboven in aanmerking genomen wegingen als door de middelen die de door de bouwwerkzaamheden veroorzaakte gebreken moeten verhelpen" en dat de bouwers, wat betreft de "middelen die de schade ten gevolge van de predispositie van het getroffen gebouw moeten verhelpen", "de gebreken die ver-band houden met de bouwgeschiedenis van het pand niet dienen te vergoe-den [...], zodat zij [de onderschoeiing en de plaatsing van een aaneengesloten stutconstructie rond de voorgevel] niet dienen te vergoeden".

Het arrest, dat niet vaststelt dat het fenomeen van de gedeeltelijke scheuring van de voorgevel van het pand van de eiseres, zonder de trillingen die waren veroor-zaakt door de graafwerken van de verweersters op de bouwterreinen, die, volgens het hof van beroep, aan de basis lagen van een gedeelte van de gebreken, zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zoals ze in concreto is ontstaan, verant-woordt niet naar recht zijn beslissing volgens welke de abnormale vatbaarheid van het pand, die is vastgesteld op vijftig pct. van de gebreken, gevolgen heeft voor zowel het oorzakelijk verband als voor de vaststelling van de te vergoeden scha-deposten, waarvan de gebreken die verband houden met de bouwgeschiedenis van het pand uitgesloten worden.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

De honoraria en kosten van een technisch raadsman, die zijn gedragen door het slachtoffer van een abnormale burenhinder, kunnen een te vergoeden bestanddeel van zijn schade vormen, voor zover ze door die hinder zijn veroorzaakt en het noodzakelijk gevolg daarvan zijn.

Het arrest, dat de terugbetaling van de door de eiseres gevorderde kosten van haar technisch raadsman weigert toe te kennen, op grond dat de arresten die het Hof gewezen heeft, "zowel in aangelegenheden betreffende overeenkomsten als in die betreffende oneigenlijke misdrijven, slechts het recht op de verhaalbaarheid van de kosten van een technisch raadsman erkennen voor zover ze het noodzakelijk gevolg zijn van de fout - een fout die te dezen niet is bewezen", verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de hogere beroepen ontvan-kelijk verklaart, de vordering van de eiseres niet-gegrond verklaart, in zoverre ze was ingesteld op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, en de verweersters aansprakelijk verklaart op grond van artikel 544 van dat wetboek.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 15 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beslissing die overeenstemt met de conclusie van de eiser