- Arrest van 15 november 2013

15/11/2013 - C.12.0291.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij die gegrond is op een subjectief recht (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0291.F

M. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 juni 2011.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 7 oktober 2013 ter griffie een con-clusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 5, 7 en 10 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten;

- artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 144 en 159 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 5, 6, § 1, en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt voor recht dat de eerste rechter en het hof van beroep niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de vorderingen van de eiseres en veroordeelt haar in de kosten, op grond dat "de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde be-voegd zijn om kennis te nemen van de vorderingen die voor hen worden ingesteld met het oog op de vrijwaring van een subjectief recht van de burger ten aanzien van de administratieve overheid en de rechter in kort geding mengt zich niet in de bevoegdheden van de uitvoerende macht wanneer hij bij voorraad uitspraak doet in een geval dat hij spoedeisend acht en zich bevoegd verklaart om, binnen de grenzen van zijn opdracht, de administratieve overheid de nodige maatregelen en, met name, de vereiste bevelen te doen uitvaardigen teneinde de aantasting van subjectieve rechten waaraan de voormelde overheid zich schuldig zou hebben gemaakt en die door de hoven en rechtbanken gevrijwaard moeten worden, te voorkomen en te doen ophouden.

De burger heeft een subjectief recht ten aanzien van de administratieve overheid wanneer hij van haar kan eisen dat zij een welbepaalde verplichting naleeft.

De wet van 17 mei 2006 geeft (de eiseres) te dezen (...) niet het subjectieve recht om (de verweerder) te verplichten haar de uitgaansvergunning en het penitentiair verlof toe te kennen.

(...) [De artikelen 4 tot 11 van de wet van 17 mei 2006] bepalen in de regel wat volgt:

- de veroordeelde kan een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof alleen verkrijgen indien er geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet kan tege-moetkomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, waarbij die tegen-aanwijzingen betrekking hebben op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten;

- de bevoegde minister beoordeelt discretionair het bestaan van dergelijke tegenaanwijzingen;

- zijn beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan;

- in voorkomend geval verbindt de minister of zijn gemachtigde aan die beslissing daarenboven bijzondere voorwaarden om de tegenaanwijzingen of de mogelijke risico's tegen te gaan en hij kan die bijzondere voorwaarden achteraf aanpassen;

- in voorkomend geval kan de minister of zijn gemachtigde zich daarenboven elk kwartaal verzetten tegen de automatische hernieuwing van het penitentiair verlof.

De minister of zijn gemachtigde beschikt dus over een discretionaire bevoegdheid om niet alleen de mogelijke tegenaanwijzingen voor een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof maar ook de voorwaarden voor de uitvoering en de periodiciteit van de maatregel te beoordelen.

De voormelde wetsbepalingen geven (de eiseres) dus niet het subjectieve recht om de minister of zijn gemachtigde te verplichten haar de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen.

(...) Artikel 10, § 4, van de wet van 17 mei 2006, zoals (de eiseres) aanvoert, bepaalt inderdaad dat de minister, bij gebrek aan een beslissing ‘binnen de bepaalde termijn', dat wil zeggen binnen veertien dagen na de ontvangst van het dossier (artikel 10, § 2), ‘wordt geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, heeft voorgesteld'.

(De eiseres) blijkt daarenboven een beroep op artikel 159 van de Grondwet en op het algemeen wettelijkheidsbeginsel te mogen doen teneinde de geldigheid van de desbetreffende beslissingen te betwisten aangezien, enerzijds, noch de bijzondere ernst van de feiten, noch het feit dat een therapeutische behandeling binnen de ge-vangenis mogelijk is, noch de mogelijke weerslag van ‘de verslaggeving in de media over een uitstap' op de slachtoffers - zoals dat in de bestreden beslissingen is aangevoerd - tegenaanwijzingen blijken te zijn zoals ze in de bovenvermelde bepalingen zijn bepaald, en, anderzijds, die beslissingen niet verduidelijken waarom er een reëel risico zou bestaan dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van haar straf zou onttrekken of dat zij tijdens het penitentiair verlof opnieuw ernstige strafbare feiten zou plegen en niet onderzoeken of de door de gevangenisdirecteur voorgestelde voorwaarden dat risico kunnen afwenden.

De kennelijke onwettigheid van die beslissingen, die niet via een beroep tot nietigverklaring is opgeworpen, tast echter noch hun bestaan noch hun teneur - een weigering - aan en kan niet aan de basis liggen van het vermoeden dat de minister of zijn gemachtigde de litigieuze uitgaansvergunning en het litigieuze penitentiair verlof zou hebben toegekend, wat wel het geval was geweest indien hij geen beslissing had genomen (vgl. Cass., 29 juni 1999, naar luid waarvan ‘de niet bij wijze van annulatieberoep opgeworpen onwettigheid wegens laattijdige kennisgeving van de beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep, het bestaan van deze beslissing niet aantast noch tot een stilzwijgende milieuvergunning bij toepassing van artikel 25, § 1, Milieuvergunningsdecreet leidt').

Artikel 10, § 4, is bijgevolg niet van toepassing in deze zaak.

Uit de voorgaande redenen volgt dat de eerste rechter zich onbevoegd had moeten verklaren om kennis te nemen van de oorspronkelijke vorderingen, daar het bevel dat hij, op grond van de verplichting (van de verweerder) om zijn beslissingen met passende redenen te omkleden, (aan laatstgenoemde) heeft gegeven om nieuwe beslissingen te nemen die passend met redenen omkleed zouden zijn, geen verband houden met het voorwerp van die vorderingen".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Krachtens die bepaling is de rechterlijke macht bevoegd om een onregelmatige aantasting van een subjectief recht door de administratie zowel te voorkomen als te herstellen.

Krachtens de artikelen 5 en 7 van de wet van 17 mei 2006 worden de uitgaansver-gunning en het penitentiair verlof toegekend op voorwaarde dat er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet kan tegemoetkomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Hieruit kan worden afgeleid dat de veroordeelde recht heeft op de uitgaansver-gunning en op het penitentiair verlof indien er geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet kan tegemoetkomen door het opleggen van bijzondere voor-waarden, zodat het arrest, dat zich onbevoegd verklaart om van de vordering ken-nis te nemen, de artikelen 144 van de Grondwet schendt, alsook de artikelen 584 van het Gerechtelijk Wetboek, 5 en 7 van de wet van 17 mei 2006 en, derhalve, artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, krachtens hetwelk niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd, behalve in de in die Verdragsbepaling bedoelde gevallen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Luidens artikel 144 Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij die ge-grond is op een subjectief recht.

Het bestaan van een dergelijk recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft.

Een partij kan zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid enkel op een dergelijk recht beroepen als de bevoegdheid van die overheid gebonden is.

2. Luidens artikel 5 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechts-positie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toege-kende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten wordt de uitgaans-vergunning toegekend op voorwaarde dat: 1° de veroordeelde zich in de tijds-voorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, § 2 en 3; 2° er in hoofde van de ver-oordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige straf-bare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten; 3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kun-nen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.

Artikel 7 van dezelfde wet bepaalt dat het penitentiair verlof wordt toegekend aan elke veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten; 2° er bestaan in hoofde van de veroor-deelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou ont-trekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten; 3° de veroor-deelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.

3. Uit die vermeldingen volgt dat de minister van Justitie of zijn gemachtigde, wanneer alle bij wet bepaalde voorwaarden vervuld zijn, de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof moet toekennen aan de veroordeelde die daarom verzoekt.

De omstandigheid dat een van de voorwaarden de minister of zijn gemachtigde verplicht te beoordelen of er in hoofde van de veroordeelde geen bij wet bepaalde tegenaanwijzingen bestaan en, zo ja, of er bijzondere voorwaarden bestaan die daaraan kunnen tegemoetkomen, verleent de minister geen discretionaire be-voegdheid om het verzoek te weigeren.

De bevoegdheid van de overheid die kennisneemt van een verzoek om een uit-gaansvergunning of een penitentiair verlof, is derhalve gebonden.

4. Het arrest, dat erop wijst dat de wet van 17 mei 2006 "(de eiseres) niet het subjectieve recht geven om de minister of zijn gemachtigde te verplichten haar de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen", verantwoordt der-halve niet naar recht zijn beslissing waarbij het de eerste rechter en het hof van be-roep onbevoegd verklaart om van de door de eiseres ingestelde vorderingen kennis te nemen.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoofdberoep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzit-ting van 15 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechterlijke macht

  • Bevoegdheid