- Arrest van 18 november 2013

18/11/2013 - S.12.0008.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 2, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector afgesloten in de paritaire commissie voor de banken, bindend verklaard bij KB van 19 maart 2008, art. 2, §2, dat de werkzekerheid betreft van de werknemer op wie het van toepassing is, schrijft voor dat de uitnodiging van de werknemer tot het onderhoud de beslissing van de werkgever tot ontslag moet voorafgaan; het volstaat niet dat zij geschiedt vóór het ontslag aangezien zij de handeling is waardoor de werkgever aan de werknemer ter kennis brengt dat hij de arbeidsovereenkomst wil beëindigen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0008.N

FORTIS BANK nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. V. E.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 8 december 2010.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 9 oktober 2013 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit;

- artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit;

- artikel 32, 3°, van de wet van 3 juli 1078 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en het hoofdberoep gegrond in zoverre het opkomt tegen de beslissing inzake de forfaitaire vergoeding die is opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007. Het wijzigt het vonnis van de arbeidsrechtbank en verklaart, opnieuw rechtdoende, de vordering tot forfaitaire vergoeding gegrond en veroordeelt de eiseres tot het betalen, aan de verweerder, van het brutobedrag van 53.506,33 euro, te verminderen met de verplichte sociale en fiscale inhoudingen en vermeerderd met de interest berekend op het brutobedrag tegen de wettelijke interestvoet sinds 27 september 2007. Inzake de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos geding, verklaart het arrest het incidenteel beroep ongegrond en wijst het de vordering van de eiseres af. Het veroordeelt de eiseres om 5.141,87 euro aan de verweerder te betalen voor de kosten.

Het arrest stelt vast dat de eiseres en haar werknemers onder het paritair comité voor de banken vallen, dat de collectieve arbeidsovereenkomst houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten op 2 juli 2007 en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, enkele bepalingen bevat inzake het ontslag van een voor onbepaalde duur aangeworven werknemer wegens een disciplinaire tekortkoming of beroepsfout en dat de eiseres heeft besloten de verweerder te ontslaan wegens een beroepsfout in de zin van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst, en steunt vervolgens zijn beslissing inzake de vordering tot een forfaitaire schadevergoeding op de volgende overwegingen:

Artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 verplicht de werkgever de werknemer uit te nodigen om hem in te lichten over de redenen die de bank ertoe heeft geleid zijn ontslag te overwegen.

Opdat die bepaling haar nut zou kunnen opleveren, moet het onderhoud waartoe de werknemer wordt uitgenodigd, voorafgaan aan de beslissing tot ontslag. Het voorafgaande karakter van de uitnodiging en het onderhoud blijkt ook uit de bewoordingen van de overeenkomst: de uitnodiging is vereist wanneer de werkgever overweegt te ontslaan, wat veronderstelt dat de beslissing tot ontslag niet mag zijn genomen vooraleer de werknemer gehoord of ten minste uitgenodigd is. Die bepaling wil de werknemer de mogelijkheid bieden zich te verdedigen tegen de grieven die hem worden aangewreven, opdat de werkgever vervolgens met kennis van zaken kan overgaan tot de beslissing om al dan niet te ontslaan.

In dit geval heeft de eiseres op 25 september 2007 een e-mail verstuurd naar de raadsman van de verweerder die eindigt als volgt: 'rekening houdend met het mislukken van de professionele reclassering van de verweerder binnen de trading room , wat u expliciet in uw schrijven erkent, zien we geen andere uitweg dan een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst die de partijen bindt mits betaling van een opzeggingsvergoeding'.

Met dat schrijven heeft de eiseres ontegensprekelijk haar beslissing uitgedrukt om de verweerder te ontslaan, terwijl zij hem niet had uitgenodigd tot een voorafgaand onderhoud. Zij heeft hem slechts achteraf uitgenodigd, in haar schrijven van 26 september 2007. Die uitnodiging beantwoordt niet aan de voorschriften van de collectieve arbeidsovereenkomst doordat zij op een later tijdstip heeft plaatsgevonden dan de beslissing te ontslaan, terwijl de werknemer dient gehoord of ten minste uitgenodigd te worden vooraleer zulke beslissing genomen wordt.

De niet-naleving van de ontslagprocedure kan ten laste worden gelegd van de eiseres en niet van de verweerder. Het is immers de eiseres die de beslissing heeft genomen de verweerder te ontslaan alvorens hem uit te nodigen. De weigering van de verweerder om op die uitnodiging in te gaan is gewettigd aangezien het onderhoud geen voorwerp had daar de door de collectieve arbeidsovereenkomst beoogde doelstelling niet meer kon worden bereikt. Die weigering heeft hoe dan ook plaatsgevonden nadat de eiseres de ontslagprocedure had miskend."

Inzake de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos geding, laat het arrest zijn beslissing steunen op de hierna weergegeven overwe-gingen:

"De eiseres is van oordeel dat de vordering tot een forfaitaire schadevergoeding en het door de verweerder ingestelde hoger beroep op dit punt tergend of roekeloos zijn.

Aangezien het arbeidshof die vordering gegrond heeft verklaard, vertoont zij geen tergend of roekeloos karakter.

De vordering tot schadevergoeding is ongegrond".

Grieven

Artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, bepaalt dat er een collectieve arbeidsovereenkomst houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector voor onbepaalde duur zal worden afgesloten.

De collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 maart 2008, vormt de uitvoering van het voornoemde artikel 2 en bepaalt zelf in artikel 2:

"§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het principe van het werkgeversgezag en ten einde, naar gelang van de economische mogelijkheden van de ondernemingen, de stabiliteit van de arbeidskrachten te verzekeren, geschiedt een eventueel ontslag met inachtneming van de billijkheidsregels.

§ 2 - Indien de werkgever overweegt om een werknemer die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die zich niet meer in de proefperiode bevindt, te ontslaan wegens disciplinaire of professionele tekortkomingen, wordt deze werknemer uitgenodigd op een onderhoud dat binnen de 8 kalenderdagen na de uitnodiging plaats heeft.

De werknemer wordt ervan op de hoogte gebracht dat hij zich op dit onderhoud mag laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van zijn keuze. Tijdens dit onderhoud wordt de werknemer ingelicht over de redenen die de werkgever ertoe hebben geleid een ontslag te overwegen.

§ 3 - Bij niet naleving van de procedure voorzien in § 2 door toedoen van de werkgever, is deze verplicht, aan de ontslagen werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en met minstens een jaar anciënniteit, een forfaitaire vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon van zes maanden, en dit onverminderd de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Deze vergoeding is niet cumuleerbaar met de vergoedingen bepaald in de artikelen 16 tot 18 van de wet van 19 maart 1991 [...] of met de vergoeding verschuldigd in geval van ontslag van een vakbondsafgevaardigde of een preventieadviseur, of enige andere vergoeding of schadeloosstelling die op bedrijfsniveau bij individuele of collectieve overeenkomst aan de betrokken werknemers zou worden toegekend.

§ 4 - De bepalingen van § 2 en § 3 zijn niet van toepassing indien het ontslag geschiedt om dringende reden zoals bedoeld in art. 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Zij zijn ook niet van toepassing in de bedrijven waar reeds dergelijke procedures bestaan, en die gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van § 2 en § 3."

Die collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dus dat de werknemer die is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die zich niet meer in de proefperiode bevindt, moet worden uitgenodigd op een onderhoud, dat binnen 8 kalenderdagen na de uitnodiging plaats heeft, zo de werkgever hem wil ontslaan wegens disciplinaire of professionele tekortkomingen.

De opzegging in de zin van artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet is de handeling waarbij een der partijen de andere op de hoogte stelt van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen of, met andere woorden, de handeling waarbij een partij bij de voor onbepaalde duur afgesloten arbeidsovereenkomst, aan de andere partij te kennen geeft dat zij de overeenkomst wil beëindigen.

Hoewel geen enkele wetsbepaling de geldigheid van de opzegging of van het ontslag aan bepaalde vormvereisten onderwerpt, is de opzegging een wilsuiting tegenover de andere partij. De opzegging waartoe de werkgever overgaat, vergt in beginsel een kennisgeving of een mededeling vanwege de werkgever aan de werknemer in persona, wil zij uitwerking hebben.

De wil om een overeenkomst te beëindigen gaat uiteraard vooraf aan de mededeling of die wilsuiting om de overeenkomst te beëindigen.

De werkgever die een werknemer onder de voorwaarden van die collectieve arbeidsovereenkomst wil ontslaan, moet bijgevolg een voorafgaand onderhoud met laatstgenoemde organiseren.

Het onderhoud en de uitnodiging tot dat onderhoud moeten voorafgaan aan het ontslag, maar niet aan het ogenblik waarop bij de werkgever de wil ontstaat om de overeenkomst te beëindigen.

Te dezen stelt het arrest vast dat de eiseres op 25 september 2007 een fax had gestuurd naar de raadsman van de verweerder, in antwoord op een brief van 20 september 2007 waarin de raadsman van de verweerder had gesteld dat de situatie waarin zijn cliënt zich bevond onduldbaar was en de eiseres had verzocht haar verantwoordelijkheden op te nemen, hetzij door een juist gevolg te geven aan het feit dat zij niet meer in staat was hem de overeengekomen arbeid te laten verrichten, hetzij door hem opnieuw te laten genieten van de aan zijn functie verbonden voorrechten.

Het arrest dat die fax grotendeels citeert, stelt vast dat de eiseres de fax van 25 september 2007 als volgt afsloot: "rekening houdend met het mislukken van de professionele reclassering van [de verweerder] binnen de trading room, wat u expliciet in uw schrijven erkent, zien we geen andere uitweg dan een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst die de partijen verbindt mits betaling van een opzeggingsvergoeding".

De fax van de werkgever aan de raadsman van de bediende, waarin de werkgever stelt dat hij geen andere uitweg ziet dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen, kan niet worden aangezien als de uiting tegenover de werknemer van de wil om de overeenkomst te beëindigen en maakt bijgevolg geen opzegging of ontslag uit, tenzij vastgesteld wordt dat de werknemer op geldige wijze de opdracht heeft gegeven aan een derde, te dezen zijn advocaat, om de opzegging te ontvangen, hetgeen het arbeidshof niet vaststelt.

Het arrest stelt vast dat de eiseres, nadat zij de fax van 25 september 2007 aan de raadsman van de verweerder had toegestuurd, een brief heeft gericht aan de verweerder op 26 september 2007 waarin zij haar bedoeling de arbeidsovereenkomst te beëindigen kenbaar maakt en de verweerder uitnodigt tot een onderhoud tijdens hetwelk hij op de hoogte zou worden gebracht van de redenen die de bank ertoe hebben geleid zijn ontslag te overwegen, met dien verstande dat hij zich mocht laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van zijn keuze.

Het arrest heeft bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de beslissing van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, waarvan de werknemer nog niet op de hoogte was, moest voorafgegaan worden door de uitnodiging tot een onderhoud met de werknemer, noch dat de oproep per brief van 26 september 2007 niet beantwoordt aan de vereisten van de collectieve overeenkomst van 2 juli 2007 "doordat zij op een later tijdstip heeft plaatsgevonden dan de beslissing tot ontslag", noch dat "de weigering van de verweerder om op die uitnodiging in te gaan gewettigd is aangezien het onderhoud geen voorwerp meer had daar de door de collectieve arbeidsovereenkomst beoogde doelstelling niet meer kon worden bereikt".

Het arrest kon bijgevolg niet wettig de eiseres veroordelen tot het betalen van de vergoeding, vastgesteld in het derde lid van artikel 2 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, noch de tegenvordering op grond daarvan verwerpen.

Zodoende schendt het arrest artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen bindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit en artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit.

In de mate dat het arrest beslist zou hebben dat de fax van 25 september 2007 van de eiseres aan de raadsman van de verweerder waarin zij aankondigde dat zij, gelet op de omstandigheden van de zaak, geen andere uitweg zag dan een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst die de eiseres en de verweerder verbindt, een ontslag vormde, miskent het arrest het wettelijk begrip ontslag bedoeld in artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Minstens schendt het de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, door aan de fax van 25 september 2007 een draagwijdte te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan aangezien in die fax geen sprake is van het ontslag van de verweerder.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit;

- artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, en voor zoveel nodig, artikel 1 van dat koninklijk besluit.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en het hoofdberoep gegrond in zoverre het opkomt tegen de beslissing inzake de forfaitaire vergoeding die is opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007. Het wijzigt het vonnis van de arbeidsrechtbank en verklaart, opnieuw rechtdoende, de vordering tot forfaitaire vergoeding gegrond en veroordeelt de eiseres tot het betalen, aan de verweerder, van het brutobedrag van 53.506,33 euro, te verminderen met de verplichte sociale en fiscale inhoudingen en vermeerderd met de interest berekend op het brutobedrag tegen de wettelijke interestvoet sinds 27 september 2007. Inzake de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos geding, verklaart het arrest het incidenteel beroep ongegrond en wijst het de vordering van de eiseres af. Het veroordeelt de eiseres om 5.141,87 euro aan de verweerder te betalen voor de kosten.

Het arrest stelt vast dat de eiseres en haar werknemers onder het paritair comité voor de banken vallen, dat de collectieve arbeidsovereenkomst houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten op 2 juli 2007 en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, enkele bepalingen bevat inzake het ontslag van een voor onbepaalde duur aangeworven werknemer wegens een disciplinaire tekortkoming of beroepsfout en dat de eiseres heeft besloten de verweerder te ontslaan wegens een beroepsfout in de zin van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst, en steunt vervolgens zijn beslissing inzake de vordering tot een forfaitaire schadevergoeding op de volgende overwegingen:

"Aangezien de eiseres de verweerder ontslagen heeft zonder de procedure in acht te nemen die overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 aan het ontslag voorafgaat, is de forfaitaire vergoeding bepaald bij artikel 2, § 3, van arbeidsovereenkomst verschuldigd. De vergoeding is gelijk aan 'het lopend loon van zes maanden'.

De verweerder berekent de door hem gevorderde vergoeding op grond van 'het lopend loon' vermeerderd met de 'voordelen verkregen uit de overeenkomst' in de zin van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de Arbeidsovereenkomsten.

De eiseres betoogt, in ondergeschikte orde, dat de grondslag van de forfaitaire vergoeding beperkt is tot het vaste maandloon, hetzij 7.428,97 euro.

De collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 bepaalt niet wat onder 'lopend loon' dient te worden verstaan. Het arbeidshof refereert dus aan het algemene begrip 'loon' zoals verstaan wordt in het arbeidsrecht, te weten de ' tegenprestatie voor de in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid' (...).

Op grond van die definitie moet het zogeheten 'basis'loon in aanmerking worden genomen. De uit de arbeidsovereenkomst verkregen voordelen vormen mede de grondslag van de forfaitaire vergoeding wanneer zij een tegenprestatie voor de verrichte arbeid zijn maar dienen daarentegen daarvan te worden uitgesloten als ze geen tegenprestatie voor de verrichte arbeid zijn, zoals het vakantiegeld.

Te dezen moeten alle elementen die in aanmerking komen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding deel uitmaken van de forfaitaire vergoeding met uitzondering van het dubbel vakantiegeld. De grondslag van de forfaitaire vergoeding is dus 107.012,66 euro bruto (113.847,31 na aftrek van 6.834,65 euro).

De eiseres is de verweerder dus een forfaitaire vergoeding verschuldigd van 53.506,33 euro bruto.

Wat de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos geding betreft, laat het arrest zijn beslissing steunen op de volgende gronden:

"De eiseres is van oordeel dat de vordering tot een forfaitaire schadevergoeding en het door de verweerder ingestelde hoger beroep op dit punt tergend of roekeloos zijn.

Aangezien het arbeidshof die vordering gegrond heeft verklaard, vertoont zij geen tergend of roekeloos karakter.

De vordering tot schadevergoeding is ongegrond".

Grieven

Artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, bepaalt dat er een collectieve arbeidsovereenkomst houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector voor onbepaalde duur zal worden afgesloten.

Het arrest oordeelt terecht dat de werkgever, volgens artikel 2, § 3, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, bij niet-naleving van de voorgeschreven ontslagprocedure, verplicht is aan de ontslagen werknemer (met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en met minstens een jaar anciënniteit) een forfaitaire vergoeding te betalen "gelijk aan het lopend loon van zes maanden".

Het arrest dat oordeelt dat de verweerder recht had op die forfaitaire vergoeding, mocht zodoende niet refereren aan het algemene begrip "loon" zoals verstaan wordt in het arbeidsrecht, te weten de tegenprestatie voor de in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, terwijl de collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, bepaalt dat de vergoeding " gelijk is aan het lopend loon van zes maanden", en dat begrip niet dezelfde draagwijdte heeft als het algemeen begrip loon.

Het arrest mocht dus de eiseres niet veroordelen tot betaling van 53.506,33 euro bruto rekening houdend met alle elementen die in aanmerking komen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding (met name het basisloon, vermeerderd met de verworven voordelen uit de arbeidsovereenkomst voor zover zij de tegenprestatie van de verrichte arbeid vormen), en mocht ook niet de tegenvordering op grond daarvan verwerpen.

Bijgevolg schendt het arrest artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, en voor zoveel nodig artikel 1 van dat koninklijk besluit en artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 inzake werkgelegenheid, vorming en loonbeleid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 maart 2008, en voor zoveel nodig artikel 1 van dat koninklijk besluit.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het arrest oordeelt niet dat de telefax, waarvan het de verzending door de eiseres aan de raadsman van de verweerder op 25 september 2007 vaststelt, een ontslag vormde.

In zoverre het middel opkomt tegen die overweging, berust het op een onjuiste le-zing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Krachtens artikel 2, § 2, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector, afgesloten in het paritair comité voor de banken, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 maart 2008, wordt die werknemer, zo de werkgever hem wil ont-slaan wegens disciplinaire of professionele tekortkomingen, uitgenodigd op een onderhoud tijdens hetwelk hij wordt ingelicht over de redenen die de werkgever ertoe hebben geleid zijn ontslag te overwegen.

Het voornoemde artikel 2, § 2, dat beoogt de werkzekerheid te verzekeren van de werknemer op wie het van toepassing is, schrijft voor dat de uitnodiging van de werknemer tot het onderhoud de beslissing van de werkgever tot ontslag moet voorafgaan. Het volstaat niet dat zij geschiedt vóór het ontslag aangezien dit de handeling is waardoor de werkgever de werknemer ter kennis brengt dat hij de ar-beidsovereenkomst wil beëindigen.

In zoverre het middel voor het overige uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Tweede middel

Artikel 2, § 3, van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst schrijft voor dat bij niet-naleving van de procedure bepaald in paragraaf 2, door toedoen van de werkgever, deze verplicht is aan de ontslagen werknemers bedoeld in de derde paragraaf, een forfaitaire vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon van zes maanden.

Onder het lopend loon, in de zin van die bepaling, wordt het loon verstaan dat verschuldigd is als tegenprestatie voor de arbeid in uitvoering van de arbeidsover-eenkomst.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Banksector

  • Loontrekkende

  • Beslissing tot ontslag

  • Voorwaarde

  • Voorafgaand onderhoud

  • Begrip

  • Ogenblik waarop het onderhoud moet plaatsvinden