- Arrest van 18 november 2013

18/11/2013 - S.12.0070.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter, die vaststelt dat een persoon met een handicap zijn hoofdverblijfplaats heeft op hetzelfde adres als een derde persoon die geen bloed- of aanverwant is in de eerste, tweede of derde graad, schendt artikel 7, §3, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, wanneer hij beslist dat die persoon met een handicap geen huishouden vormt in de zin van de artikelen 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, en 7, §1, van de voornoemde wet, op grond dat hij daarvan geen bewijs levert (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0070.F

A.V.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Za-ken en Volksgezondheid,

2. BELGISCHE STAAT , vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor So-ciale Zaken, Gezinnen, Personen met een handicap en Wetenschapsbeleid, be-last met Beroepsrisico's,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 7 maart 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 9 oktober 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 7, inzonderheid § 1 en § 3, inzonderheid eerste en tweede lid, wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, zoals gewijzigd bij artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004, in werking getreden op 1 juli 2004;

- artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, zoals gewijzigd bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming, in werking getreden op 1 juli 2003, en zoals bovendien gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 september 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoet-koming, in werking getreden op 1 juli 2004.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft erop gewezen dat "de eiseres, in de hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder over de goederen van mevrouw G., aanvankelijk een administratieve beslissing heeft betwist van 25 november 2008, (inzake het toekennen van uitkeringen aan personen met een handicap) waarin het bedrag van de integratietegemoetkoming die met ingang van 1 november 1985 was toegekend wegens een 'verandering in de samenstelling van het gezin' ambtshalve wordt herzien; dat mevrouw G. voortaan in categorie A werd ondergebracht op grond dat zij samenwoonde met een dame die geen bloed- of aanverwant was; dat de eiseres eveneens een beslissing van 24 december 2008 betwistte waarbij kennisgeving werd gedaan van het onverschuldigd genoten bedrag over de periode van november 2005 tot november 2008 ; dat het vonnis van de eerste rechter van 7 mei 2010 de bestuurlijke beslissingen van de administratie in hoger beroep over de grond van de zaak (...) heeft bevestigd, en dat zij meent dat zij behoort tot categorie B (personen die alleen wonen) of eventueel tot categorie C (huishouden)". Het arrest "verklaart het hoger beroep vervolgens ontvankelijk maar niet-gegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter" in zoverre het de vordering van de eiseres tot vernietiging van de bestuurlijke beslissingen van 25 november 2008 en 24 december 2008 af-wijst.

Die beslissing steunt op de volgende overwegingen:

"Ten gronde: bedrag toepasselijk tot 1 juli 2010

Ten gronde en in feite kan niet worden betwist dat mevrouw G., geboren op 14 september 1951, sinds 12 december 2005 samenwoonde met een dame, A. P., geboren op 29 juli 1937, die geen bloed- of aanverwante is in de tweede graad.

De administratie heeft geoordeeld dat voornoemde personen geen huishouden vormden en heeft voor de berekening van de uitkeringen het bedrag van categorie A toegepast. Vaststaat dat de eiseres geen enkel document heeft voorgelegd ter bevestiging dat beide dames 'een gezamenlijke pot' hadden voor de belangrijkste lasten, afgezien van de vermelding van een gezamenlijk ondertekende huurovereenkomst waarvan men niet weet door wie de huur betaald werd.

Laten we eraan herinneren dat de uitkeringen aan de personen met een handicap ingevolge de wet van 24 december 2002 volgens drie categorieën werden vastgesteld: A (restcategorie), B (alleenwonenden), C (huishouden).

De oorspronkelijke definitie die in artikel 121 van de wet van 2002 is overgenomen (cf. artikel 121, § 3: 'onder ‘huishouden' moet worden verstaan elke samenwoning van personen die een economische entiteit vormen gewoon door het feit dat deze personen de dagelijkse kosten voor hun levensonderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen') werd door het Grondwettelijk Hof vernietigd en werd sedert 1 juli 2004 vervangen door de volgende definitie: 'onder "huishouden" moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad. Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap'.

Zoals het arbeidshof te Brussel in een arrest van 30 april 2009 heeft opgemerkt, kan het begrip 'huishouden' niettemin gedefinieerd worden als twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn, die onder hetzelfde dak leven en de huishoudelijke aangelegenheden gezamenlijk regelen, ook als zij niet als een paar leven, ofwel als twee personen die samen als paar onder hetzelfde dak leven. Zodoende heeft dat rechtscollege gewezen op de verschillende dimensies die concreet in aanmerking kunnen komen voor de solidariteit onder personen (binnen een paar, in familieverband of ten aanzien van een derde). Laten we erop wijzen dat als iemand het gezinstarief geniet, het bedrag van de uitkering groter is, maar dat de inkomsten van de 'samenwonende' dan afgetrokken worden.

In de zaak die voor het arbeidshof te Brussel hangende was, heeft het volgende arrest van 29 november 2010 geopteerd voor een 'economische' definitie van het begrip 'huishouden' (dus niet verwijzend naar een leven als paar), wat tot gevolg had dat een uitkering volgens categorie C werd toegekend, maar met aftrek van de inkomsten van de samenwonende.

Men zal vaststellen dat de administratie in dit dossier een standpunt inneemt dat tegengesteld is aan dat in het geschil voor het arbeidshof te Brussel: zo is zij in dit dossier ervan uitgegaan dat de personen die samen, maar niet als paar samenleven, een huishouden vormden.

Anderzijds hadden het arbeidshof te Brussel en de arbeidsrechtbank te Charleroi de zaak aanhangig gemaakt bij het Grondwettelijk Hof op grond dat er, welke definitie men ook aanneemt van het begrip 'huishouden', discriminatie kan zijn binnen de wetgeving zelf en ten aanzien van de integratietegemoetkoming .

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 10 november 2011 heeft geantwoord dat 'artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het verschillen in behandeling invoert onder personen met een handicap die samenleven met een persoon die inkomsten heeft, naargelang zij als paar, in familieverband of in een gemeenschap van twee of meer personen leven'.

Te dezen blijkt dat mevrouw G. wel samenwoonde met een dame die geen bloed- of aanverwante was zonder met haar een paar of een huishouden te vormen, zodat zij valt onder de uitkeringscategorie A waarbij geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de samenwonende.

Het is daarentegen niet verantwoord mevrouw G. een vergoeding als al-leenwonende toe te kennen op grond dat de uitkeringen voor gehandicapten vallen onder de zogeheten niet-retributieve sociale zekerheid, zodat het gerechtvaardigd is rekening te houden met de werkelijke toestand van de personen".

Grieven

Eerste onderdeel

1. In zijn arresten van 9 januari 1995 (A.C., nr. 13) en 3 maart 1997 (A.C., nr. 116) heeft het Hof van Cassatie erop gewezen dat de wetgeving en de regelgeving inzake uitkeringen voor gehandicapten van openbare orde zijn.

2. Het arrest beslist dat G. geen integratietegemoetkoming van categorie C kan genieten vanaf 1 november 2005, in wezen op grond dat de eiseres niet de documenten voorlegt die het bestaan van een huishouden in de economische zin van het woord aantonen.

Luidens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987 wordt onder de tegemoetkomingen die aan gehandicapte personen worden toegekend, de integratietegemoetkoming vermeld die wordt toegekend aan de persoon met een handicap die tussen 21 en 65 jaar oud is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

Artikel 7, § 1, van dezelfde wet bepaalt: "de in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder ‘inkomen' en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfred-zaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen."

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 heeft in toepassing van die bepaling de categorieën van gerechtigden op uitkeringen aan gehandicapte perso-nen opgesomd:

"Voor de toepassing van de wet moet worden verstaan onder :

1° categorie A : de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B, noch tot categorie C;

2° categorie B : de personen met een handicap die :

- ofwel alleen wonen;

- ofwel sedert ten minste drie maanden dag en nacht in een verzorgingsinstelling verblijven en voorheen niet tot categorie C behoorden;

3° categorie C : de personen met een handicap die :

- ofwel een huishouden vormen;

- ofwel één of meerdere kinderen ten laste hebben".

3. Het begrip huishouden wordt bepaald in artikel 7, § 3, eerste en tweede lid, van de wet van 27 februari 1987, gewijzigd bij artikel 157 van de programmawet van 9 juli 2004, in werking getreden op 1 juli 2004:

"Onder ‘huishouden' moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.

Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap."

Het door het voornoemde artikel 7, § 3, ingevoerde vermoeden van huishouden is van toepassing zodra twee personen, die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. De gehandicapte persoon kan in dat geval genieten van de integratiete-gemoetkoming voor categorie C. Als de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap de aanmerking 'huishouden' betwist, dan staat het aan haar het bewijs van het tegendeel te leveren.

4. Het arrest erkent dat "mevrouw G., geboren op 14 september 1951, sinds 12 december 2005 samengeleefd heeft met een dame A. P., geboren op 29 juli 1937, die geen bloed- of aanverwante is in de tweede graad", maar verwerpt het bestaan van een huishouden tussen die twee personen, op grond dat de eiseres geen enkel document heeft voorgelegd met de bevestiging dat beide dames 'een gezamenlijke pot' hadden voor de belangrijkste lasten".

Hoewel het arrest vaststelt dat de dames G. en P. hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hadden, beslist het aldus weliswaar dat mevrouw G. niet mag genieten van een uitkering aan personen met een handicap die van toepassing is op een gehandicapte persoon "die een huishouden vormt" (categorie C zoals vastgesteld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987), op grond dat de eiseres, voorlopig bewindvoerder over de goederen van de gehandicapte persoon, niet bewijst dat de gehandicapte persoon en de op hetzelfde adres gedomicilieerde dame een huishouden vormden in de economische zin van het woord. Het arrest dat zijn beslissing op die grond steunt, miskent bijgevolg het wettelijk vermoeden bepaald bij het tweede lid van artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 1987 (schending van artikel 7, § 3, inzonderheid eerste en tweede lid van de voornoemde wet, beoogd in de aanhef van het middel en voor zoveel nodig, alle, in de aanhef van het middel beoogde bepalingen, met uitzondering van de artikelen 1319, 1320 e, 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

In uitvoering van artikel 6, § 1, tweede lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten, bepaalt artikel 4, eerste lid, 1° en 3°, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 be-treffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetko-ming, dat de gehandicapte personen die een huishouden vormen tot categorie C behoren en dat zij die noch tot categorie B, noch tot categorie C behoren, onder categorie A vallen.

Overeenkomstig artikel 7, § 1, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten, kan de in-komensvervangende tegemoetkoming enkel worden toegekend indien het inko-men van de persoon met een handicap en dat van de persoon met wie hij een huis-houden vormt, een zeker bedrag overschrijdt.

Artikel 7, § 3, eerste lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten definieert het be-grip "huishouden" als elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad. Krachtens het tweede lid, wordt het bestaan van een "huishouden" vermoed wanneer ten minste twee per-sonen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben; het tegenbewijs kan met alle moge-lijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de be-stuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.

Het arrest onderzoekt of G. een huishouden vormt met P., met wie ze samenleeft en die geen bloed- of aanverwante is in een graad die, volgens het arrest, die kwa-lificatie zou uitsluiten.

Het oordeelt dat het begrip "huishouden" twee definities kan hebben: namelijk dat het twee personen betreft die geen bloed- of aanverwant zijn, die ofwel als een paar onder hetzelfde dak samenleven, of die onder hetzelfde dak samenleven en de huishoudelijke kwesties gezamenlijk regelen. Het arrest dat die betwisting niet beslecht, stelt enerzijds dat de betrokkenen geen paar vormden, en anderzijds dat zij geen "huishouden" vormen op grond dat de eiseres, voorlopige bewindvoerder van de goederen van G., "geen enkel document heeft voorgelegd ter bevestiging dat beide dames 'een gezamenlijke pot' hadden voor de belangrijkste lasten". Het besluit dat laatstgenoemde recht heeft op een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen van categorie A en dat zonder rekening te houden met het inkomen van P.

Met die redenen beslist het dat G. geen huishouden vormt in de zin van de artike-len 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit en 7, § 1, van de wet, op grond dat de eiseres daarvan het bewijs niet levert.

Doordat het arrest de bewijslast bij die partij legt, terwijl het heeft vastgesteld dat G. haar hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres als P. heeft, schendt het artikel 7, § 3, tweede lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum,

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de verweerders tot de kosten overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tegemoetkomingen

  • Toekenning

  • Voorwaarden

  • Categorieën

  • Huishouden

  • Bewijs

  • Gemeenschappelijke verbijfplaats

  • Vermoeden