- Arrest van 18 november 2013

18/11/2013 - S.12.0076.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan rechtsdwaling wegens bepaalde omstandigheden als onoverkomelijk beschouwen, wanneer hij uit die omstandigheden kan afleiden dat de persoon die zich daarop beroept heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gedaan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0076.F

Y.D. ,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

SECURITY GUARDIANS INSTITUTE nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 14 februari 2012, op verwijzing na het arrest van het Hof van 9 februari 2009.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 9 oktober 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert één middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1319, 1320, 1322 en 2262bis, inzonderheid § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 23, 24, 25, 26, 780 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998;

- artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet;

- artikel 71 van het Strafwetboek;

- het in artikel 71 van het Strafwetboek toepasselijk algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk de onoverkomelijke dwaling een rechtvaardigingsgrond is.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest dat uitspraak doet over het hoger beroep van de verweerster, "verklaart het hoger beroep gegrond; wijzigt het beroepen vonnis; verklaart de oorspronkelijke vordering verjaard; veroordeelt de eiser in de kosten die de verweerster op 2.205,25 euro heeft vastgesteld, hetzij: rechtsplegingsvergoeding voor eerste aanleg: 205,25 euro - rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep: 2.000 euro, en niet betaald door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid".

Het motiveert die beslissingen met alle redenen die hier worden verondersteld volledig te zijn weergegeven, in het bijzonder met de volgende redenen, op grond waarvan het oordeelt dat "de eiser het bestaan van een strafrechtelijk misdrijf ten laste van de verweerster niet aantoont, zodat hij zich niet kan beroepen op de vijfjarige verjaring", en dat "de op 7 oktober 2002 ingestelde vordering verjaard is":

"1. Artikel 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in de versie na de wijziging bij de wet van 10 juni 1998, bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. Artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon;

Artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de vorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan verjaren, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden;

De werknemer mag de grond van zijn vordering kiezen maar wil hij zijn aanvraag steunen op het bestaan van een misdrijf om te ontsnappen aan de door artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde verjaring van één jaar, moet hij alle elementen die hieraan ten grondslag liggen bewijzen;

[...] Het is met de algemene beginselen van het strafrecht, die voor elk misdrijf een moreel element vereisen waarvan de bewijslast bij het openbaar ministerie en eventueel de burgerlijke partij berust, bestaanbaar dat bij bepaalde misdrijven, wegens de eigenheid van de strafbaar gestelde gedraging, het bewijs dat de dader het feit wetens en willens heeft gepleegd, voortvloeit uit de overtreding van het voorschrift zelf, met dien verstande evenwel dat de dader vrijuit gaat wanneer overmacht, onoverkomelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond wordt aangetoond, minstens niet ongeloofwaardig is. (Cass., 27 september 2005, R.C.J.B., 2009, 203).

[...] Als de verweerster bijgevolg een grond van niet-toerekenbaarheid op aannemelijke wijze aanvoert, staat het bijgevolg aan de eiser aan te tonen dat die onbestaande is en als hij daarin niet slaagt, zal de grond van niet-toerekenbaarheid daardoor de op een misdrijf gegronde vordering teniet doen en ook de mogelijkheid zich te beroepen op de vijfjarige verjaring.

2. De verweerster voert als rechtvaardigingsgrond aan dat, in het kader van de strafvordering van het arbeidsauditoraat met hetzelfde voorwerp, het arrest van 19 juni 1996 van het hof van beroep te Luik zonder meer een vrijspraak heeft uitgesproken en het Hof van Cassatie op 30 april 1997 het cassatieberoep tegen dat arrest heeft verworpen. Zij voert aan dat zij zich op het tijdstip van indiensttreding van de eiser, in juli 1998, bijgevolg niet kon voorstellen dat zij door zo te handelen strafrechtelijke misdrijven beging;

H. S. werd voor de correctionele rechtbank te Namen vervolgd terwijl de verweerster gedagvaard werd als burgerlijk aansprakelijke partij, wegens niet-registratie bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het niet aangeven van lonen van werknemers (258 in het totaal) en het niet bijhouden of niet bezorgen van sociale documenten. De correctionele rechtbank heeft de beklaagde bij vonnis van 25 april 1994 vrijgesproken wegens het voordeel van de twijfel, de burgerlijk aansprakelijke vennootschap buiten vervolging gesteld en zich niet bevoegd verklaard uitspraak te doen over alle grieven van de burgerlijke partijen;

De rechtbank heeft geoordeeld dat men zich eerst moest afvragen of er al dan niet een gezagsverhouding bestaat tussen de beklaagde en de werknemers, ongeacht de aard van het bedrijf waarvoor zij werken; en heeft vervolgens haar beslissing als volgt gemotiveerd: '[...]';

Het hof van beroep te Luik heeft met zijn arrest van 19 juni 1996, de strafvordering wegens het overlijden van H.S. vervallen verklaard, de feiten van de tenlasteleggingen niet bewezen geacht en zichzelf niet bevoegd verklaard om kennis te nemen van de grieven van de burgerlijke partijen, nadat het de uitvoeringsmodaliteiten van de arbeidsprestaties had onderzocht om te bepalen of de bestanddelen voor het bestaan van de misdrijven verenigd waren. Het is tot de conclusie gekomen dat 'de elementen die zowel door het openbaar ministerie als door de burgerlijke partijen en het Sociaal Fonds voor de Bewakingsdiensten werden aangevoerd, niet aantonen dat er tussen de bewakers die voor de ver-weerster werkten, en het bedrijf een gezagsverhouding bestond die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst';

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 30 april 1997 de cassatieberoepen tegen het arrest van het hof van beroep te Luik verworpen, overwegende dat laatstgenoemde zijn beslissing naar recht had verantwoord;

In die omstandigheden voert de verweerster logischerwijs aan dat de onderneming wettig functioneerde op het tijdstip van indiensttreding van de eiser, in juli 1998, aangezien het hof van beroep te Luik en zelfs de correctionele rechtbank te Namen hadden geoordeeld dat, hoewel zij de vrijspraak hadden uitgesproken wegens het voordeel van de twijfel, 'geen enkele rechtsregel een bestuurder beheerder verbiedt zijn onderneming naar eigen goeddunken te organiseren en het volgens hem meest aangewezen arbeidsverband te kiezen [...]. Het staat buiten kijf dat de beklaagde het statuut dat hij aan zijn werknemers voorstelt gekozen heeft om de lasten van een arbeidsovereenkomst te vermijden maar dat is zijn volste recht als hij de normen ervan eerbiedigt en niet achter een voordelig statuut, gezag en gezagsverhouding verbergt die werkgever en werknemer in een arbeidsovereenkomst delen ';

Iedere normaal bedachtzaam persoon zou dezelfde conclusies hebben getrokken uit die gerechtelijke beslissingen;

Eisers argumenten ter ontkenning van de aangevoerde rechtvaardigingsgrond die betrekking hebben op de doelstelling van het opgezette stelsel en het ontbreken van enige keuzemogelijkheid met betrekking tot het statuut, snijden geen hout. Bij de beoordeling van het bestaan van een rechtvaardigingsgrond moet trouwens geen nauwkeurige vergelijkende studie worden gemaakt van de manier waarop de arbeidsprestaties van de eiser en de bij de strafprocedure betrokken werknemers wordt uitgevoerd.

Grieven

Eerste onderdeel

De onoverkomelijke dwaling is een rechtvaardigingsgrond waardoor het misdrijf niet aan de beklaagde wordt toegerekend. Daarvoor moet de dwaling onoverkomelijk zijn. Dat is het geval wanneer de persoon die zich daarop beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gedaan.

De strafrechtelijke verjaring die voortvloeit uit artikel 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en uit artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek vereist het bestaan van een misdrijf dat aan de dader kan worden toegerekend. De vijfjarige verjaring is niet van toepassing als er een rechtvaardigingsgrond bestaat, zoals de onoverkomelijke rechtsdwaling, zodat de verjaring, met toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, intreedt bij het verstrijken van de termijn van één jaar te rekenen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst.

Het bestreden arrest erkent het bestaan van een rechtvaardigingsgrond ten aanzien van de verweerster, te weten een onoverkomelijke rechtsdwaling, en het steunt daarvoor op twee gerechtelijke beslissingen, respectievelijk het arrest van het hof van beroep te Luik van 19 juni 1996 en het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 25 april 1994. Het arrest stelt bijgevolg vast dat de vorderingen van de eiser verjaard zijn aangezien hij zich niet kan beroepen op de vijfjarige verjaring van artikel 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Uit de vrijspraak van de verweerster in beide voornoemde procedures over feiten die zich hebben voorgedaan (1989-1991) lang voordat de eiser er werkzaam was (1998-2001), kan niet worden afgeleid dat iedere normaal bedachtzaam persoon van oordeel zou zijn geweest dat de onderneming wettig functioneerde.

Die gerechtelijke beslissingen zijn inderdaad niet van aard dat zij iedere normaal bedachtzaam en zorgvuldig persoon de zekerheid verschaffen dat het beslist wettig was, gedurende vele jaren en ondanks de wijzigingen in de organisatie van de onderneming en van de rechten en plichten van de werknemers, een beroep te doen op zelfstandige werknemers. Het arrest vermeldt trouwens dat het vonnis van 25 april 1994 van de correctionele rechtbank te Namen de vrijspraak had uitgesproken wegens het voordeel van de twijfel.

Het bestreden arrest kon uit de feiten die het moest beoordelen niet wettig afleiden dat de verweerster een onoverkomelijke rechtsdwaling heeft begaan waardoor het misdrijf haar niet kan worden toegerekend en de vijfjarige verjaring uit artikel 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bijgevolg niet kan worden toegepast.

De hierboven samengevatte overwegingen verantwoorden niet naar recht de beslissing tot erkenning van een rechtvaardigingsgrond en miskennen het wettelijk begrip 'onoverkomelijke rechtsdwaling' (schending van artikel 71 van het Strafwetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel , toegepast in artikel 71 van het Strafwetboek, volgens hetwelk de dwaling, wanneer zij onoverkomelijk is, een rechtvaardigingsgrond vormt) en ook de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de verjaring (schending van de artikelen 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, 2262bis, inzonderheid § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en 26 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering).

Tweede middel

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel op: het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling van het arbeidshof:

Hoewel de rechter op onaantastbare wijze de elementen vaststelt waarop hij zijn beslissing steunt, staat het aan het Hof na te gaan of hij daaruit het bestaan van een rechtvaardigingsgrond naar recht heeft kunnen afleiden.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

Dwaling kan wegens bepaalde omstandigheden als onoverkomelijk worden be-schouwd, als uit die omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich erop beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in de-zelfde situatie zou hebben gehandeld.

Het arrest heeft beslist dat de eiser "het bestaan van een aan de verweerster toe-kenbaar strafrechtelijk misdrijf niet aantoont, zodat hij zich niet mag beroepen op de vijfjarige verjaring", op grond van de overweging dat de verweerster "zich op het tijdstip van indiensttreding van de eiser, in juli 1998, niet kon inbeelden dat zij door zo te handelen strafrechtelijke misdrijven beging" aangezien "in het kader van de strafvordering van het arbeidsauditoraat met hetzelfde voorwerp", na een vrijspraak wegens het voordeel van de twijfel uitgesproken door de correctionele rechtbank te Namen op 25 april 1994, "het arrest [...] van 19 juni 1996 van het hof van beroep te Luik zonder meer een vrijspraak heeft uitgesproken, en het Hof van Cassatie op 30 april 1997 het cassatieberoep tegen dat arrest heeft verworpen [...]", en dat "de onderneming" bijgevolg, "wettig functioneerde", zonder "een nauwkeurige vergelijkende studie te maken van de manier waarop de ar-beidsprestaties [...] van de eiser en de door de strafprocedure betrokken werkne-mers wordt uitgevoerd".

Het bestreden arrest heeft uit die elementen niet naar recht kunnen afleiden dat de verweerster een onoverkomelijke dwaling had begaan.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onoverkomelijke dwaling