- Arrest van 19 november 2013

19/11/2013 - P.13.0941.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het hoger beroep dat het openbaar ministerie instelt, niet enkel tegen de beklaagden die eerst hoger beroep hebben ingesteld, maar ook tegen een verstek latende medebeklaagde die geen hoger beroep heeft ingesteld, strekt ertoe de door de beklaagden in hoger beroep aanhangig gemaakte zaak in zijn geheel te onderwerpen aan het oordeel van de appelrechters en alle beklaagden ook in hoger beroep gezamenlijk te vervolgen en te laten berechten; een dergelijk hoger beroep is dan ook niet te aanzien als een hoger beroep dat enkel uitgaat van het openbaar ministerie in de zin van artikel 24, tweede lid, derde gedachtestreepje (oud), Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (1). (1) In deze zaak werd toepassing gemaakt van artikel 24 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de versie vóór de wijziging bij wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0941.N

B Z,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 april 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers verzet tegen het bij verstek gewezen arrest van 29 mei 2007 ontvankelijk.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zoals van toepassing op de feiten gepleegd tot 1 september 2003 krachtens artikel 33 van de Programmawet van 5 augustus 2003: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering, die een aanvang nam op 17 januari 2002, gestuit werd op 5 december 2006 en in principe zou intreden op 5 december 2011, niet is ingetreden omdat zij als gevolg van de inleiding van de zaak voor de eerste rechter op 25 februari 2003, gedurende een volledig jaar werd geschorst; het openbaar ministerie heeft tegen het beroepen vonnis op 9 april 2003 hoger beroep ingesteld tegen twee medebeklaagden die zelf eerst hoger be-roep hadden ingesteld en tegen de eiser die zelf geen hoger beroep heeft ingesteld; het reële karakter van de schorsing van de verjaring geldt niet indien als gevolg van het aanwenden van een rechtsmiddel, de vervolging van een beklaagde haar eigen weg gaat en in geen opzicht afhankelijk is van de vervolging van een andere beklaagde; vermits ten aanzien van de eiser enkel het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld in de zin van artikel 24, 1°, derde streepje (oud), Wetboek van Strafvordering, eindigde de schorsing op 9 april 2003; bijgevolg was de straf-vordering, zelfs rekening houdend met een navolgende schorsing van een jaar tij-dens de verstekprocedure in hoger beroep, verjaard toen zij op het verzet van de eiser werd ingeleid voor de appelrechters op 11 maart 2013.

3. Krachtens artikel 24, 1°, eerste en tweede lid, derde en vierde gedachte-streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepas-sing, is de verjaring van de strafvordering geschorst ten aanzien van alle partijen vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering bij het vonnisgerecht wordt ingeleid tot de dag van de zitting waarop de strafvordering in hoger beroep wordt ingeleid, behoudens wanneer alleen het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld, of tot de verklaring van hoger beroep, wanneer alleen het openbaar mi-nisterie hoger beroep heeft ingesteld, op voorwaarde dat die termijn niet langer is dan een jaar.

4. Het hoger beroep dat het openbaar ministerie instelt, niet enkel tegen de be-klaagden die eerst hoger beroep hebben ingesteld, maar ook tegen een verstek la-tende medebeklaagde die geen hoger beroep heeft ingesteld, strekt ertoe de door de beklaagden in hoger beroep aanhangig gemaakte zaak in zijn geheel te onder-werpen aan het oordeel van de appelrechters en alle beklaagden ook in hoger be-roep gezamenlijk te vervolgen en te laten berechten.

Een dergelijk hoger beroep is dan ook niet te aanzien als een hoger beroep dat en-kel uitgaat van het openbaar ministerie in de zin van artikel 24, tweede lid, derde gedachtestreepje (oud), Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet eisers verweer dat zijn recht van verdediging is miskend en de straf-vordering niet ontvankelijk is omdat het dossier bijzonder slordig is samengesteld en er bovendien talloze stukken, in het bijzonder tien fardes (D.16 tot en met D.25), ontbreken.

6. In zijn beroepsconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de strafvordering niet ontvankelijk is omwille van de miskenning van zijn recht van verdediging wegens het voorleggen van een onvolledig dossier.

7. Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest dat verweer niet.

Het middel is gegrond.

Overige middelen

8. De overige middelen van de eiser, die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Onmiddellijke aanhouding

9. De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser wordt veroordeeld, heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding bevolen wordt.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 332,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 19 november 2013 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem E. Goethals

Vrije woorden

  • Artikel 24 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering

  • Veroordelende beslissing in eerste aanleg

  • Hoger beroep van het openbaar ministerie

  • Hoger beroep tegen beklaagden die eerst hoger beroep instelden

  • Gelijktijdig hoger beroep tegen een verstek latende beklaagde die geen hoger beroep instelde

  • Doel