- Arrest van 25 november 2013

25/11/2013 - S.12.0025.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring voorzien in artikel 42, tweede lid RSZ-wet is van openbare orde.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0025.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

INDUSTRIAL PRODUCTS AND PNEUMATICS nv, met zetel te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Biesthoevelaan 25,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 juni 2012, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 30 oktober 2006.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens de hier nog toepasselijke versie van artikel 42, tweede lid, RSZ-wet verjaren de vorderingen ingesteld tegen de Rijksdienst voor sociale zekerheid tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen na drie jaar, welke ingaan op de dag van de betaling.

Deze verjaring is van openbare orde.

2. Artikel 42 RSZ-wet vervangt artikel 12, §1, vijfde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders, zoals gewijzigd door artikel 2 van de besluitwet van 6 september 1946 en artikel 4 van de wet van 14 juli 1955.

Met voormeld artikel 12, § 1, vijfde lid, werd, enerzijds, de verjaring van de door de RSZ voor de burgerlijke rechtbanken ingestelde vordering, onafhankelijk ge-maakt van die van de publieke vordering welke op dezelfde tekortkoming van de bijdrageplichtige werkgevers was gegrond, en derhalve voormelde burgerlijke vordering aan de in de burgerlijke zaken geldende verjaringsregels onderworpen en, anderzijds, de verjaring van de vordering van de werkgever tot terugbetaling van het onverschuldigde met dezelfde termijn beperkt, en derhalve aan dezelfde verjaringsregels onderworpen, dan die van de vordering van de RSZ.

Artikel 2248 Burgerlijk Wetboek is van toepassing op deze verjaring.

3. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de verjaring van de vordering tot te-rugbetaling van onverschuldigd betaalde bijdragen vóór 16 februari 1999 niet kon worden gestuit door een schulderkenning in de zin van artikel 2248 Burgerlijk Wetboek, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de toepassing van de schulderkenning als stuitingsgrond ten onrechte verantwoordt met de reden "bij aangifte van een persoon die geen werknemer is, is er geen aanleiding om de RSZ-wet toe te passen, wat met zich brengt dat zich ook geen probleem van het al dan niet openbare karakter van de wet stelt", komt het op tegen een overtollige reden.

In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ont-vankelijk.

Tweede onderdeel

5. Uit de omstandigheid dat een ambtshalve opgesteld bericht van wijziging der bijdragen geen bestuurshandeling is waaraan onmiddellijke en uitvoerbare rechtsgevolgen kleven, volgt niet dat de eiser met dergelijk bericht, naast de annu-lering van der erin vermelde aangiften en bijdragen, geen schuld zou kunnen er-kennen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

6. Voor het overige gaat het onderdeel ervan uit dat uit een bericht van wijzi-ging der bijdragen opgesteld na een ambtshalve schrapping, niet blijkt dat de ge-annuleerde bijdragen al dan niet werden betaald.

In zoverre vraagt het onderdeel een onderzoek van feiten en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

7. Door aan te nemen dat uit de woorden "een bedrag in Uw voordeel van [48.915,47 euro]" een schulderkenning volgt, miskent het arrest de bewijskracht van het bericht van wijziging der bijdragen niet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

8. De eiser heeft voor de appelrechters geconcludeerd als volgt:

"Bovendien heeft [de verweerster] het grootste deel van het door de [eiser] - in-gevolge het arrest dd. 22/10/04 van het Arbeidshof te Antwerpen - betaalde bedrag terugbetaald na het cassatiearrest dd. 30/10/06.

De [eiser] betaalde in uitvoering van het arrest dd. 22/10/04 een bedrag van 85.542,74 euro. Na het aantekenen van cassatieberoep, betaalde [de verweerster] op 31/03/05 een bedrag van 65.507,47 euro terug. Het saldo van 20.335,27 euro beschouwde [de verweerster] sowieso als verschuldigd. Het betreft de bijdragen voor 4/1992 en 1/1993 (11.634,01 euro) vermeerderd met de interesten.

[De verweerster] kan echter moeilijk volhouden dat zij gerechtigd is op interesten vanaf 6 mei 1994 (of 29 juli 1994) wanneer zij zelf reeds vrijwillig overging tot gedeeltelijke terugbetaling van de aan haar betaalde sommen."

Het arrest beantwoordt dit verweer niet.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de verschuldigde inte-rest en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 25 november 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bij-stand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Werkgevers

  • Onverschuldigde bijdragen

  • Terugvordering

  • Verjaring

  • Aard