- Arrest van 26 november 2013

26/11/2013 - P.13.1234.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 90quater, §1 en 90quinquies, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering in hun onderlinge samenhang blijkt dat de verlenging van een tapmaatregel krachtens artikel 90quinquies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering aan een dubbele motiveringsplicht dient te voldoen: niet alleen dienen de elementen, die krachtens artikel 90quater, §1, Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, te worden vermeld maar bovendien dient de beschikking tot verlenging de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen, te vermelden; dit laatste voorschrift is evenwel niet op straffe van nietigheid voorgeschreven (1). (1) Contra: Cass. 3 okt. 2000, AR P.98.1340.N, AC 2000, nr. 507.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1234.N

I-II

T M T,

beschuldigde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Frédéric Thibaut, advocaat bij de balie te Mechelen, en mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de pro-vincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 dat de verklaring van de jury en de mo-tivering bevat, tegen het arrest van dezelfde datum dat de eiser tot straf veroor-deelt en tegen: "1. de beslissing ivm geld in deze zaak 2. de beslissing van 21/5/2013 m.b.t. dat geen procedurefout 3. de beslissing van de vraag van advo-caat Van Steenbrugge van de eerste zitting van december 2012."

Het cassatieberoep II is gericht tegen "alle beschikkingen van het arrest (van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen) met nummer 2013/10, op te-genspraak, te zijnen laste uitgesproken op 21/5/2013."

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I

1. Bij akte van 11 juni 2013 heeft de eiser cassatieberoep I aangetekend dat onder meer gericht is tegen "1. de beslissing ivm geld in deze zaak 2. de beslissing van 21/5/2013 m.b.t. dat geen procedurefout 3. de beslissing van de vraag van advocaat Van Steenbrugge van de eerste zitting van december 2012."

2. Uit deze omschrijving kan niet worden opgemaakt tegen welke arresten of welke precieze beslissingen het cassatieberoep I in die mate is gericht.

In zoverre is het cassatieberoep I bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de eiser geen bijstand van een raadsman genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het arrest laat aldus na de onontvankelijkheid, minstens de ontoelaatbaarheid van de strafvordering uit te spreken alhoewel vaststaat dat de eiser verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bij-staan door een advocaat terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voor-hechtenis bevond; het feit dat de eiser hierbij geen zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd, doet hieraan geen afbreuk.

4. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een ver-dachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advo-caat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvor-dering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit be-wijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de medebeschuldigde geen bijstand van een raads-man genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het stelt vast dat de medebe-schuldigde verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het laat evenwel na de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, minstens over te gaan tot bewijsuitsluiting van die onregelmatige verho-ren waarbij tevens de eiser wordt beschuldigd.

6. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een mede-verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een ad-vocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de straf-vordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

7. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroe-pen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afge-legd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan in-roept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

8. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de medebe-schuldigde niet de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en evenmin op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken. Het hof van assisen diende bijgevolg de desbetreffende verklaringen van de medebeschul-digde niet uit het debat te weren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 90quinquies Wetboek van Strafvordering: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat de verlenging van de tap-maatregelen bij beschikkingen van de onderzoeksrechter van 13 november 2009 en 11 december 2009 op afdoende wijze werd gemotiveerd; de loutere vermelding dat een afluistermaatregel van langere duur dan één maand nodig is, kan evenwel op geen enkele wijze beschouwd worden als de precieze omstandigheden die zul-ke verlenging rechtvaardigen.

11. Artikel 90quinquies, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering be-paalt:

"De onderzoeksrechter kan de uitwerking van zijn beschikking één of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maxi-mum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn.

De bepalingen vervat in artikel 90quater, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging bedoeld in het voorgaande lid. De beschikking vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen."

Artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"Tot iedere bewakingsmaatregel op grond van artikel 90ter wordt vooraf machti-ging verleend bij een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter die de beschikking aan de procureur des Konings meedeelt.

Op straffe van nietigheid wordt de beschikking gedagtekend en vermeldt zij:

1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter;

2° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen;

3° de persoon, het communicatie- of telecommunicatiemiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewaking;

4° de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, welke niet langer mag zijn dan één maand te rekenen van de beslissing waarbij de maatregel wordt bevolen;

5° de naam en de hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie aangewe-zen voor de uitvoering van de maatregel."

Uit deze artikelen in hun onderlinge samenhang blijkt dat de verlenging van een tapmaatregel krachtens artikel 90quinquies, tweede lid, Wetboek van Strafvorde-ring aan een dubbele motiveringsplicht dient te voldoen. Vooreerst dienen de elementen, die krachtens artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, te worden vermeld. Bovendien dient de beschikking tot verlenging de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen, te vermelden, voorschrift dat evenwel niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest stelt vast dat de beschikkingen tot verlenging van 13 november 2009 en 11 december 2009, eensdeels, de motivering van de initiële tapmaatregel waarvan de redenen beantwoorden aan het voorschrift van artikel 90quater, § 1, Wetboek van Strafvordering, overnemen en, anderdeels, dat een afluistermaatre-gel van langere termijn dan één maand nodig is om de waarheid aan het licht te brengen.

Aldus verantwoordt het hof van assisen zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat de beschikking van 14 januari 2010 beantwoordt aan het vereis-te van artikel 90quinquies, derde lid, Wetboek van Strafvordering; aldus beant-woordt het evenwel eisers conclusie met betrekking tot de miskenning van de in artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, op straffe van nietigheid voorgeschreven mo-tiveringsplicht met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel niet en stelt het niet vast dat die beschikking hieraan voldoet.

14. Artikel 90quinquies, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in-dien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 90ter noodzakelijk maken, de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel kan bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 90ter en 90quater. De beschikking moet in dat geval de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.

Artikel 90quater, § 1, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de beschikking op straffe van nietigheid de redenen vermeldt waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen.

15. Met de redenen die het arrest (p. 15) bevat, stelt het hof van assisen vast dat de beschikking de redenen vermeldt waarom de maatregel onontbeerlijk was om de eiser aan te treffen en aldus de waarheid aan de dag te brengen.

Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 205,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 26 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Afluistermaatregel

  • Verlenging

  • Bijzondere motiveringsvereisten

  • Sanctie