- Arrest van 27 november 2013

27/11/2013 - P.13.1078.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 24, derde en vierde lid, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 die in werking is getreden op 10 februari 2013, is de verjaring van de strafvordering geschorst wanneer het vonnisgerecht beslist de zaak uit te stellen om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten; hetzelfde geldt wanneer voor de raadkamer de regeling van de rechtspleging wordt belet door een overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, §3, van het Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1078.F

E. D.,

Mr. François-René Swennen, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

ETHIAS nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 16 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Jean ridder de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het Hof vermag geen acht te slaan op de memorie die buiten de bij artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voorgeschreven termijn is ingediend, vermits de zaak op 17 juni 2013 op de algemene rol werd ingeschreven.

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen de eiser

Ambtshalve middel : schending van de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering

1. Het Hof is bevoegd om na te gaan of uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de verjaring van de strafvordering werd gestuit of geschorst.

2. Bij collectieve misdrijven begint de verjaring te lopen vanaf het laatste feit dat met hetzelfde strafbaar opzet is gepleegd, voor zover de verjaringstermijn tus-sen elk van die feiten niet verstreken is.

3. De eiser werd veroordeeld door een eenvoudige schuldigverklaring wegens valsheid in geschriften (telastleggingen A.2, A.3 en A.4), feiten van oplichting (te-lastleggingen B.1 en B.2), poging tot oplichting (telastlegging C.2), lasterlijke aangifte (telastlegging E) en gewone diefstal (enige telastlegging van zaak II).

Het arrest oordeelt dat de gezamenlijke feiten een collectief misdrijf uitmaken door eenheid van opzet en dat de verjaring voor het geheel pas is beginnen te lo-pen vanaf het laatste feit, de gewone diefstal die tussen 23 juli en 7 augustus 2004 is gepleegd.

Overeenkomstig artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zou de strafvordering dus op 23 juli 2009 zijn verjaard zo de verjaring niet vóór die datum was gestuit door een onderzoekshandeling of een daad van vervolging.

4. De laatste daad van vervolging is het hoger beroep dat de verweerster, als burgerlijke partij, op 29 april 2008 heeft ingesteld tegen de aanvullende beschik-king van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Namen van 16 april 2008, die verklaart dat er geen grond is om de eiser te vervolgen wegens twee te-lastleggingen die in een aanvullende vordering van de procureur des Konings zijn vermeld. De stuitende werking van die daad vloeit voort uit het feit dat, aangezien het hoger beroep van de burgerlijke partij een even ruime en volledige werking heeft als het hoger beroep van het openbaar ministerie, dit de kamer van inbeschuldigingstelling in staat stelt uitspraak te doen over de strafvordering, waarvan de burgerlijke rechtsvordering slechts een accessorium is.

De tweede verjaringstermijn verstrijkt dus op 29 april 2013, met andere woorden vóór de uitspraak van het bestreden arrest.

5. Krachtens artikel 24, derde en vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 die in wer-king is getreden op 10 februari 2013, is de verjaring van de strafvordering ge-schorst wanneer het vonnisgerecht beslist de zaak uit te stellen om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Hetzelfde geldt wanneer voor de raadkamer de regeling van de rechtspleging wordt verhinderd door een overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, van dat wetboek ingediend verzoek.

Die bepalingen zijn van toepassing op de zaak, aangezien de zaak op de dag van hun inwerkingtreding nog niet was verjaard.

6. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van beroep van 18 april 2013 blijkt dat de zaak onmiddellijk werd behandeld, in beraad werd geno-men en werd verdaagd naar 16 mei 2013 voor uitspraak van het arrest. Evenzo heeft de correctionele rechtbank niet bevolen dat de zaak met het oog op het ver-richten van bijkomende onderzoekshandelingen zou worden verdaagd.

7. Op 19 september 2007 heeft de raadkamer van de rechtbank van eerste aan-leg te Namen de regeling van de rechtspleging sine die uitgesteld wegens het neerleggen van een verzoek gegrond op artikel 61quinquies Wetboek van Straf-vordering.

De raadkamer heeft het onderzoek van de regeling van de rechtspleging hervat op 19 maart 2008.

De verjaring is dus opgehouden te lopen van 19 september 2007 tot 19 maart 2008, dat is gedurende zes maanden.

Daaruit volgt dat de eerste vervaldag van de verjaring werd verdaagd van 23 juli 2009 naar 23 januari 2010, dus zes maanden later.

8. De meest recente verjaringstuitende daad vóór 23 januari 2010 is het hoger beroep dat de burgerlijke partij op 29 april 2008 heeft ingesteld.

De schorsing van de verjaring heeft dus niet belet dat de zaak op 29 april 2013 verjaarde, dus nadat de appelrechters de zaak in beraad hadden genomen maar vóór ze hun arrest hadden uitgesproken.

Door dit niet in aanmerking te nemen, schendt het hof van beroep de in het middel vermelde wetsbepalingen.

9. De uitgesproken vernietiging strekt zich niet uit tot de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt immers dat de verweerster zich op 29 september 2003 en 3 mei 2004 voor de onderzoeksrech-ter tegen de eiser burgerlijke partij heeft gesteld wegens valsheid in geschriften en feiten van oplichting,

De door het arrest bewezen verklaarde feiten op grond waarvan de verweerster werd vergoed, beantwoorden aan de telastleggingen van oplichting en poging tot oplichting die geacht worden op 15 juli 1999, 14 januari 2003 en 25 september 2003 te zijn gepleegd. Daaruit volgt dat de burgerlijke rechtsvordering werd inge-steld vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar, bedoeld in de artikelen 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en 2262bis, § 1, tweede lid, Bur-gerlijk Wetboek.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster

De eiser voert geen regelmatig middel aan.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser, op de strafvordering die te-gen hem is ingesteld, veroordeelt door hem schuldig te verklaren aan valsheid en gebruik van valse stukken (telastleggingen A.2, A.3 en A.4), feiten van oplichting (telastleggingen B.1 en B.2), poging tot oplichting (telastlegging C.2), lasterlijke aangifte (telastlegging E) en gewone diefstal (enige telastlegging van zaak II).

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 27 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Stuitingsgrond

  • Verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen