- Arrest van 28 november 2013

28/11/2013 - C.13.0033.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een schuldeiser is gerechtigd het faillissement van zijn schuldenaar te vorderen wanneer de wettelijke voorwaarden zijn vervuld; een schuldeiser voldoet in die omstandigheid, in beginsel, aan de vereisten van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek; dient een schuldeiser niet aan te tonen dat de faillissementsvordering voor hem een groter voordeel oplevert als een andere wijze van invordering van zijn schuldvordering, dan mag het instellen van deze vordering geen rechtsmisbruik uitmaken; dit laatste is het geval wanneer er een kennelijke onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de faillissementsvordering en de belangen die door de toewijzing van de vordering worden geschaad.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0033.N

VULSTOFFEN EXPLOITATIE bvba, met zetel te 3000 Leuven, Bogaarden-straat 109, bus 4,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. Herman SEGERS, advocaat, wonende te 3580 Beringen, Hasseltsesteenweg 136,

2. Ilse VAN DE MIEROP, advocaat, met kantoor te 3001 Leuven, Koning Le-opold III laan 40, als curator van het faillissement van Vulstoffen Exploitatie bvba, die woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Ingrid Eyskens, met kantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat 42,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 september 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 4 september 2012 verklaart het hof van beroep te Brussel de nieuwe vordering van eiseres ongegrond, verklaart het hoger beroep van eerste verweerder gegrond, "doet het bestreden vonnis teniet, behalve in de mate waarin het de vorderingen van partijen ontvankelijk verklaarde, de vordering van appellant ongegrond verklaarde en de kosten begroot heeft; opnieuw recht doende voor het overige: verklaart de vordering van appellant gegrond, verklaart de Vulstoffen Exploitatie nv, afgekort Vulex nv, failliet" en stelt als curator mr. Ilse Van de Mierop aan.

Grieven

Bij het beroepen vonnis werd de vordering van eerste verweerder, oorspronkelijk eiser, strekkende tot de faillietverklaring van eiseres, ongegrond verklaard.

Blijkens het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest verklaart het hof van beroep het vonnis van de eerste rechter teniet te doen, behalve in de mate waarin het de vordering van appellant, zijnde de huidige eerste verweerder, ongegrond verklaarde.

Zodoende bevestigt het hof van beroep de beslissing van de eerste rechter in zoverre deze de vordering, strekkende tot de faillietverklaring van eiseres, ongegrond verklaarde.

Anderzijds volgt uit datzelfde beschikkend gedeelte dat het hof van beroep de vordering van dezelfde appellant gegrond verklaart en eiseres failliet verklaart, wat impliceert dat het vonnis van de eerste rechter de facto wordt tenietgedaan in zoverre de vordering van eerste verweerder ongegrond werd verklaard.

Zodoende bevat het bestreden arrest duidelijk tegenstrijdige beschikkingen.

Overeenkomstig artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is een beslissing, die tegenstrijdige beschikkingen bevat, onregelmatig.

Het bestreden arrest, waarvan het beschikkend gedeelte voornoemde tegenstrijdige beschikkingen bevat, is niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek;

- artikelen 17, 18, 616, 780bis en 1050 Gerechtelijk Wetboek;

- artikelen 2, 6 en 14, vierde lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- algemeen rechtsbeginsel, genaamd evenredigheidsbeginsel.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 4 september 2012 verklaart het hof van beroep te Brussel de nieuwe vordering van eiseres, strekkende tot de veroordeling van eerste verweerder tot een vergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond, verklaart het hoger beroep van eerste verweerder gegrond, "doet het bestreden vonnis teniet, behalve in de mate waarin het de vorderingen van partijen ontvankelijk verklaarde, de vordering van appellant ongegrond verklaarde en de kosten begroot heeft; opnieuw recht doende voor het overige: verklaart de vordering van appellant gegrond, verklaart de Vulstoffen Exploitatie nv, afgekort Vulux nv, failliet" en stelt als curator mr. Ilse Van de Mierop aan. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

"Rechtsmisbruik vanwege (eerste verweerder) - schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep

22. (Eerste verweerder) zou te kwader trouw zijn, minstens blijk geven van een grote lichtzinnigheid, en zich bezondigen aan rechtsmisbruik.

De bewering van (eiseres) is ongegrond.

Het hof verwijst naar zijn overwegingen gemaakt ter gelegenheid van de bespreking van de faillissementsvoorwaarden.

De vordering van (eerste verweerder) is gegrond.

De eerste rechter heeft zodoende terecht de vordering van (eiseres) tot veroordeling van (eerste verweerder) tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ongegrond verklaard.

Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep van (eerste verweerder), is de nieuwe vordering van (eiseres) die ertoe strekt om hem te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, ongegrond.

23. De andere argumenten van partijen dan deze die door het hof hiervoor besproken worden, zijn niet pertinent of minstens niet van aard om het hof anders te doen beslissen",

zulks na op de pagina's 10 tot 17 tot het besluit te zijn gekomen dat de faillissementsvoorwaarden in hoofde van eiseres voorhanden waren, beschouwingen die hier geacht worden te zijn herhaald, en na voorts te hebben overwogen:

"21. Er is geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel, noch van artikel 1 van voormeld Verdrag, minstens blijft (eiseres) in gebreke om het tegendeel aan te tonen of zelfs maar aannemelijk te maken."

Grieven

1. Overeenkomstig artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek maakt een recht-zoekende zich schuldig aan rechtsmisbruik wanneer hij het recht, waarvan hij houder is, uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens.

Dat is onder meer het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt, wanneer de houder van een recht dat recht uitoefent met het exclusieve oogmerk om een ander te schaden of wanneer hij dat recht uitoefent zonder redelijk en voldoende belang.

Bij de beoordeling van dat rechtsmisbruik moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

2. Overeenkomstig artikel 6 Faillissementswet is de schuldeiser gerechtigd om de faillietverklaring van zijn schuldenaar uit te lokken.

Zo ook heeft hij overeenkomstig artikelen 14, vierde lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997, 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek het recht om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij zijn vordering tot faillietverklaring ongegrond wordt verklaard.

Een en ander sluit weliswaar geen rechtsmisbruik uit, zoals wordt bevestigd door artikel 780bis Gerechtelijk Wetboek. Een recht kan worden misbruikt, ook al steunt het op de wet.

De uitoefening door een individueel schuldeiser van het hem bij artikel 6 Faillissementswet verleende recht om het faillissement van zijn schuldenaar te vorderen, zal derhalve slechts rechtmatig zijn wanneer hij persoonlijk enig voordeel uit de faillietverklaring van zijn schuldenaar kan halen en voor zover dat voordeel ook in verhouding staat tot het nadeel dat hij aldus toebrengt aan zijn schuldenaar en, in voorkomend geval, aan zijn mede-schuldeisers.

Overeenkomstig artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek kan een vordering immers slechts worden toegelaten wanneer de eiser bij deze vordering een reeds verkregen, persoonlijk, en dadelijk belang heeft, dat bovendien rechtmatig moet zijn.

Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer de schuldeiser uit het door hem nagestreefde faillissement van zijn schuldenaar persoonlijk geen enkel voordeel kan halen dan wel persoonlijk hieruit geen enkel voordeel kan halen dat hij niet reeds op een andere, voor zijn schuldenaar en mede-schuldeisers minder belastende, wijze kan bekomen, mede gelet op de gevolgen die ieder faillissement teweegbrengt, inzonderheid het verlies van rechts¬wege door de gefailleerde van het beheer van al zijn goederen overeenkomstig artikel 16 Faillissementswet ten voordele van een curator, die bij toepassing van artikel 33 Faillissementswet voor diens tussenkomst zal worden vergoed overeenkomstig de regels en barema's bepaald door de Koning, en de aanrekening van de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel, zijnde een post die zonder het faillissement niet zou bestaan, op het bedrag van het actief van de gefailleerde, dat onder de schuldeisers zal worden verdeeld naar evenredigheid van hun vorderingen, na aftrek van hetgeen aan de bevoorrechte schuldeisers betaald is, zulks overeenkomstig artikel 99 Faillissementswet.

3. Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat eerste verweerder eiseres als voormalig raadsman heeft bijgestaan in diverse procedures, die teruggaan op een op 8 juni 1983 onrechtmatig uitgesproken faillissementsvonnis, dat destijds leidde tot de tegeldemaking van alle roerende activa en van het fabrieksgebouw van eiseres en tot de ontmanteling van haar handelsactiviteit.

Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt voorts dat eerste verweerder op 10 januari 2008 bewarend onroerend beslag legde op de onroerende goederen van eiseres voor een bedrag in hoofdsom van 165.000 euro, een bedrag dat duidelijk overdreven was, nu blijkens de vaststellingen van datzelfde arrest eiseres op grond van een vonnis van 2 december 2008 aan eerste verweerder (slechts) een bedrag van 20.185,10 euro in hoofdsom, meer intresten en kosten verschuldigd is ten titel van onbetaald gebleven kosten en ereloon.

Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt tevens dat er op 27 mei 2010 een openbare verkoping van het onroerend patrimonium van de vennootschap, hetzij 50 hectaren industriegrond, plaatsvond, waarbij de twee kavels voor een bedrag van 1.510.200 euro werden toegewezen.

Ten gevolge van de toewijzing van de kavels gingen de rechten van de ingeschreven schuldeisers over op de prijs, zulks bij toepassing van artikel 1639 Gerechtelijk Wetboek.

Als schuldeiser die bewarend onroerend beslag legde en vervolgens een uitvoerbare titel bekwam, is eerste verweerder een samenlopende schuldeiser, zoals door eiseres in haar syntheseconclusie opgemerkt, wiens schuldvordering mede zal worden opgenomen in het proces-verbaal van verdeling van de opbrengst van de verkoop, dat de notaris overeenkomstig artikel 1643 Gerechtelijk Wetboek zal dienen op te stellen, zulks met inachtneming van de redenen van voorrang, waarvan sprake in de artikelen 8 en 9 Hypotheekwet.

Blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest werden er bij de notaris schuldvorderingen ingediend voor een totaal bedrag van 4.053.309,80 euro in hoofdsom door Fortis Bank nv, de belastingen Hasselt, de stad Dilsen-Stokkem, Charbonnages nv, de Belgische Staat en Lugo nv.

Het bestreden arrest verwijst in dat verband naar stuk 6 van de bundel van eerste verweerder, zijnde blijkens de inventaris bij de beroepsconclusie van eerste verweerder een attest van notaris Schotsmans van 26 oktober 2011 omtrent activa en passiva.

Geen van deze schuldeisers, waarvan de schuldvorderingen het bedrag van de schuldvordering van de voormalige raadsman van eiseres duidelijk overtreffen, achtte het kennelijk noodzakelijk of opportuun om het faillissement van eiseres uit te lokken.

In het bestreden arrest wordt geen gewag gemaakt van andere schuldvorderingen die zouden openstaan of van de aanwezigheid van andere activa dan de bewuste onroerende goederen, waarvan de tegeldemaking de schuldeisers, inzonderheid eerste verweerder, ten goede zou komen.

Zo het hof van beroep vaststelt dat er nog bepaalde procedures hangende zijn, werd er niet aangevoerd noch vastgesteld dat een curator deze sneller of met meer kans op succes zou kunnen behartigen dan de vennootschap zelf.

Ten slotte blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen niet welk voordeel eerste verweerder, in de gegeven omstandigheden, kon halen uit het door hem nagestreefde faillissement van zijn voormalige cliënte.

Besluit

Het hof van beroep, dat zich in het bestreden arrest, tot afwijzing van het aangevoerde rechtsmisbruik in hoofde van eerste verweerder, ertoe beperkt te verwijzen naar het voorhanden zijn van de faillissementsvoorwaarden, zonder weliswaar stil te staan bij het voordeel dat eerste verweerder, in de gegeven omstandigheden, persoonlijk nastreefde bij het instellen van de faillissementsvordering en van het hoger beroep tegen de beslissing, waarbij zijn vordering werd afgewezen door de eerste rechter, dan wel kon verwachten uit de faillietverklaring van eiseres, en derhalve zonder vast te stellen dat eerste ver-weerder persoonlijk een voldoende en redelijk belang bij de vordering in faillietverklaring van eiseres had, en dat de schade die aan eiseres door de faillietverklaring werd berokkend niet buiten verhouding stond tot het voordeel dat eerste verweerder uit de faillietverklaring kon halen, verantwoordt zijn beslissing dat er in hoofde van eerste verweerder geen sprake was van rechtsmisbruik en dat zijn vordering gegrond diende te worden verklaard, niet naar recht (schending van artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, 6 en 14, vierde lid Faillissementswet van 8 augustus 1997, 616, 780bis en 1050 Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd evenredigheidsbeginsel) en beslist derhalve niet wettig dat eiseres overeenkomstig artikelen 2 en 6 Faillissementswet diende te worden failliet verklaard (schending van artikelen 2 en 6 Faillissementswet van 8 augustus 1997). Bovendien verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht indien het bestreden arrest aldus dient te worden gelezen dat het enkele feit dat de faillissementsvoorwaarden voorhanden worden geacht volstaat opdat er geen sprake zou kunnen zijn van enig rechtsmisbruik in hoofde van de individuele schuldeiser die het faillissement nastreeft (schending van al de hiervoren aangehaalde wetsbepalingen).

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikel 16 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- artikel 544 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 4 september 2012 verklaart het hof van beroep te Brussel de nieuwe vordering van eiseres, strekkende tot de veroordeling van eerste verweerder tot een vergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond, verklaart het hoger beroep van eerste verweerder gegrond, "doet het bestreden vonnis teniet, behalve in de mate waarin het de vorderingen van partijen ontvankelijk verklaarde, de vordering van appellant ongegrond verklaarde en de kosten begroot heeft; opnieuw recht doende voor het overige: verklaart de vordering van appellant gegrond, verklaart de Vulstoffen Exploitatie nv, afgekort Vulex nv, failliet" en stelt als curator mr. Ilse Van de Mierop aan, na onder meer te hebben overwogen:

"Schending van artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955.

21. Er is geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel, noch van artikel 1 van voormeld Verdrag, minstens blijft (eiseres) in gebreke om het tegendeel aan te tonen of zelfs maar aannemelijk te maken."

Grieven

Naar luid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, hebben alle natuurlijke of rechtspersonen recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

Blijkens het tweede lid van voornoemd artikel tast de voorgaande bepaling op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om de wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.

Indien de Staat bepaalde eigendomsberovende of beperkende maatregelen mag nemen, moeten deze maatregelen evenwel een gewettigd karakter vertonen.

Bovendien mogen dergelijke privatieve maatregelen aan de rechtsonderhorige geen abnormaal zware last opleggen, zonder aldus aan artikel 16 Grondwet en 544 Burgerlijk Wetboek afbreuk te doen.

Het faillissement van een rechtspersoon impliceert overeenkomstig artikel 16 Faillissementswet van 8 augustus 1997 dat de gefailleerde vanaf datum van het vonnis van faillietverklaring het beheer over zijn goederen verliest en dat er bij toepassing van artikel 11 Faillissementswet een curator wordt aangesteld, wiens opdracht erin zal bestaan om alle activa te gelde te maken en de opbrengst te verdelen onder de schuldei¬sers naar evenredigheid van hun schuldvordering, zulks na hierop de kosten van het beheer van het faillissement en het ereloon van de curator, bepaald overeenkomstig artikel 33 van de Faillissementswet, in mindering te hebben gebracht, zoals voorgeschreven bij artikel 99 Faillissementswet.

Dergelijke maatregel, die bijgaande kosten veroorzaakt, is slechts verantwoord voor zover het faillissement, gelet op de concrete gegevens van de zaak, een meerwaarde vertegenwoordigt voor de schuldeisers dan wel een grotere zekerheid op een gelijke behandeling dan de reeds aan de gang zijnde procedures biedt.

Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat er op 27 mei 2010 reeds werd overgegaan tot een openbare verkoping van het onroerend patrimonium van eiseres door tussenkomst van notaris Schotsmans, aan wie het zal toekomen om overeenkomstig artikel 1643 Gerechtelijk Wetboek een proces-verbaal van rangregeling en verdeling op te stellen, zulks met inachtneming van de redenen van voorrang, waarvan sprake in de artikelen 8 en 9 Hypotheekwet.

Ten gevolge van de toewijzing van de kavels gingen de rechten van de ingeschreven schuldeisers over op de prijs, zulks bij toepassing van artikel 1639 Gerechtelijk Wetboek.

Ingevolge die verkoop ontstond er derhalve reeds een situatie van samenloop tussen alle ingeschreven schuldeisers en de schuldeisers die zich bij het beslag aansloten.

Uit het bestreden arrest blijkt niet dat er nog andere schuldvorderingen bestaan dan deze die hierin zijn vermeld.

Evenmin wordt de aanwezigheid vastgesteld van andere activa dan de bewuste onroerende goederen, waarvan de tegeldemaking de schuldeisers, onder wie eerste verweerder, reeds ten goede komt.

Zo het hof van beroep vaststelt dat er nog bepaalde procedures hangende zijn, waarvan eiseres niet aantoont of aannemelijk maakt dat deze binnen afzienbare termijn voor haar een gunstig gevolg zullen hebben en aanleiding zullen geven tot betaling van enige schadevergoeding, stelt het niet vast dat een curator deze procedures sneller of met meer kans op succes zou kunnen behartigen dan de vennootschap zelf.

De door het hof van beroep gedane vaststellingen bevatten zodoende geen enkele verantwoording voor het opleggen aan eiseres van een zwaardere last dan deze die reeds volgt uit de lopende procedures van tegeldemaking, te weten de faillissementstoestand en de gevolgen die daaraan door de wet zijn verbonden, inzonderheid het verlies van het beheer van alle goederen en het creëren van een bijkomend passief.

Op grond van de gedane feitelijke vaststellingen, waaruit niet blijkt welke meerwaarde het faillissement van eiseres in de gegeven omstandighe-den voor de schuldeisers, inzonderheid eerste verweerder, die reeds bewarend beslag op onroerend goed had gelegd en die sowieso bij het proces-verbaal van rangregeling en verdeling der gelden, op te stellen door de notaris diende te worden betrokken, kon vertegenwoordigen, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat er geen sprake was van een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescher¬ming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 16 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en 544 Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Een schuldeiser is gerechtigd het faillissement van zijn schuldenaar te vor-deren wanneer de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Een schuldeiser voldoet in die omstandigheid, in beginsel, aan de vereisten van de artikelen 17 en 18 Gerech-telijk Wetboek.

Dient een schuldeiser niet aan te tonen dat de faillissementsvordering voor hem een groter voordeel oplevert als een andere wijze van invordering van zijn schuld-vordering, dan mag het instellen van deze vordering geen rechtsmisbruik uitma-ken. Dit laatste is het geval wanneer er een kennelijke onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de faillissementsvordering en de belangen die door de toe-wijzing van de vordering worden geschaad.

2. De appelrechters oordelen dat de eerste verweerder geen misbruik heeft ge-maakt van zijn recht om het faillissement van de eiseres aan te vragen en verwijzen in dit verband naar de redenen met betrekking tot hun vaststelling dat de fail-lissementsvoorwaarden vervuld zijn.

Louter op grond van deze vaststelling, vermochten de appelrechters niet te oorde-len dat de eerste verweerder zijn recht om het faillissement te vorderen niet abu-sief heeft uitgeoefend, zoals door de eiseres was aangevoerd.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

3. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 28 november 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Vereisten van het faillissement

  • Schuldeiser

  • Vordering tot faillissement van de schuldenaar

  • Voorwaarden

  • Belang

  • Rechtsmisbruik

  • Onevenredigheid tussen de belangen