- Arrest van 29 november 2013

29/11/2013 - C.12.0418.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechtspleging tot betwisting van vaderschap kan worden geregulariseerd door, tijdens de rechtspleging, het door zijn voogd ad hoc vertegenwoordigde minderjarige kind bij de zaak te betrekken, wanneer de dagvaarding niet tegen dat kind persoonlijk maar tegen zijn wettelijke vertegenwoordigers is gericht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0418.F

1. A.-F. P.,

2. O. H.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J.-F. R.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. B. P., qq. voogd ad hoc.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 21 mei 2012, gewezen op verwijzing na het arrest van het Hof van 19 maart 2010.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 318, § 2, 331sexies en 332bis Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 17, 860, 861 en 867 Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest, dat op dat punt het vonnis van de eerste rechter bevestigt, verklaart de rechtsvordering tot betwisting van vaderschap ontvankelijk die de eerste verweerder tegen de eisers ingesteld heeft bij exploot van 12 juli 2007 en bij op 26 december 2007 neergelegde conclusie.

De eisers hadden in hun syntheseconclusie in hoger beroep na cassatie betwist dat de rechtsvordering ontvankelijk was op grond dat zij, bij de inleiding van het geding, niet ingesteld was tegen het kind C., dat slechts in hoger beroep, via zijn voogd ad hoc, de tweede verweerder, in de zaak was tussengekomen, na het verstrijken van de eenjarige termijn van artikel 318, § 2, Burgerlijk Wetboek.

Het arrest verwerpt dat middel van niet-ontvankelijkheid, bevestigt het vonnis van de eerste rechter met dien verstande dat het bevolen deskundigenonderzoek een genetisch onderzoek moet zijn, en laat de kosten van hun hoger beroep en van hun cassatieberoep ten laste van de eisers en veroordeelt hen in de rechtsplegingsver-goeding in hoger beroep.

Het bestreden verantwoordt de verwerping van het voornoemde middel van niet-ontvankelijkheid als volgt:

"De [eisers] voeren voor het eerst voor het hof [van beroep], na cassatie, aan, enerzijds, dat [de eerste verweerder], bij de inleiding van de rechtspleging, zijn rechtsvordering niet tegen het minderjarige kind heeft ingesteld, en, anderzijds, dat de desbetreffende regularisatie van de rechtspleging in hoger beroep te laat is gebeurd, namelijk meer dan een jaar na de geboorte van het kind.

Er dient te worden vastgesteld dat de [eisers], op geen enkel ogenblik, sinds de in-leiding van de zaak in eerste aanleg, en zelfs niet in cassatie, die middelen hebben aangevoerd; het is ambtshalve dat het hof van beroep te Luik de zaak had uitgesteld om de partijen de mogelijkheid te bieden de rechtspleging te regulariseren door het aanstellen van een voogd ad hoc voor het minderjarige kind.

De verzuimde vormvereiste werd verricht, en uit de stukken van de rechtspleging volgt genoegzaam dat het uitblijven van een reactie van de [eisers] aantoont dat het verzuim van de vormvereiste noch hun belangen en hun recht van verdediging, noch die van het minderjarige kind heeft geschaad.

De rechtsvordering van de persoon die de afstamming opeist, moet ingesteld worden in de loop van het jaar dat die persoon ontdekt dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; in deze zaak weet [de eerste verweerder], wegens de twijfels en de aarzelingen [van de eiseres] over de identiteit van de biologische vader van C., thans nog steeds niet zeker of hij daadwerkelijk de verwekker van het voornoemde kind is; zijn rechtsvordering werd ingesteld met inachtneming van de wettelijke termijn."

Grieven

Die beslissing en de redenen waarop zij steunt, zijn onwettig.

Uit de regel van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek luidens hetwelk de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen, volgt dat de eiser zijn rechtsvordering moet instellen tegen degenen die hoedanigheid hebben om erop te antwoorden.

De door artikel 17 Gerechtelijk Wetboek vereiste voorwaarden van hoedanigheid en belang moeten worden beoordeeld op het tijdstip dat de rechtsvordering wordt ingesteld en een rechtsvordering die onontvankelijk is bij het instellen ervan kan naderhand niet meer worden geregulariseerd.

De rechtsvordering die niet werd ingesteld tegen het kind C. overeenkomstig de in het middel vermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek en overeenkomstig artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, maar pas voor het hof van beroep te Luik werd geregulariseerd, is niet ontvankelijk, zodat dat middel van niet-ontvankelijkheid, net zoals elk middel van niet-ontvankelijkheid, in iedere stand van het geding kan worden opgeworpen en zelfs voor het eerst in hoger beroep.

De eisers konden het dus aanvoeren voor het hof van beroep te Bergen en hoefden daarvoor geen grief te doen gelden aangezien de artikelen 860, 861 en 867 Gerechtelijk Wetboek geen verband houden met de niet-ontvankelijkheid van een vordering.

Daaruit volgt dat het arrest de verwerping van het middel van niet-ontvankelijkheid niet naar recht verantwoordt (schending van alle in het middel vermelde bepalingen, behalve artikel 149 van de Grondwet).

Het bestreden arrest vertoont bovendien een tegenstrijdigheid in de redengeving in zoverre het beslist dat de rechtsvordering binnen de wettelijke termijn is ingesteld nadat het eerder erop had gewezen dat zij in hoger beroep werd geregulariseerd.

Wegens die tegenstrijdige redenen is het bestreden arrest bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 332bis Burgerlijk Wetboek moeten de vorderingen tot betwisting van staat op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van zijn ouders wiens vaderschap of moederschap niet wordt betwist in het geding worden geroepen, alsook de persoon wiens vaderschap of moederschap wordt betwist.

Krachtens artikel 331sexies van dat wetboek wordt de niet-ontvoogde minderjari-ge in gedingen betreffende zijn afstamming, als eiser of als verweerder vertegen-woordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger en, indien er tegenstrijdigheid van belangen is, door een voogd ad hoc die aangewezen wordt door de voorzitter van de rechtbank op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings.

Uit het onderling verband tussen die bepalingen volgt dat de rechtspleging tot be-twisting van vaderschap kan worden geregulariseerd door, tijdens de rechtsple-ging, het door zijn voogd ad hoc vertegenwoordigde minderjarige kind bij de zaak te betrekken, wanneer de dagvaarding niet tegen dat kind persoonlijk maar tegen zijn wettelijke vertegenwoordigers werd gericht.

In zoverre het middel onderstelt dat de rechtsvordering tot betwisting van vader-schap niet ontvankelijk is wanneer de dagvaarding niet tegen het minderjarige kind is gericht, faalt het naar recht.

Voor het overige is het niet tegenstrijdig te overwegen, enerzijds, dat de rechts-pleging in hoger beroep werd geregulariseerd door de vrijwillige tussenkomst van de voogd ad hoc van het kind, en anderzijds, dat de rechtsvordering binnen de wettelijke termijn werd ingesteld aangezien die termijn nog niet is beginnen lopen op de datum van de uitspraak van het arrest, daar de eerste verweerder nog steeds niet weet of hij de verwekker van het kind is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 29 november 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Hoedanigheid

  • Afstamming

  • Rechtspleging tot betwisting van vaderschap

  • Dagvaarding niet tegen de niet-ontvoogde minderjarige gericht

  • Regularisatie