- Arrest van 29 november 2013

29/11/2013 - C120540F-C120544F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bewijslast van het feit dat de schuldenaar het voorrecht van de verjaring heeft verzaakt, berust bij de schuldeiser die zich op die verzaking beroept.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0540.F

ZIEKENHUISVERENIGING VAN ANDERLECHT, SINT-GILLIS, ET-TERBEEK EN ELSENE - IRIS ZIEKENHUIZEN ZUID vzw,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. D.,

(...)

Nr. C.12.0544.F

ZIEKENHUISVERENIGING VAN ETTERBEEK EN ELSENE vzw,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. D.,

(...)

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brus-sel van 25 februari en 18 november 2011.

Bij een op 13 november 2012 ter griffie van het Hof neergelegde akte doet de ei-seres afstand van haar cassatieberoep AR nr. C.12.0540.F.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Tot staving van het cassatieberoep AR nr. C.12.0544.F voert de eiseres een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1235, 1315, 1319, 1320, 1322, 2220 en 2221 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

1. Het bestreden arrest van 25 februari 2011 stelt vast dat de schuldvordering van de eiseres verjaard is sinds 22 december 1996 met toepassing van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, heropent het debat "betreffende de aangevoerde afstand van die verjaring" en, "meer in het algemeen", verzoekt ten slotte de par-tijen de volgende vragen te beantwoorden:

-"Kan de - ondersteld werkelijke - dreiging met een ‘gerechtelijke verkoping' van het pand de handelingen van de notarissen en de advocaten van de partijen verklaren?

- Zo ja, hoe begrijpen zij de handelingen die in hun naam zijn gesteld in het licht van artikel 1235, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek; wat verstaan zij, met name, onder vrijwillige betaling of vrijwillige belofte tot betaling?".

2. Die beslissing steunt op de volgende redenen:

"7. Sinds april 1999 zijn de partijen het erover eens dat de schuldvordering van [de eiseres] valt onder de verjaring van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek.

Met toepassing van die bepaling was de rechtsvordering van [de eiseres] verjaard op 22 december 1996.

8. [De eiseres] betoogt dat afstand werd gedaan van het voordeel van die bevrijdende verjaring. Zij moet daarvan het bewijs leveren met dien verstande dat geen enkele afstand van de verjaring rechtsgeldig kon gebeuren voordat ze verkregen was (artikel 2220 van het Burgerlijk Wetboek ), d.w.z., in dit geval, vóór 22 december 1996, en dat de afstand stilzwijgend kan zijn, mits hij volgt uit een daad die het verzaken van het verkregen recht onderstelt (artikel 2221 van die wet), d.w.z. uit een vaststaande daad van verzaking, die niet voor een andere uitlegging vatbaar is.

Dat bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd, aangezien het be-trekking heeft op een feit.

9. In het licht van de overgelegde briefwisseling lijdt het geen twijfel dat de erfgenamen van mevrouw C. sinds 1997 bijgestaan werden door raadslieden, zijnde meester B., enerzijds, en meester P.P., anderzijds.

[De vijfde verweerder], die sinds 16 oktober 1992 de voorlopige beheerder van de goederen van zijn grootmoeder is, had trouwens notaris J. geraadpleegd voor de vereffening van de nalatenschap, terwijl de overige erfgenamen notaris R. en notaris B. ermee hadden gelast hen te vertegenwoordigen in het kader van die vereffening. Notaris J. inde de huur voor het pand in de nalatenschap voor re-kening ervan.

Volgens de aangifte van nalatenschap bezat mevrouw C. slecht 5/8sten van het pand, waarbij het overige deel eigendom [van de eerste verweerder] was. Het lot van die activa van de nalatenschap wordt bepaald bij de vereffeningsverrichtingen, in die zin dat [de eerste verweerder] onderhands de aandelen van zijn mede-erfgenamen in dat pand zou overkopen.

Voorts volgt uit de overgelegde briefwisseling dat de raadsman van [de eiseres] op 28 maart 1997 ten aanzien van notaris J., met wie hij in contact was sinds 25 oktober 1996, ermee dreigde ‘in de komende dagen' over te gaan tot ‘de gerechte-lijke verkoping van het [voornoemde] pand indien hij hem niet de afrekening bezorgde van de bedragen die hij van de huurders van de overledene had ontvangen en ze op zijn rekening stortte.

Meester S., die zich beroept op de uitdrukkelijke overeenkomst van de raadslieden van de [verweerders] voor de uitvoering van die betalingen, herhaalde in een brief van 20 november 1997 zijn dreiging - alsook jegens de notarissen R. en B. - ‘om de gedwongen gerechtelijke verkoping van het pand in Waver in gang te zetten'.

Reeds op 21 november 1997 schreef notaris B. aan notaris J. het volgende: ‘Ik verneem van meester S. (...) dat u de storting voor zijn cliënte nog steeds niet hebt uitgevoerd (...). Zoals ik u eerder heb gemeld, heb ik formele instructies gekregen van meester B., de raadsman van alle [verweerders], om een betaling te doen ten voordele [van de eiseres]. Zoals uzelf hebt kunnen lezen dreigt meester S. ermee de procedure van beslag op onroerend goed te hervatten. Mocht er jammer genoeg beslag worden gelegd op het pand, dan vrees ik dat de [verweerders] u aansprakelijk zullen stellen voor hun eventuele schade'. (...)

Notaris J. meldt dan aan meester S., per faxbericht van dezelfde dag, dat hij terstond 300.000 frank stort ‘in mindering van de schuldvordering [van de eiseres]'.

Dezelfde notaris vestigde op 22 januari 1998 de aandacht van alle partijen op het feit dat ‘het kernprobleem in deze zaak uiteraard bestaat in de volledige betaling [aan de eiseres] van het haar verschuldigde saldo, zo niet hangt ons een gedwongen verkoping van het pand boven het hoofd'.

Vervolgens gaf notaris B. hem de toestemming om de betalingen te blijven doen via de beschikbare huurgelden en om ‘het resterende gedeelte van de uitonver-deeldheidtreding na de betaling van het saldo in hoofdsom van de facturen van [de eiseres]' te kantonneren. Notaris J. schrijft tevens meester B. aan, op dezelfde datum van 19 februari 1999, en meldt hem, eens te meer, dat zowel hijzelf als zijn confraters aan meester S. hadden gemeld dat zijn cliënte terugbetaald zou worden met de opbrengst van de verkoop van het pand, ‘en dat hij daarom ten laste van de nalatenschap geen uitvoerend beslag op onroerend goed heeft doen leggen, wat hij had kunnen doen'.

Over de betaling van de door [de eiseres] gevorderde interest zijn de [eerste vier verweerders], het niet eens geworden omdat zij meenden dat die betaling uitsluitend ten laste [van de vijfde verweerder] valt.

Op 9 maart 2000 schrijft notaris J. meester D., de nieuwe raadsman van [de eerste vier verweerders] in de volgende bewoordingen aan: ‘U verliest meer bepaald uit het oog dat die schuldeiser zich reeds begin 1996 heeft gemanifesteerd; hij heeft niet onmiddellijk de openbare verkoping van het pand op uitvoerend beslag op onroerend goed in gang gezet, uitsluitend omdat wij hem met betrekking tot de betaling van zijn schuldvordering, hebben verzekerd dat de erfgenamen het eens zouden worden over de verkoop van het pand onder de beste voorwaarden en dat hij zou worden betaald door inhouding op de verkoopprijs. Hoe kan men dan be-weren dat mijn confrater en ikzelf ons niet ten aanzien van die schuldeiser zouden hebben verbonden? Als bewijs daarvan vermeld ik de bijgaande brief van 16 maart 1996 van mijn confrater B. die, als eerste, werd gecontacteerd door "Caisse Euro Encaissement" belast met de invordering van de schuldvordering, en haar gevraagd heeft geduld te oefenen in afwachting van de verkoping. Ik heb nadien op dezelfde manier gereageerd toen meester S. mij contacteerde en ik ben ook erin geslaagd hem te doen wachten om het uitvoerend beslag op onroerend goed te beletten en dit, gedurende ettelijke maanden (en jaren) waarin de erfgenamen hebben gedraald om uit te maken of zij het goed te koop zouden stellen dan wel of iemand van hen het zou overnemen. De volledige briefwisseling werd bezorgd aan mijn confraters en aan de raadslieden van de cliënten'.

De door de lasthebbers van de [verweerders] gestelde handelingen, in de hierboven omschreven feitelijke omstandigheden, verbinden de [verweerders] ten aanzien van [de eiseres], op grond van de regels van de lastgeving, of op zijn minst op grond van een schijnmandaat.

De goede trouw van [de eiseres] kan niet worden betwijfeld. Zij kreeg immers overeenstemmende informatie van verscheidene beroepsjuristen van wie niet wordt betwist dat zij de [verweerders] daadwerkelijk bijstonden".

3. Daaruit leidt het bestreden arrest van 25 februari 2011 het volgende af:

"11. Daaruit volgt echter niet noodzakelijk dat de [verweerders] zich niet langer wensten te beroepen op de uitdovende verjaring van de rechtsvordering van [de eiseres] (zie hoger, artikel 2221 van het Burgerlijk Wetboek)".

4. Na de heropening van het debat beslist het bestreden arrest van 18 november 2011 dat de eiseres het bewijs van de afstand van de verjaring niet bewijst, terwijl zij dat volgens het arrest hoort te doen.

Bijgevolg neemt dat arrest de volgende beslissingen:

- het verklaart enkel het hoofdberoep en het door de vijfde verweerder ingestelde incidenteel hoger beroep gegrond;

- het doet het beroepen vonnis teniet, behalve in zoverre het de oorspronkelijke tegenvorderingen ontvankelijk verklaart en over de kosten beslist;

- het verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres verjaard en verklaart ze ontvankelijk maar niet gegrond in zoverre zij steunt op een natuurlijke verbintenis die tot een burgerrechtelijke verbintenis werd omgevormd;

- het verklaart de tegenvorderingen gegrond en veroordeelt bijgevolg de eiseres tot terugbetaling van:

- 3.718,40 euro, aan de eerste verweerder,

- 619,73 euro, aan de tweede verweerder,

- 619,73 euro, aan de derde verweerster,

- 619,73 euro, aan de vierde verweerster,

- 1.859,20 euro, aan de vijfde verweerder,

vermeerderd met de moratoire interest vanaf 21 november 1997 tot de algehele betaling.

Tot slot veroordeelt dat arrest de eiseres in de kosten van de beide aanleggen, vastgesteld, in graad van beroep, op 2.000 euro + 182 euro voor de eerste tot en met de vierde verweerder, en op 2.200 euro voor de vijfde verweerder.

5. Die beslissing steunt op de onderstaande redenen:

"2. Het hof [van beroep] heeft in zijn tussenarrest erop gewezen dat [de eiseres] het bewijs diende te leveren van de afstand, door de [verweerders] of [hun] last-hebbers, van de uitdovende verjaring van haar schuldvordering, met dien verstande dat die afstand stilzwijgend kan zijn, mits hij ‘volgt uit een daad die het verzaken van het verkregen recht onderstelt' (artikel 2221 van het Burgerlijk Wetboek), dat wil zeggen, uit een vaststaande daad die voor geen andere uitlegging vatbaar is.

Daaruit volgt dat geen enkele stilzwijgende afstand van een verjaring kan worden afgeleid uit een daad die men aan onachtzaamheid of verzuim zou kunnen toe-schrijven.

3. Het op [de eiseres] rustende bewijs wordt hier niet geleverd.

Uit de briefwisseling die het hof [van beroep] in zijn tussenarrest weergeeft, blijkt dat zowel de beloften tot betaling als de gedeeltelijke betaling van de ziekenhuiskosten die werden gedaan door de beroepsmensen die de [verweerders] bijstonden, gebeurd zijn onder de, ondersteld werkelijke, dreiging, of althans in de vrees, van een nakende gedwongen verkoping van het pand in de nalatenschap.

Hoewel die dreiging of die vrees onterecht was, aangezien [de eiseres] geen enkele titel bezat op grond waarvan zij die verkoping kon bewerkstelligen, blijkt toch uit niets, in die brieven of in de neergelegde stukken, dat de lasthebbers van de [verweerders] aldus handelingen zouden hebben gesteld die slechts konden worden uitgelegd als een afstand van een ten name van hun respectieve cliënten verkregen verjaring.

De omstandigheid dat die gedraging zou voortvloeien uit een onverschoonbare dwaling van hunnentwege doet daaraan niets af.

Uit die overwegingen volgt dat [de verweerders] de uitdovende verjaring tegen de oorspronkelijke vordering (van de eiseres) kunnen aanvoeren.

4. [De eiseres] betoogt, in die onderstelling, dat de betaling van 300.000 frank en de beloftes om het saldo van de verjaarde schuld te betalen, die verjaarde schuld hebben gewijzigd in een natuurlijke verbintenis, zodat de erfgenamen hetgeen betaald is niet kunnen terugvorderen, en zij gerechtigd zou zijn van hen de gedwon-gen tenuitvoerlegging te eisen van hun belofte om het saldo te betalen.

De verbintenis ten opzichte waarvan het vorderingsrecht van de schuldeiser ver-jaard is, is immers een natuurlijke verbintenis (Cass., 6 maart 2006, AC, 2006, nr. 127; Cass., 24 september 1981, AC, 1981-82, nr. 69). Die wijziging, louter en al-leen door de wil van de schuldenaar, vormt de uiting van de eenzijdige wil als bron van verbintenissen.

Zij moet bijgevolg duidelijk en ondubbelzinnig zijn en de terugvordering van hetgeen betaald is moet aangenomen worden indien die betaling niet vrijwillig is gedaan, bi voorbeeld, indien zij onder dwang van dreigbrieven is gebeurd (Cass., 24 september 1981, voornoemd).

Dezelfde regel geldt voor de belofte tot betaling van een verjaarde schuld, waarvan wordt aangenomen dat zij daardoor ook een burgerrechtelijke verbintenis wordt.

In deze zaak kan niet worden staande gehouden dat de gedeeltelijke betaling door notaris J., zelfs zonder enig voorbehoud, ‘vrijwillig' zou zijn gedaan in de zin van [artikel 1235, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek]. Dat blijkt voldoende uit de bewoordingen van de brief van meester S. van 20 november 2007 [lees: 1997] en uit die van de daaropvolgende brief van notaris B. aan notaris J. van 21 november 1997, die een ‘onmiddellijke' reactie van laatstgenoemde hebben veroorzaakt (zie zijn faxbericht van dezelfde dag)

Uit de overgelegde stukken volgt evenmin dat de opeenvolgende beloftes om het saldo van de verjaarde schuld te voldoen, die in dezelfde context werden gedaan als de voornoemde gedeeltelijke betaling (zie onder meer, de brief van notaris J. van 22 januari 1998 aan alle partijen), het gevolg zouden zijn van een duidelijke, onderscheiden wil om een natuurlijke verbintenis te erkennen, noch a fortiori van een wil om zich vrijelijk ertoe te verbinden ze uit te voeren.

De gerechtelijke stukken die op 22 september 1998 werden neergelegd voor de rechtbank waarbij een tegen [de vijfde verweerder] ingestelde rechtsvordering tot overlegging van rekening was neergelegd, kunnen die zienswijze niet weerleggen.

Ten slotte is het middel dat afgeleid is uit de brief van de raadsman van de [eerste vier verweerders] van 11 juni 1999 (‘Enkel de bedragen die u werden betaald kunnen dus geacht worden verworven te zijn en buiten de verjaring te vallen'), evenmin relevant, aangezien die overweging past, zoals de steller van die brief duidelijk vermeldt, in het kader ‘van een officieel voorstel van zijn cliënten', waarvan vaststaat dat het niet werd aanvaard door [de eiseres]."

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1.1. Vast staat dat luidens artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, de eiser het bewijs moet leveren van de feiten die hij aanvoert, op straffe van de gevolgen van het genomen bewijsrisico te dragen.

Krachtens artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek moet degene die beweert bevrijd te zijn het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het te-nietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Daaruit volgt dat de schuldenaar, wanneer de schuldeiser het bestaan van zijn schuldvordering heeft bewezen, het bewijs moet leveren van het feit dat het teniet-gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

2. Het bestreden arrest van 25 februari 2011 neemt aan dat wijlen mevrouw C. en, vervolgens haar erfgenamen, de schuldenaars waren van de eiseres en, bijgevolg, dat de verweerders een verbintenis tot betaling van de ziekenhuiskosten hadden, maar legt, om de voornoemde redenen, de eiseres niettemin de bewijslast op van het feit dat die betalingsverbintenis is tenietgegaan door een verjaring waarvan geen afstand zou zijn gedaan.

Het hof van beroep heeft in het bijzonder erop gewezen dat "[de eiseres] betoogt dat afstand werd gedaan van het voordeel van die bevrijdende verjaring. Zij moet daarvan het bewijs leveren".

Het hof van beroep heeft die zienswijze herhaald in het bestreden arrest van 18 november 2011, in de volgende bewoordingen:

"Het hof [van beroep] heeft in zijn tussenarrest erop gewezen dat [de eiseres] het bewijs diende te leveren van de afstand, door de [verweerders] of [hun] lasthebbers, van de uitdovende verjaring van haar schuldvordering.

Het op [de eiseres] rustende bewijs wordt hier niet geleverd".

3. De bestreden arresten, die het bewijs van het tenietgegaan van de betalingsverbintenis van de verweerders ten laste leggen van de eiseres, hoewel dat aan de verweerders staat, miskennen bijgevolg de draagwijdte van de regels over de bewijslast (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid tweede lid, en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

1.Krachtens artikel 1235, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is terugvordering ten opzichte van natuurlijke verbintenissen die men vrijwillig voldaan heeft, uitgesloten.

De uitdovende verjaring raakt niet het bestaan van de schuld maar enkel de eis-baarheid ervan. De verbintenis waarvoor het vorderingsrecht van de schuldeiser is tenietgegaan door verjaring blijft bestaan als natuurlijke verbintenis.

De vrijwillige betaling van een verjaarde schuld kan dus niet worden gevorderd door de solvens.

De natuurlijke verbintenis wordt in feite een burgerrechtelijke verbintenis wanneer de schuldenaar ze vrijwillig uitvoert of met kennis van zaken belooft ze uit te voeren, wat het besef impliceert dat de verjaringstermijn reeds verstreken was.

De schuldenaar die beloofd heeft zijn natuurlijke verbintenis uit te voeren, kan voor de rechter worden geroepen om zijn natuurlijke verbintenis die door de belofte een burgerrechtelijke verbintenis is geworden, uit te voeren.

Een natuurlijke verbintenis wordt bijgevolg een burgerrechtelijke verbintenis waarvan de uitvoering voor de rechter kan worden gevorderd, zodra de uitvoering van die verbintenis of de belofte daartoe, vrijwillig gebeurt en met kennis van zaken betreffende de verjaring.

2. Het hof van beroep heeft met de voornoemde redenen vastgesteld dat:

- de verweerders als erfgenamen van mevrouw C. de voornaamste schuldenaars van de eiseres zijn;

- de verweerders weet hadden van het feit dat de verjaringstermijn reeds verstreken was;

- de verweerders, door toedoen van de notaris-vereffenaar, op 21 november 1997, de verbintenis, zonder voorbehoud, gedeeltelijk hebben uitgevoerd, toen notaris J. een bedrag van 300.000 frank "in mindering van de schuldvordering [van de eiseres]" aan laatstgenoemde betaalde. Het bestreden arrest van 25 februari 2011 neemt inzonderheid aan dat "notaris J. [...] dan aan meester S., per faxbericht van dezelfde dag, meldt dat hij terstond 300.000 frank stort ‘in mindering van de schuldvordering [van de eiseres]'" en het bestreden arrest van 18 november 2011 neemt "de gedeeltelijke betaling door notaris J., zelfs zonder enig voorbehoud" aan;

- de verweerders, door toedoen van hun lasthebbers, zich ertoe hebben verbonden de aan de eiseres verschuldigde bedragen te betalen en dat er dus uitdrukkelijke beloftes zijn gedaan om de betalingsverbintenis uit te voeren; het bestreden arrest van 25 februari 2011 neemt inzonderheid het volgende aan: "Op 9 maart 2000 schrijft notaris J. meester D., de nieuwe raadsman van [de eerste vier verweerders] in de volgende bewoordingen aan: ‘U verliest meer bepaald uit het oog dat die schuldeiser zich reeds begin 1996 heeft gemanifesteerd; [...] wij [hebben] hem met betrekking tot de betaling van zijn schuldvordering, [...] verzekerd dat de erfgenamen het eens zouden worden over de verkoop van het pand onder de beste voorwaarden en dat hij zou worden betaald door inhouding op de verkoopprijs. Hoe kan men dan beweren dat mijn confrater en ikzelf ons niet ten aanzien van die schuldeiser zouden hebben verbonden?'"; "reeds op 21 november 1997 schreef notaris B. aan notaris J. het volgende: (...) zoals ik u eerder heb gemeld, heb ik formele instructies gekregen van meester B., de raadsman van alle [verweerders], om een betaling te doen ten voordele van de ziekenhuisvereniging'"; "vervolgens gaf notaris B. [notaris J.] de toestemming om de betalingen te blijven doen via de beschikbare huurgelden en om ‘het resterende gedeelte van de uitonverdeeldheidtreding na de betaling van het saldo in hoofdsom van de facturen van [de eiseres] te kantonneren' (zie zijn faxbericht van 13 januari 1999 en de brief van notaris J. aan meester S. van 19 februari 1999). Notaris J. schrijft tevens meester B. aan, op dezelfde datum van 19 februari 1999, en meldt hem, eens te meer, dat zowel hijzelf als zijn confraters aan meester S. hadden gemeld dat zijn cliënte terugbetaald zou worden met de opbrengst van de verkoop van het pand" en de "beloftes tot betaling".

Het hof van beroep heeft aldus vastgesteld dat voldaan is aan alle voorwaarden om de verjaarde natuurlijke verbintenis van de verweerders om te zetten in een burgerrechtelijke verbintenis.

De bestreden arresten leiden daaruit echter niet af dat de verweerders niet langer het recht hadden het reeds betaalde bedrag terug te vorderen en dat de eiseres het recht had om van de verweerders de gedwongen tenuitvoerlegging van hun belofte tot betaling van het saldo te vorderen. Ze eisen daarentegen het bestaan van "een duidelijke, onderscheiden, wil om een natuurlijke verbintenis te erkennen" of "een wil om ze vrijelijk uit te voeren".

3. De bestreden arresten die eisen dat de opeenvolgende beloftes van de verweerders tot voldoening van het saldo van de verjaarde schuld voortvloeien uit een "duidelijke, onderscheiden, wil om een natuurlijke verbintenis te erkennen" of "een wil om ze vrijelijk uit te voeren", terwijl, voor de niet-terugvordering van een verbintenis de eenvoudige wil zich bewust te zijn van het feit dat de schuld verjaard is, volstaat, miskennen bijgevolg de draagwijdte van artikel 1235, inzonderheid tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, door aan die bepaling een voorwaarde toe te voegen die zij niet bevat.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Cassatieberoep AR nr. C.12.0544.F

Middel

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 1315, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat degene die beweert be-vrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het teniet-gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Krachtens artikel 2219 van dat wetboek is verjaring een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, van een verbinte-nis bevrijd te worden.

Luidens artikel 2221 van dat wetboek geschiedt afstand van verjaring uitdrukke-lijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Overeenkomstig artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek berust de bewijslast van het feit dat de schuldenaar afstand heeft gedaan van het voorrecht van de ver-jaring bij de schuldeiser die zich op die afstand beroept.

Het bestreden arrest van 25 februari 2011 stelt, zonder daarop te worden bekriti-seerd, dat "de schuldvordering van de eiseres verjaard is sinds 22 december 1996 met toepassing van [artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek]".

De bestreden arresten, die oordelen dat de eiseres, die "betoogt dat afstand werd gedaan van die bevrijdende verjaring" daarvan het bewijs dient te leveren en, op grond van een feitelijke beoordeling, dat genoemd bewijs niet geleverd is, schen-den de in dit onderdeel vermelde wettelijke bepalingen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Krachtens artikel 1235, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan geen terug-vordering plaatshebben ten opzichte van natuurlijke verbintenissen die men vrij-willig voldaan heeft, maar wel wanneer men die verbintenissen niet vrijwillig heeft voldaan.

De verbintenis ten opzichte waarvan het recht van de schuldeiser om in rechte op te treden door verjaring is tenietgegaan, vormt een natuurlijke verbintenis.

De natuurlijke verbintenis wordt een burgerrechtelijke verbintenis wanneer zij, doelbewust en met volledige kennis van zaken, ofwel door de schuldenaar is uit-gevoerd, ofwel door hem is erkend.

Daaruit volgt dat, wanneer de betaling van de verjaarde schuld door de schul-denaar en zijn erkenning van de natuurlijke verbintenis onder dwang zijn gebeurd, enerzijds, die betaling een recht op terugbetaling doet ontstaan, en anderzijds, de verbintenis om die natuurlijke verbintenis uit te voeren niet bindend is voor die schuldenaar.

Het bestreden arrest van 18 november 2011 stelt vast dat de eiseres "betoogt [...] dat de betaling van 300.000 frank en de beloftes om het saldo van de verjaarde schuld te betalen, die verjaarde schuld hebben gewijzigd in een natuurlijke ver-bintenis, zodat de erfgenamen hetgeen betaald is niet kunnen terugvorderen, en zij gerechtigd zou zijn van hen de gedwongen tenuitvoerlegging te eisen van hun be-lofte om het saldo te betalen".

Dat arrest overweegt het volgende: "de verbintenis ten opzichte waarvan het vor-deringsrecht van de schuldeiser verjaard is, is [...] een natuurlijke verbintenis", "die wijziging, louter en alleen door de wil van de schuldenaar, vormt de uiting van de eenzijdige wil als bron van verbintenissen ", "zij moet bijgevolg duidelijk en ondubbelzinnig zijn en de terugvordering van hetgeen betaald is moet aangenomen worden indien die betaling niet vrijwillig is gedaan, bijvoorbeeld, indien zij onder dwang van dreigbrieven is gebeurd", en "dezelfde regel geldt voor de belofte tot betaling van een verjaarde schuld."

Het bestreden arrest van 25 februari 2011 wijst erop dat "de raadsman van [de ei-seres] op 28 maart 1997 ten aanzien van notaris J. [...] ermee dreigde ‘in de ko-mende dagen' over te gaan tot ‘de gerechtelijke verkoping van het pand'", dat, "[hij], die zich beroept op de uitdrukkelijke overeenkomst van de raadslieden van de erfgenamen voor de uitvoering van die betalingen, [...] in een brief van 20 no-vember 1997 zijn dreiging [herhaalde]", dat, "[notaris B.], reeds op 21 november 1997, [...] aan notaris J. het volgende [schreef]: ‘Ik verneem van meester S. (...) dat u de storting voor zijn cliënte nog steeds niet hebt uitgevoerd (...). Zoals ik u eerder heb gemeld, heb ik formele instructies gekregen van meester B., de raads-man van de [verweerders], om een betaling te doen ten voordele [van de eiseres]. Zoals uzelf hebt kunnen lezen dreigt meester S. ermee de procedure van beslag op onroerend goed te hervatten. Mocht er jammer genoeg beslag worden gelegd op het pand, dan vrees ik dat de [verweerders] u aansprakelijk zullen stellen voor hun eventuele schade", dat "notaris J. [...] dan aan meester S., per faxbericht van dezelfde dag, [meldt] dat hij terstond 300.000 frank stort ‘in mindering van de schuldvordering [van de eiseres]'" en dat "dezelfde notaris [...] op 22 januari 1998 de aandacht van alle partijen [vestigde] op het feit dat ‘het kernprobleem in deze zaak uiteraard bestaat in de volledige betaling [aan de eiseres] van het haar verschuldigde saldo, zo niet hangt ons een gedwongen verkoping van het pand boven het hoofd".

Dat arrest overweegt, op grond van een feitelijke beoordeling: "uit de briefwisse-ling die het hof van beroep in zijn tussenarrest weergeeft, blijkt dat zowel de be-loften tot betaling als de gedeeltelijke betaling van de ziekenhuiskosten die werden gedaan door de beroepsmensen die de erfgenamen bijstonden, gebeurd zijn onder de, ondersteld werkelijke, dreiging, of althans in de vrees, van een nakende gedwongen verkoping van het pand in de nalatenschap".

Het bestreden arrest van 18 november 2011, dat niet vaststelt dat alle voorwaar-den voor de omzetting van de verjaarde natuurlijke verbintenis van de verweer-ders in een burgerrechtelijke verbintenis zijn vervuld, leidt uit die vermeldingen naar recht af dat "niet [kan] worden staande gehouden dat de gedeeltelijke beta-ling door notaris J., zelfs zonder enig voorbehoud, ‘vrijwillig' zou zijn gedaan in de zin van [artikel 1235, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek]" en, zonder aan die bepaling een voorwaarde toe te voegen die zij niet bevat, dat "uit de overgelegde stukken [niet] volgt [...] dat de opeenvolgende beloftes om het saldo van de verjaarde schuld te voldoen, die in dezelfde context werden gedaan als de voor-noemde gedeeltelijke betaling [...] het gevolg zouden zijn van een duidelijke, on-derscheiden wil om een natuurlijke verbintenis te erkennen, noch a fortiori van een wil om zich vrijelijk ertoe te verbinden ze uit te voeren".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 29 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzaking

  • Bewijslast