- Arrest van 29 november 2013

29/11/2013 - D.11.0017.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De eedaflegging bij de aanvang van der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie, waarbij niet alleen gehoorzaamheid aan de wetten wordt beloofd maar die ook een belofte van getrouwheid aan de Koning inhoudt, d.w.z. aan de Staat in al zijn fundamentele organen, waarvan de Koning het symbool is, vormt een politieke waarborg voor de regelmatige werking van die organen is dus verplicht voor al degenen die door hun ambt bijdragen tot de uitoefening van de machten die uitgaan van de Natie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0017.F

B. J.,

Mr. Sabine Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ORDE VAN APOTHEKERS,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van 14 april 2011 van de raad van beroep van de Orde van apothekers met het Frans als voertaal, uitspraak doende op verwijzing na het arrest van het Hof van 18 september 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 192 van de Grondwet;

- de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie;

- artikel 601, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1, 2, 6, 13, eerste lid, en 16, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers.

Aangevochten beslissingen

De bestreden uitspraak beslist op eisers conclusie volgens welke "de leden van de raad van beroep niet kunnen kennisnemen van de [tegen hem ingestelde] vervol-gingen omdat zij de in het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed niet hebben afge-legd", dat de raad van beroep van die vervolgingen kan kennisnemen en legt de eiser de schorsing in het recht het beroep uit te oefenen gedurende twee dagen als tuchtstraf op.

De bestreden beslissing steunt op de volgende redenen: "aangezien de raad van beroep en haar leden geen enkele openbaredienstopdracht uitoefenen in de zin van een activiteit die rechtstreeks door de openbare overheid of onder haar toezicht wordt uitgeoefend, bestaat er voor de Orde en haar organen die slechts een interne zelfregelende rol hebben, geen enkele verplichting om de in het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed af te leggen".

Grieven

Artikel 192 van de Grondwet luidt als volgt: "Geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet. Deze stelt de formule vast".

Artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aan-vang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie luidt als volgt: "Al de ambtenaren van het gerecht en van het bestuur, de officieren van de burgerwacht en van het leger en, in 't algemeen, al de ingezetenen belast met enig openbaar ambt of enigen openbaren dienst zijn verplicht, alvorens hun betrekking te aan-vaarden, de eed af te leggen in de volgende bewoordingen: ‘Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk'. Artikel 3 van het decreet bepaalt: "De eed, bij artikel 2 voorzien, wordt afgelegd voor de overheid, door de bestaande wetten daartoe aangewezen, en op de tot nu toe in acht genomen wijzen".

Artikel 601, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: "De vrederechter beëdigt alle personen die wegens hun ambt en bediening aan die voorafgaande formaliteit onderworpen zijn, in de gevallen waarin de wet de beëdigde overheid niet uitdrukkelijk heeft bepaald".

De voornoemde artikelen van het decreet van 20 juli 1831 en van het Gerechtelijk Wetboek zijn wetten die de eed regelen die elke burger met een openbare-dienstopdracht moet afleggen.

De Orde van apothekers is een door de wet (artikel 1, koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers) opgerichte beroepsorde die ermee belast werd het beroep te regelen en toezicht te houden op de personen die de artsenijbereidkunde mogen uitoefenen (artikelen 2 en 6, 1°, koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967) in het openbaar belang uit het oogpunt van de vereisten van de volksgezondheid.

Krachtens artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 nemen de raden van beroep van de Orde van apothekers kennis van het hoger beroep tegen de beslissingen die zijn genomen door de provinciale raden, met toepassing van artikel 6, 2° van dat koninklijk besluit, krachtens hetwelk de pro-vinciale radenwaken over het naleven van de regelen van de farmaceutische plich-tenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de leden van de Orde. "Hiertoe zijn zij belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die de op hun lijst ingeschreven leden in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, alsook wegens zware fouten bedreven buiten de beroepsbezigheid, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten". Krachtens artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 kan de provinciale raad, en in hoger beroep de raad van beroep, de volgende sancties opleggen: waarschu-wing, censuur, berisping, schorsing in het recht het beroep uit te oefenen gedurende een termijn die twee jaar niet mag te boven gaan en schrapping van de lijst der Orde. Aldus oefenen de raden van beroep een rechtsprekende functie uit binnen een door de wet opgerichte beroepsorde die, doordat zij onder een stelsel van autonomie de bevoegdheden van een openbare overheid uitoefenen, een publiekrechtelijk orgaan zijn met een opdracht van algemeen belang.

Bijgevolg moeten de leden van een raad van beroep van de Orde van apothekers, die uitspraak moeten doen over de tuchtvervolging ten laste van een lid van die orde en beslissen over tuchtstraffen gaande tot de tijdelijke schorsing in het recht het beroep uit te oefenen en de schrapping van de lijst van de Orde, alvorens die rechtsprekende functie uit te oefenen, de in de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed afleggen. Doordat het koninklijk besluit nr. 80 van 20 november 1967 betreffende de Orde der apothekers niet heeft bepaald welke overheid die eed moet afnemen, moet hij overeenkomstig artikel 601, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek door de vrederechter worden afgenomen.

De bestreden uitspraak, die beslist dat de leden van de raad van beroep van de Orde van apothekers met het Frans als voertaal geen openbaredienstopdracht uitoefenen "[aangezien] de Orde en haar organen [...] slechts een interne zelfregelende rol hebben", en bijgevolg niet verplicht zijn de in artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed af te leggen, die nochtans wordt opgelegd aan de personen die binnen een openbare dienst een rechtsprekende functie uitoefenen, schendt de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831, 601, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, 1, 2, 6, 13, eerste lid, en 16, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers, alsook artikel 192 van de Grondwet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie zijn al de ambte-naren van het gerecht en van het bestuur, de officieren van de burgerwacht en van het leger en, in 't algemeen, al de ingezetenen belast met enig openbaar ambt of enige openbare dienst verplicht, alvorens hun betrekking te aanvaarden, de eed af te leggen in de volgende bewoordingen: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk".

Die eedaflegging, waarbij niet alleen gehoorzaamheid aan de wetten wordt be-loofd maar die ook een belofte van getrouwheid aan de Koning inhoudt, d.w.z. aan de Staat in al zijn fundamentele organen, waarvan de Koning het symbool is, vormt een politieke waarborg voor de regelmatige werking van die organen en is dus verplicht voor al degenen die door hun functie bijdragen tot de uitoefening van de machten die uitgaan van de Natie.

Hoewel de beroepsorden door de wet opgerichte publiekrechtelijke organen zijn die binnen de werkingssfeer van sommige vrije beroepen een opdracht van alge-meen belang uitoefenen, oefenen ze die opdracht, zij het met bevoegdheden van een openbare overheid, slechts uit onder een stelsel van autonomie dat voortvloeit uit een eigen rechtsorde die geldt voor een deel van de samenleving, die onder-scheiden is van de volledige samenleving waarvoor de Staat verantwoordelijk is.

De rechtsprekende bevoegdheid die binnen die beroepsorden wordt uitgeoefend, gaat niet uit van de Natie zodat de personen die ze uitoefenen, de eed waarin arti-kel 2 van het decreet van 20 juli 1831 voorziet, niet dienen af te leggen alvorens hun betrekking te aanvaarden.

Het middel dat van een tegengestelde opvatting uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 29 november 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie

  • Eed

  • Voorwerp