- Arrest van 2 december 2013

02/12/2013 - S.12.0043.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bedragen tot beloop waarvan sommige gedeelten van de inkomens worden vrijgesteld voor de berekening van de integratietegemoetkoming, zijn de bedragen die gelden op de datum van uitwerking van de beslissing tot ambtshalve herziening, namelijk de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de beslissing tot ambtshalve herziening en niet het bedrag bij de aanvang van de procedure van de ambtshalve herziening.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0043.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken,

Mr Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J. B.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 januari 2012 van het arbeidshof te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, een middel aan:

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 9ter, § 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoet-koming zijn de bedragen, waarvan bepaalde gedeelten van het overeenkomstig de artikelen 8 en 9 bepaalde inkomen worden vrijgesteld voor de berekening van de integratietegemoetkoming, de bedragen die gelden op de eerste dag van de maand volgend op de ambtshalve herziening.

Artikel 23, § 1bis, 3°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, bepaalt dat er ambtshalve wordt overgegaan tot een herziening van het recht op de integratietegemoetkoming vijf jaar na de eerste in-gangsdatum van de laatste beslissing waarbij een dergelijke tegemoetkoming werd toegekend.

In dat geval moet, overeenkomstig artikel 23, § 2, vijfde [lees: tweede] lid, de be-slissing tot ambtshalve herziening ingaan op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

Uit voornoemde bepalingen volgt dat de overeenkomstig artikel 9ter, § 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 in aanmerking te nemen bedragen de bedragen zijn die gelden op de dag eerste dag van de maand volgend op de beslis-sing tot ambtshalve herziening.

Het onderdeel dat betoogt dat de bedragen de bedragen zijn die gelden op het ogenblik waarop de procedure tot ambtshalve herziening aanvangt, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tegemoetkomingen

  • Integratietegemoetkoming

  • Gedeeltelijk gevrijwaarde inkomens

  • Beslissing

  • Uitwerking

  • Ambtshalve herziening

  • Beslissing