- Arrest van 2 december 2013

02/12/2013 - S.12.0123.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De regels van gelijkheid en niet discriminatie vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (1994) staan eraan in de weg dat categorieën van personen die zich zonder redelijke verantwoording ten aanzien van de beschouwde maatregel in wezenlijk verschillende toestanden bevinden, op identieke wijze worden behandeld; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de overwogen maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend als is aangetoond dat er geen redelijke proportionaliteit bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0123.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. E. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 18 juni 2012.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet;

- de artikelen 17 en 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap;

- voor zoveel nodig, de artikelen 1, 2, en 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het toepasselijk is op personen met een handicap voor wie de geplande medische herziening recht op hogere tegemoetkomingen tot gevolg heeft. Voorts beveelt het de heropening van het debat om de partijen de mogelijkheid te bieden over de in het arrest bedoelde vragen standpunt in te nemen, met name betreffende de gevolgen van de vastgestelde ongrondwettigheid. Het motiveert die beslissingen met alle redenen die hier worden verondersteld volledig te zijn weergegeven, in het bijzonder met de volgende re-denen:

"Inzake de integratietegemoetkoming

Het debat wordt heropend over de gevolgen van de ongrondwettigheid van artikel 23, § 2, vijfde lid, van het van het koninklijk besluit van 22 mei 2003. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd:

De administratieve voorgeschiedenis [...]

Onderzoek van de betwisting

De litigieuze kwestie

Na het deskundigenonderzoek blijkt dat de medische toestand van de verweerder verslechterd is, namelijk dat hij, voor onbepaalde duur, sinds 1 oktober 2007 een verminderde zelfredzaamheid heeft die 12 punten bedraagt in plaats van 9 punten die hem van 1 oktober 2005 tot 30 september 2007 waren toegekend.

Het geschil betreft de datum waarop hem wegens die verslechtering een hogere integratietegemoetkoming moet worden toegekend.

De verweerder meent recht te hebben op een integratietegemoetkoming van categorie 3 in plaats van categorie 2 en dat sinds 1 oktober 2007, de eerste dag van de maand volgend op het tijdstip waarop de medische herziening gepland was.

De eiser kent hem het recht op een integratietegemoetkoming van categorie 3 slechts toe vanaf 1 oktober 2009, de eerste dag van de maand volgend op de beslissing van de administratie inzake de geplande medische herziening.

De litigieuze periode situeert zich tussen 1 oktober 2007 en 30 september 2009, rekening gehouden met de nieuwe beslissing van de eiser van 28 maart 2011, die de verweerder een integratietegemoetkoming van categorie 3 toekent vanaf 1 oktober 2009.

De regelgeving

Artikel 23 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 bepaalt: [...]

Artikel 23, § 2, vijfde lid, bepaalt dat de nieuwe beslissing inzake een geplande medische herziening uitwerking heeft op de eerste dag volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing. Het maakt niet uit of de herziening in het nadeel is van de gehandicapte persoon, bij verbetering van zijn medische toestand, dan wel in zijn voordeel, bij verslechtering van zijn toestand.

De toetsing van regelgeving aan het beginsel van niet-discriminatie

De verweerder voert aan dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet heeft de rechter het recht en de plicht na te gaan of de bepalingen van het koninklijk besluit overeenstemmen met de hogere rechtsnormen en inzonderheid met de Grondwet zelf. Die toetsing moet zowel de externe als interne wettelijkheid van de bepalingen van het koninklijk besluit betreffen en beperkt zich niet tot de kennelijke onregelmatigheden [...].

De gelijke behandeling van personen die zich ten aanzien van de toe te passen norm in verschillende situaties bevinden, kan discriminerend zijn als die gelijke behandeling niet redelijk verantwoord is.

Artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 behandelt in het kader van een geplande medische herziening personen in verschillende situaties op gelijke wijze te weten, enerzijds, de gehandicapte personen van wie de medische situatie verbeterd is en voor wie het recht op tegemoetkomingen bijgevolg beperkt wordt en, anderzijds, de gehandicapte personen van wie de toestand verslechterd is en die dus op hogere tegemoetkomingen aanspraak kunnen maken.

Voor die twee categorieën van personen bepaalt het dat een nieuwe beslissing over de tegemoetkomingen die genomen wordt in het kader van een geplande medische herziening, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de beslissing genomen werd.

Die bepaling is in het voordeel van de gehandicapte personen van de eerste categorie, aangezien hun tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht ver-minderd wordt.

Die bepaling is daarentegen ongunstig voor de gehandicapte personen van de tweede groep, aangezien zij de verhoging van hun tegemoetkomingen slechts kunnen genieten nadat de administratie een beslissing in die zin heeft genomen. In onderhavig geval werd de beslissing op 11 september 2009 genomen waardoor de verweerder met de toepassing van het koninklijk besluit slechts vanaf 1 oktober 2009 een integratietegemoetkoming van categorie 3 ontvangt (in plaats van de hem voorheen toekende categorie 2), terwijl erkend werd dat zijn toestand verslechterd was op 1 oktober 2007.

Het feit dat de betwiste bepaling in de meeste gevallen in het voordeel is van de gehandicapte persoon omdat de geplande medische herziening volgens de verweerder meestal leidt tot een verlaging van de tegemoetkomingen, rechtvaardigt niet het feit dat de gehandicapte personen van wie de toestand verslechterd is op dezelfde wijze worden behandeld.

De mogelijkheid die de gehandicapte persoon heeft om een nieuwe aanvraag tot tegemoetkoming in te dienen, waardoor de administratie een nieuwe beslissing tot toekenning kan nemen, rekening houdend met zijn nieuwe medische situatie, die overeenkomstig artikel 17, § 3, van het koninklijk besluit, uitwerking heeft op de eerste dag volgend op de dag van de nieuwe aanvraag, verantwoordt de betwiste bepaling niet op redelijke wijze.

De gehandicapte persoon is immers geenszins op de hoogte van het subtiele onderscheid in de regelgeving. Integendeel, toen de verweerder het algemeen attest van 25 september 2006 ter kennis van de eiser heeft gebracht met de erkenning van zijn medische situatie voor een beperkte periode van 1 oktober 2005 tot 30 september 2007, werd hem schriftelijk gemeld dat de administratie zijn dossier na afloop van die periode automatisch zou herzien [...]. De brief van 16 januari 2008 waarin de [eiser] hem de nodige inlichtingen heeft gevraagd voor de ambtshalve herziening van zijn dossier op 30 september 2007 wegens het evoluerend of voorlopig karakter van de medische gegevens waarop de vorige beslissing tot toekenning steunde, gaf ook niet aan dat de herziening, ook al was zij in het voordeel van de verweerder, niet op 1 oktober 2007 zou ingaan. In die om-standigheden is het onredelijk te verwachten dat de gehandicapte persoon een nieuwe aanvraag tot tegemoetkoming indient, terwijl hem gezegd was dat men zijn rechten automatisch aan het herbekijken was.

Het is bijgevolg niet redelijk verantwoord dat artikel 23, § 2, vijfde lid, gehandicapte personen die zich in verschillende situaties bevinden op gelijke wijze behandelt.

Het [arbeidshof] stelt vast dat die bepaling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij van toepassing is op gehandicapte personen voor wie de geplande medische herziening leidt tot een recht op hogere tegemoetkomingen.

De gevolgen van de ongrondwettigheid.

Als de rechter de onwettigheid of de ongrondwettigheid van een bepaling vaststelt, mag hij deze niet toepassen."

Grieven

1.1.1. Overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

De regel dat de Belgen gelijk zijn voor de wet, bepaald bij artikel 10 van de Grondwet, en de regel van niet-discriminatie in het genot van aan de Belgen toegekende de rechten en vrijheden, bepaald bij artikel 11 van de Grondwet, hebben tot gevolg dat de personen die zich in dezelfde situatie bevinden op identieke wijze moeten worden behandeld terwijl de personen die zich in verschillende situaties bevinden niet op identieke wijze kunnen worden behandeld.

1.1.2. De wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap bepaalt drie soorten tegemoetkomingen: (1) de inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen; (2) de integratietegemoetkoming toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; (3) de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.

Artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 bepaalt dat de tegemoetkomingen worden toegekend op aanvraag. De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing. De Koning bepaalt bovendien in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend en in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen.

Het koninklijk besluit van 22 mei 2003 bepaalt op welke manier de aanvraag moet worden ingediend en onderzocht. Volgens artikel 23, § 1, 5°, wordt er ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen. Volgens de tweede paragraaf, vijfde lid, van hetzelfde artikel heeft de nieuwe beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

1.2. Het arrest oordeelt dat artikel 23, § 2, vijfde lid, twee groepen van personen die zich in verschillende situaties bevinden op gelijke wijze behandelt, te weten, enerzijds, de personen met een handicap van wie de medische toestand verbeterd is en die bijgevolg recht hebben op lagere tegemoetkomingen en, anderzijds, de personen met een handicap van wie de toestand verslechterd is en die bijgevolg op hogere tegemoetkomingen aanspraak kunnen maken.

Telkenmale er wordt overgegaan tot een ambtshalve herziening van het recht op de tegemoetkoming op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen, heeft de nieuwe beslissing, volgens de bedoelde bepaling uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

Die bepaling betreft slecht één enkele groep van personen, te weten de personen met een handicap voor wie een vorige beslissing werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen en voor wie ambtshalve wordt overgegaan tot een herziening van het recht op tegemoetkomingen. Op het tijdstip van de ambtshalve herziening, is het resultaat van dat onderzoek en dus het gevolg daarvan op het recht op tegemoetkomingen, nog onbekend. Er is hier dus geen sprake van twee groepen van personen die zich in verschillende toestand bevinden en het door het arrest gemaakte onderscheid volgt niet uit de toepassing van artikel 23, § 2, vijfde lid, maar uit de feiten.

1.3. Het bestreden arrest dat beslist dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit categorieën van personen die zich in verschillende toestanden bevinden op gelijke wijze behandelt en dat die bepaling niet mag worden toegepast op grond van artikel 159 van de Grondwet, schendt bijgevolg de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet, 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003, en 1, 2 en 8 wet van 27 februari 1987.

2.1. In ondergeschikte orde, indien het Hof van oordeel is dat het bestreden arrest terecht heeft beslist dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit twee groepen van personen die zich in verschillende situaties bevinden op gelijke wijze behandelt, is het redelijk verantwoord dat deze ook op die manier worden behandeld.

De regels van gelijkheid en niet-discriminatie sluiten immers niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen in zoverre het criterium voor dat onderscheid objectief en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de genomen maatregel. Het gelijkheidsbeginsel wordt slechts miskend als is aangetoond dat er geen redelijke proportionaliteit bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Dat is ook het geval wanneer het een gelijke behandeling van verschillende groepen van personen betreft: de gelijke behandeling van personen die zich ten aanzien van de toe te passen norm in verschillende situaties bevinden, is niet discriminerend als die behandeling redelijk verantwoord is.

2.2. Artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 bepaalt dat een nieuwe aanvraag mag worden ingediend wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de toekenning of verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen. De nieuwe aanvragen kunnen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, wegens een wijziging van zijn lichamelijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toekenningsvoorwaarden. Volgens het eerste lid van paragraaf 3 van hetzelfde artikel, heeft de beslissing die ten gevolge van de nieuwe aanvraag genomen wordt, uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend.

Bovendien is de reglementering inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap een bijzonder stelsel van sociale bijstand, dat volledig door de staatskas wordt gefinancierd en niet door bijdragen. Die tegemoetkomingen zijn een financiële hulp waarvan het bedrag in de eerste plaats de bestaanszekerheid van de minst bedeelden moet garanderen. In tegenstelling tot het traditionele stelsel van sociale zekerheid dat betaling van bijdragen inhoudt, wordt dat bijzonder stelsel immers volledig gefinancierd met de algemene inkomsten van de Staat en strekt het ertoe een door de wet bepaald inkomen te verschaffen aan de personen die niet over andere voldoende bestaansmiddelen beschikken. De wetgever heeft bijgevolg redelijk kunnen oordelen dat hij zowel om budgettaire als om praktische redenen de voorwaarden mocht bepalen waarop hij het stelsel van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap met staatsgeld wou financieren.

De maatregel waarbij de beslissingen die met het oog op een ambtshalve herziening zijn genomen, wanneer de vorige beslissing genomen werd op grond van voorlopige of evoluerende elementen, uitwerking hebben op de eerste dag van de maand volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing, ongeacht of de situatie van de gehandicapte persoon verbeterd is of niet, hetgeen niet bekend is op het tijdstip van de geplande medische herziening, steunt dus op een objectief en pertinent criterium in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel en van het efficiënt aanwenden van de staatsgelden.

Aangezien de gehandicapte persoon die meent dat zijn medische situatie verslechterd is, steeds een nieuwe aanvraag mag indienen met toepassing van artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003, waardoor de nieuwe beslissing volgens § 3, eerste lid, van dat artikel, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend, houdt artikel 23, § 2, vijfde lid, van hetzelfde besluit zeker geen onbillijke beperking van de rechten van die persoon in.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden arrest niet naar recht beslist dat het niet redelijk verantwoord is, dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit gehandicapte personen die zich in verschillende situaties bevinden op gelijke wijze behandelt (schending van de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet, 17 en 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap en 1, 2 en 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap).

Aldus beslist het bestreden arrest niet naar recht dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2002 strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op gehandicapte personen die door de geplande medische herziening recht hebben op hogere tegemoetkomingen en beslist het bijgevolg niet naar recht dat het niet mag worden toegepast (schending van de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet, 17 en 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap en 1, 2 en 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De regels van gelijkheid en niet-discriminatie vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet staan eraan in de weg dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de beschouwde maatregel in wezenlijk verschillende toestanden bevinden, zonder redelijke verantwoording op gelijke wijze worden behandeld.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de doelstelling en de gevolgen van de beschouwde maatregel. Het ge-lijkheidsbeginsel wordt miskend als is aangetoond dat er geen redelijke verhou-ding bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

2. Luidens artikel 23, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betref-fende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomin-gen aan personen met een handicap, wordt er ambtshalve overgegaan tot een her-ziening van het recht op de tegemoetkoming op de datum bepaald door een vorige beslissing wanneer die werd getroffen op grond van voorlopige of evoluerende elementen.

Paragraaf 2, vijfde lid, bepaalt dat de nieuwe beslissing uitwerking heeft op de eerste dag volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing.

3. Ten aanzien van de datum waarop de beslissing tot ambtshalve herziening haar uitwerking heeft, bevinden de personen met een handicap zich in wezenlijk ver-schillende toestanden, al naargelang die beslissing een vermindering of integen-deel een verhoging van het bedrag van de tegemoetkomingen oplevert, aangezien de niet-terugwerkende kracht van de beslissing in het eerste geval in hun voordeel is, terwijl zij in het tweede geval voor hen ongunstig is.

4. Krachtens artikel 17, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 mag een nieuwe aanvraag worden ingediend wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de toekenning of verhoging van de tegemoet-komingen rechtvaardigen en kunnen de nieuwe aanvragen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfred-zaamheid van de persoon met een handicap, wegens een wijziging van zijn licha-melijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toekennings-voorwaarden.

Paragraaf 3 van dat artikel bepaalt dat de beslissing die ten gevolge van de nieuwe aanvraag genomen wordt, uitwerking heeft op de eerste van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend. Zo de nieuwe aanvraag evenwel wordt ingediend binnen drie maanden volgend op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat de toekenning of de verhoging van de uitkering rechtvaardigt of de datum waarop de aanvrager hiervan kennis gekregen heeft, kan de nieuwe beslissing uitwerking hebben op de eerste van de maand die op eerstgenoemde datum volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing.

De eenvormige toepassing van de niet-terugwerkende kracht bepaald bij voor-noemd artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003, in geval van ambtshalve herziening, wordt redelijk verantwoord door de mogelijk-heid die een persoon met een handicap heeft om een nieuwe aanvraag in te dienen, zonder te wachten op de ambtshalve herziening, en zo hogere tegemoetkomingen te verkrijgen vanaf het tijdstip van die aanvraag of vanaf een vroeger tijdstip.

Het arrest dat beslist dat artikel 23, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de personen met een handicap voor wie de geplande medi-sche herziening recht op hogere tegemoetkomingen tot gevolg heeft, schendt bij-gevolg die grondwettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op kant van het vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser tot de kosten.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 2 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gelijkheid van de Belgen voor de wet

  • Begrip

  • Categorieën van personen

  • Wezenlijk verschillende toestanden