- Arrest van 3 december 2013

03/12/2013 - P.13.1366.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd; het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of wanbedrijf zoals die zou worden uitgevoerd, ook al wordt die uiteindelijk niet zo uitgevoerd, kan een daad van strafbare deelneming zijn in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek (1). (1) Cass. 3 maart 2009, AR P.08.1451.N, AC 2009, nr. 166, met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1366.N

I

U B,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Steve Geerdens, advocaat bij de balie te Hasselt.

II

A T,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Peter Helsen, advocaat bij de balie te Hasselt en mr. Pascal Mallien, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 26 juni 2013.

Het cassatieberoep II is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 8 mei 2013 en 26 juni 2013.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een eerste memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest van 26 juni 2013.

De eiser II voert in een tweede memorie grieven aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de tweede memorie van de eiser II

1. De tweede memorie van de eiser II werd ontvangen op de griffie van het Hof op 7 oktober 2013, dit is na het verstrijken van de door artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden na inschrij-ving van de zaak op de rol op 24 juli 2013.

Deze memorie is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II

2. Het arrest van 26 juni 2013 spreekt de eisers vrij voor het feit E.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser I

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat er bij de eiser I sprake is van een begin van uitvoering van het misdadig opzet van zodra hij gewapenderhand klaarstond om binnen te vallen in T L; het oordeelt anderzijds, zonder verdere mo-tivering, dat het opzet tot doden maar een begin van uitvoering kende bij het afvu-ren van meerdere projectielen door twee dodelijke vuurwapens; aldus spreekt het arrest zichzelf tegen.

4. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat vermits de eiser I met een wapen in de hand vanaf de parking de trappen van het platform opging, hij uiteraard het opzet tot doden kende en hij rechtstreeks meewerkte aan de uitvoering ervan door gewapenderhand klaar te staan om binnen te vallen, en, anderdeels, dat het voorbedachte plan tot doden een begin van uitvoering kreeg gelet op het afvuren van meerdere projectielen door twee dodelijke vuurwapens op de vermelde plaatsen en hoogtes.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerde verweer omtrent het mededa-derschap en de stelling dat de aanwezigheid van de eiser I niet noodzakelijk was om de dood van de Bulgaren te kunnen veroorzaken, aangezien de beide broers T elk over een vuurwapen beschikten; het arrest geeft niet de gronden op waaruit blijkt dat er wel degelijk een oorzakelijk verband bestond tussen de gewapende aanwezigheid van de eiser I op de trap en het begin van uitvoering van de poging.

6. Met het oordeel dat vermits de eiser I met een wapen in de hand vanaf de parking de trappen naar het platform opging, hij uiteraard het opzet kende tot do-den en hij rechtstreeks meewerkte aan de uitvoering ervan door gewapenderhand klaar te staan om binnen te vallen, beantwoordt en verwerpt het arrest eisers ver-weer.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

7. Het enkele feit dat de rechter anders oordeelt dan door een partij in een con-clusie wordt aangevoerd, levert geen motiveringsgebrek op.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

Derde onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat C T en de andere schutter, die schoot door het keukenraam en daarom noodzakelijkerwijze over het platform was gestapt, op het platform de aanwezigen in de keuken konden zien en in de richting van de twee deuren schoten; het oordeelt anderzijds dat de omstandig-heid dat de lager staande schutter met gestrekte hand op 15 centimeter boven de vensterbank in de keuken moest vuren, zonder binnen te kunnen kijken, niets af-doet aan het opzet om te doden; aldus spreekt het arrest zichzelf tegen.

9. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat op het ogenblik dat C T en de andere schutter vanop het platform de aanwezigen in de keuken konden zien en schoten in de richting van de deuren, en, anderdeels, dat de lager staande schutter met gestrekte hand op 15 centimeter boven de vensterbank moest vuren zonder er binnen te kijken.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest oor-deelt onwettig dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de gedraging van de eiser I en het begin van uitvoering van de poging tot moord door C T; deelneming aan een voorbereidingshandeling is maar strafbaar in de mate dat er daarna daad-werkelijk een begin van uitvoering heeft plaats gevonden; het arrest stelt evenwel vast dat het oorspronkelijke plan om binnen te vallen niet werd uitgevoerd, maar dat C T heeft teruggegrepen naar het plan B om van buiten naar binnen via het keukenraam projectielen met zijn vuurwapen af te vuren; het arrest beschouwt bijgevolg het afvuren van meerdere projectielen met twee dodelijke vuurwapens als het begin van uitvoering van de poging moord; het kon dan ook de positieve daad van de eiser I bestaande in het gewapenderhand klaar staan om binnen te vallen niet als een daad van noodzakelijke hulp beschouwen, zonder dewelke het voor C T onmogelijk zou zijn om de daad van het begin van uitvoering van het misdrijf te verrichten.

11. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is.

12. Het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of wanbedrijf zoals die zou worden uitgevoerd, ook al wordt die uiteindelijk niet zo uitgevoerd, kan een daad van strafbare deelneming zijn in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek.

13. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de verstrekte hulp of bijstand al dan niet noodzakelijk is.

In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvan-kelijk.

14. Het arrest oordeelt als volgt:

- vermits de eiser I met een wapen in de hand vanaf de parking de trappen naar het platform opging, kende hij uiteraard het opzet tot doden en werkte hij rechtstreeks mee aan de uitvoering ervan door gewapenderhand klaar te staan om binnen te vallen;

- de omstandigheid dat de achterdeur op aanbellen van de eiser II niet werd geo-pend, waardoor de groep T op plan B diende over te schakelen, door kogels af te vuren via het raam van de achterdeur in de achterhal en via het keukenraam in de keuken, waardoor de lager staande schutter met gestrekte hand op 15 centimeter boven de vensterbank in de keuken moest vuren zonder er te kunnen binnen kijken, doet niets af aan het opzet om te doden;

- het voorbedachte plan tot doden kreeg een begin van uitvoering gelet op het afvuren van meerdere projectielen door twee dodelijke vuurwapens.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser I noodzakelijke hulp heeft verleend aan het feit A.I, zoals beperkt.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Middelen van de eiser II

Eerste middel

Eerste onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eiser II rechtstreeks meewerkte aan de uitvoering van het opzet om te doden door aan te bellen aan de achterdeur van T L en aldus aan het aanvankelijke plan om na het openen van de achterdeur gewapenderhand binnen te stormen; het oordeelt anderzijds dat op het aanbellen door de eiser II de achterdeur niet werd geopend, zodat met zekerheid blijkt dat er geen sprake is van het gewapenderhand binnen-stormen in T L; de rechtstreekse medewerking van de eiser II aan de uitvoering van het opzet tot doden kan dan ook niet bestaan hebben in de uitvoering van het plan om gewapenderhand binnen te stormen.

16. Het oordeel dat gelet op het niet-openen van de achterdeur na het aanbellen van de eiser II de groep T op plan B moest overschakelen door kogels af te vuren via het raam van de achterdeur in de achterhal en via het keukenraam, is niet te-genstrijdig met het oordeel dat de eiser II rechtstreeks meewerkte aan de uitvoe-ring van het opzet om te doden door aan te bellen aan de achterdeur van T L om zo na het openen van deze deur gewapenderhand binnen te stormen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: het arrest kan uit de vaststelling dat de eiser II aanbelde aan de achterdeur van T L niet wettig afleiden dat dit een daad van rechtstreekse medewerking aan de uitvoering van het opzet tot doden vormt; zelfs indien bij de eiser II de intentie zou hebben bestaan om na het openen van de achterdeur gewapenderhand binnen te stormen, dan behelst dit geenszins het bewijs dat hij uitvoering gaf aan het opzet om te doden.

18. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanig hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is.

19. Het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of wanbedrijf zoals die zou worden uitgevoerd, ook al wordt die uiteindelijk niet zo uitgevoerd, kan een daad van strafbare deelneming zijn in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek.

20. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de hulp of bijstand al dan niet noodzakelijk is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kun-nen worden aangenomen.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ont-vankelijk.

21. Het arrest oordeelt als volgt:

- de eiser II kende het opzet om te doden vermits hij de gewelddadige concurrentieslag kende en de eiser I met getrokken wapen naast hem zag staan;

- de eiser II werkte rechtstreeks mee aan de uitvoering van dit opzet doordat hij aanbelde aan de achterdeur van T L en aldus het aanvankelijk plan uitvoerde om na het openen van de achterdeur, gewapenderhand binnen te stormen;

- gelet op het niet-openen van de achterdeur na het aanbellen door de eiser II diende de groep T op plan B over te schakelen door kogels af te vuren via het raam van de achterhal en via het keukenraam, waardoor de lager staande schut-ter met gestrekte hand op 15 centimeter boven de vensterbank in de keuken moest vuren zonder er te kunnen binnen kijken;

- dit doet niets af aan het opzet om te doden.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser II noodzakelijke hulp heeft verleend aan het feit A.I, zoals beperkt.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer dat het aanbellen en daardoor alarmeren van de bewoners van T L, alsook het louter gewapend zijn met een matrak niet te rijmen vallen met de intentie om te doden en de kennis van een mogelijk opzet.

23. De verplichting artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.

24. Het verweer van de eiser II had betrekking op het niet-bewezen zijn van de intentie om te doden en de kennis van het opzet. Met de redenen die het arrest be-vat, beantwoordt het dit verweer.

De in het onderdeel aangevoerde elementen vormen geen afzonderlijk verweer, maar zijn slechts argumenten tot staving van dit verweer.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

25. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk ka-rakter van de straf: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet van belang is te weten of de tweede schutter de eiser II dan wel de eiser I was; de appelrechters hadden nochtans met het tussenarrest van 8 mei 2013 een deskundigenonderzoek bevolen om zo te kunnen bijdragen tot de identificatie van de tweede schutter; het arrest oordeelt bovendien dat het begin van uitvoering bestond in het afvuren van meerdere projectielen door twee dodelijke vuurwapens op de vermelde plaatsen en de hoogtes en dat het gebruik van twee dodelijke wapens gericht op romphoogte op de enige vluchtuitgangen van de personen wier aanwezigheid de schutters in de keuken hadden kunnen vaststellen afdoende het opzet om te doden bewijst; het arrest acht het bovendien niet bewezen dat de eiser II een vuurwapen heeft gehanteerd.

26. Uit de in het middel vermelde bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel volgt niet dat eisers schuldigverklaring aan mededaderschap in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan een poging tot moord, waarbij de appelrechters vaststellen dat het begin van uitvoering bestond in het afvuren van meerdere pro-jectielen met twee dodelijke vuurwapens en zij het opzet om te doden bewezen achten door de wijze waarop die wapens zijn gebruikt, vereist dat wordt vastge-steld dat de eiser II met een van die wapens heeft gevuurd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 208,51 euro waarvan de eiser I 82,80 euro ver-schuldigd is en de eiser II 125,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verlenen van hulp of bijstand tot de uitvoering

  • Wijze