- Arrest van 3 december 2013

03/12/2013 - P.13.1858.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ontdekking op heterdaad, bepaald in artikel 59 Grondwet, is deze bedoeld in artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; de bijzondere regels die gelden in geval van ontdekking op heterdaad op grond van laatst vermeld artikel, zijn derhalve van toepassing in geval van parlementaire onschendbaarheid (1). (1) A. De Nauw, Inleiding tot het Algemeen Strafrecht, 3e editie, Die Keure 2010, nr. 123.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1858.N

B W,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Jean-Philippe Mayence, advocaat bij de balie te Charleroi, en mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 19 november 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: in de chronologie op grond waarvan het oordeelt dat de eiser op heterdaad werd betrapt, miskent het arrest de bewijskracht van het aanvanke-lijk proces-verbaal van 31 oktober 2013; volgens dat proces-verbaal belde de re-ceptionist de politie vóór hij zich in de hotelkamer begaf, terwijl die chronologie stelt dat hij de politie pas belde nadat hij in de kamer de plastieken zak zag liggen.

2. Het onderdeel preciseert niet hoe het verschil in chronologie van de feiten zoals vastgesteld door het arrest en deze die zou blijken uit het aanvankelijke pro-ces-verbaal een invloed heeft kunnen hebben op de beoordeling van de heterdaad door het arrest.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: volgens het aanvankelijk proces-verbaal betraden de verbali-santen het hotel om 23.03 uur en de hotelkamer om 23.05 uur; bovendien stelden zij de schaafwonde aan eisers linker pols vast bij zijn arrestatie; ten onrechte ver-vroegt het arrest de intrede van de verbalisanten in de kamer tot 23.03 uur en stelt het dat zij die schaafwonde bij hun intrede hebben vastgesteld.

4. In hun proces-verbaal stellen de onderzoekers onder de rubriek "Gedrag W B" vast dat de eiser aan de bovenkant van de linker pols een schaafwonde ver-toont en dat zijn kledij wanordelijk is.

5. Met eigen redenen en overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, stelt het arrest vast dat de politie de eiser onwennig zag heen en weer bewegen en vaststelde dat er wat bloed hing aan de bovenkant van de lin-ker pols van de man (schaafwonde). Aldus geeft het arrest van het proces-verbaal van vaststelling een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: uit het aanvankelijk proces-verbaal en de in het onderdeel vermelde verhoren blijkt dat de vaststellingen, bestaande in de rode plek aan de hals van het slachtoffer en andere verwondingen, alsmede het feit dat geen sporen van inname van grote hoeveelheden medicatie werden ontdekt omdat alle aanwe-zige doosjes medicamenten nog goed vol waren, werden gedaan na 23.35 uur, te weten nadat de behandeling was gestopt en het slachtoffer dood werd verklaard; het arrest stelt ten onrechte dat de medische hulpverleners om 23.10 uur en vóór de reanimatie onder meer een rode vlek opmerkten.

7. Het arrest geeft geen uitlegging van de in het onderdeel vermelde proces-verbaal en verhoren. Het kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5, 6 en 8 EVRM, de ar-tikelen 59 en 120 Grondwet, artikel 41 Wetboek van Strafvordering en de artike-len 16, 22, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het vermoeden van on-schuld: het arrest stelt niet vast dat op 31 oktober 2013 om 23.05 uur, dit is het moment van eisers arrestatie waarop de toestand van heterdaad dient beoordeeld te worden, er reeds een van tevoren vastgesteld misdrijf was ontdekt; de strikte interpretatie van de in artikel 59 Grondwet bedoelde heterdaadprocedure vereist dat het misdrijf reeds is vastgesteld voorafgaand aan het onderzoek op heterdaad; loutere vermoedens of aanwijzingen volstaan niet; het arrest kon uit de omstandigheden die het vaststelt niet wettig afleiden dat het misdrijf "ontdekt" was "terstond nadat het gepleegd was".

9. Artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Het misdrijf ontdekt terwijl het gepleegd wordt of terstond nadat het gepleegd is, is een op he-terdaad ontdekt misdrijf."

Artikel 40, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "In geval van ontdek-king op heterdaad, wanneer het feit kan worden gestraft met een criminele straf, doet de procureur des Konings de aanwezige verdachten tegen wie sterke aanwij-zingen van schuld bestaan, vatten."

Uit die bepalingen volgt dat, voorafgaand aan de toepassing van de bijzondere re-gels die gelden in geval van ontdekking op heterdaad, er precieze elementen moe-ten bestaan waaruit objectief kan worden afgeleid dat een misdrijf gepleegd wordt of net gepleegd is.

10. Krachtens artikel 1, eerste lid, 4°, Voorlopige Hechteniswet kan in geval van een op heterdaad ontdekte misdaad of een op heterdaad ontdekt wanbedrijf, de officier van gerechtelijke politie tot arrestatie van de verdachte overgaan.

11. Artikel 59, eerste lid, Grondwet bepaalt: "Behalve bij ontdekking op heter-daad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan het lid deel uit-maakt."

Artikel 120 Grondwet bepaalt: "Ieder lid van een Gemeenschaps- of Gewestpar-lement geniet de onschendbaarheid bepaald in de artikelen 58 en 59."

De ontdekking op heterdaad, bepaald in artikel 59 Grondwet, is deze bedoeld in artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. De bijzondere regels die gelden in geval van ontdekking op heterdaad op grond van laatst vermeld artikel, zijn derhalve van toepassing in geval van parlementaire onschendbaarheid.

12. Met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie en met eigen redenen stelt het arrest onder meer vast dat:

- de eiser terstond aangetroffen werd na het plegen van het misdrijf waartoe ster-ke aanwijzingen waren;

- op 31 oktober 2013 om 22.55 uur, de eiser aan de receptionist van het hotel waar hij samen met het slachtoffer verbleef, meldde dat het slachtoffer ver-moedelijk zelfmoord had gepleegd;

- de receptionist de politie belde en de eerste verbalisanten een tiental minuten later in de hotelkamer aanwezig waren;

- die verbalisanten in de badkamer van die hotelkamer het recent overleden slachtoffer aantroffen, het lichaam halfnaakt en met de schaamstreek volledig bloot, met schuin rechts van haar hoofd een plastieken zak;

- zij de eiser, in wanordelijke kledij, in de slaapkamer onwennig zagen heen en weer bewegen en vaststelden dat hij een recente open schaafwonde vertoonde aan de linker pols;

- de eiser hen verschillende malen in het Frans heeft meegedeeld dat het slacht-offer zelfmoord had gepleegd door middel van een plastieken zak;

- de officier van gerechtelijke politie om 23.05 uur of iets later is overgegaan tot de arrestatie van de eiser.

13. Op grond van die vaststellingen kan het arrest oordelen dat op het moment van eisers arrestatie, een net gepleegde misdaad was ontdekt waarop de heter-daadprocedure van toepassing is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 59 Grondwet en de artikelen 41, eerste lid, en 49 Wetboek van Strafvordering: opdat er sprake kan zijn van he-terdaad in de zin van artikel 59 Grondwet, hetgeen restrictief uit te leggen is, dient het misdrijf vanzelfsprekend te zijn en in al zijn aspecten te zijn vastgesteld; vermoedens en aanwijzingen van het bestaan van een misdrijf volstaan niet; latere dwangmaatregelen en onderzoeksdaden kunnen niet bijdragen tot het vaststellen van de toestand van heterdaad; met de redenen die het bevat, stelt het arrest niet vast dat het misdrijf in die zin reeds was ontdekt alvorens tot eisers arrestatie door de officier van gerechtelijke politie of zijn aanhouding door de onderzoeksrechter werd overgegaan en alvorens tot onderzoeksdaden werd overgegaan.

15. Uit het antwoord op het vierde onderdeel blijkt dat, opdat een misdrijf op heterdaad kan worden vastgesteld, het volstaat dat er precieze elementen bestaan waaruit objectief kan worden afgeleid dat een misdrijf wordt gepleegd of net ge-pleegd is. Het is niet vereist dat het misdrijf door een getuige is waargenomen of door een agent van gerechtelijke politie onmiddellijk is vastgesteld, noch dat het zodanig vanzelfsprekend is en in al zijn aspecten is vastgesteld dat verder onder-zoek niet vereist is.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

16. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het vierde onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Zesde onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat, bij de beoordeling van heterdaad in de zin van artikel 59 Grondwet, het misdrijf dient vast te staan buiten vermoedens en aanwijzingen, waarbij de evolutie van het latere onderzoek naderhand deze toestand van heterdaad niet kan invullen, wat specifiek naar par-lementsleden impliceert dat het misdrijf door getuigen dient te zijn vastgesteld.

18. Met het geheel van de redenen die het overneemt van de vordering van het openbaar ministerie en met de eigen redenen die het bevat, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

19. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, 6 en 8 EVRM en de arti-kelen 16, 22, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de algemene beginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat de eerste juridische kwa-lificatie die aan de feiten werd gekoppeld, niet relevant is; aldus beantwoordt het arrest niet eisers verweer waarbij hij de kwalificatie moord betwistte omdat geen enkel element uit het strafdossier wijst op voorbedachtheid; de appelrechters wa-ren ertoe gehouden de aanwezigheid van voldoende schuldaanwijzingen betref-fende het aldus gekwalificeerde feit vast te stellen.

20. In zijn beroepsconclusie heeft de eiser de kwalificatie "moord" betwist en de appelrechters uitgenodigd aan de feiten hun juiste kwalificatie te geven, zonder uit dat verweer een bepaald rechtsgevolg af te leiden voor de regelmatigheid en de opportuniteit van het aanhoudingsbevel.

21. Het arrest dient een dergelijk verweer niet te beantwoorden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 130,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 3 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Parlementaire onschendbaarheid

  • Op heterdaad ontdekt misdrijf