- Arrest van 6 december 2013

06/12/2013 - C.10.0204.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De eiser tot herstel dient het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de fout en de schade zoals ze is ontstaan; dat verband veronderstelt dat de schade zich zonder die fout niet op dezelfde wijze had kunnen voordoen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0204.F

FORTIS BANK nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

N. W.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 oktober 2009.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 21 oktober 2013 ter griffie een con-clusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert vier middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt :

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 1149, 1150, 1153, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres om aan de verweerster een bedrag van 166.971,91 euro te betalen, vermeerderd met de moratoire interest vanaf 6 februari 1992 tot de algehele betaling, om de volgende redenen:

"De schade

Zoals hierboven is uiteengezet, raamt [de verweerster] haar schade, in haar hoedanigheid van erfgename, op een bedrag van 445.258,42 euro, subsidiair verminderd tot de helft van dat bedrag, d.i. 222.629,21 euro. In haar aanvullende conclusie na de rechtszitting van 28 mei 2009 wijst zij erop dat haar schade moet worden onderzocht in het licht van het verlies van de kans om de litigieuze effecten in het kader van de erfenis te hebben kunnen verkrijgen;

Gelet op het medehouderschap, dat een vermoeden van onverdeeldheid voor de helft inhoudt, wordt de schade op datum van 2 mei 1991 beperkt tot de helft van de waarde van de effectenrekening, wat neerkomt op 222.629,21 euro;

De schade van [de verweerster] is echter gelijk aan de vergoeding die overeenkomt met het verlies van de kans om dat bedrag te erven;

Hoewel zij aanvoert dat de waarde van de beurs beslist met 40 pct. is gestegen in de periode van 1991 tot het overlijden van [haar moeder] in 2000, wijst het hof [van beroep] erop dat niet is uitgesloten dat zij haar kapitaal tijdens haar leven voor andere doeleinden kon hebben aangewend;

Het hof [van beroep] oordeelt dat het verlies van de kans moet worden geraamd op 75 pct. van het bedrag van 222.629, 21 euro, d.i. 166.971,91 euro;

Aangezien het een geldschuld betreft, is enkel de moratoire interest verschuldigd op de datum van ingebrekestelling, te weten 6 februari 1992;

De vordering is in zoverre gegrond".

Grieven

Inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid moet degene die schadevergoeding vordert het oorzakelijk verband aantonen tussen de fout en de schade zoals ze zich heeft voorgedaan.

Dat verband veronderstelt dat zonder de fout, de schade zich niet heeft kunnen voordoen zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

De rechter kan degene die een fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de aangevoerde schade wanneer hij vaststelt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade.

De vordering die de verweerster heeft ingesteld in haar hoedanigheid van erfgename, strekte te dezen tot vergoeding van de schade die was veroorzaakt door de fout die de verweerster de eiseres verweet en die hierin bestond dat de eiseres de overschrijvingsopdracht niet heeft uitgevoerd die haar op 2 mei 1991 was gegeven door de verweerster, die destijds optrad als lasthebber van haar moeder.

Het arrest wijst erop dat de verweerster haar schade omschreef als het verlies van een kans om de helft van de waarde van de effectenrekening, tot beloop van 222.629,21 euro, van haar moeder te erven.

Het arrest merkt op "dat niet is uitgesloten dat zij haar kapitaal tijdens haar leven voor andere doeleinden kon hebben aangewend" dan die waartoe de verweerster dat kapitaal bestemde.

Het arrest erkent aldus noodzakelijkerwijs dat het oorzakelijk verband tussen de fout van de eiseres en de schade van de verweerster niet met zekerheid is aangetoond. Het sluit immers niet uit dat het betrokken kapitaal door mevrouw F. voor andere doeleinden kon zijn aangewend, waardoor het niet in haar erfenis zou zijn opgenomen.

Indien mevrouw F., volgens het arrest, haar kapitaal, ondanks de aan de eiseres verweten fout, "tijdens haar leven voor andere doeleinden kon hebben aangewend", had de verweerster dat kapitaal immers in zoverre niet aangetroffen in de in 2000 opengevallen erfenis.

Het arrest heeft de eiseres dus niet aansprakelijk kunnen verklaren voor 75 pct. van de schade van de verweerster, op grond dat het oorzakelijk verband tussen de fout van de eiseres en het verlies van een kans voor de verweerster om een gedeelte van de waarde van de effectenrekening te erven, vaststond.

Het arrest miskent aldus zowel het wettelijk begrip schade als dat van het oorzakelijk verband (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, indien aangenomen moet worden dat het arrest ten aanzien van de ver-weerster uitspraak doet in haar hoedanigheid van erfgename die een rechtsvordering in eigen naam uitoefent, en van de artikelen 1149, 1150 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek, indien aangenomen moet worden dat het arrest ten aanzien van de verweerster uitspraak doet in haar hoedanigheid van erfgename die een rechtsvordering uitoefent die deel uitmaakt van het vermogen dat in het kader van de erfenis van mevrouw F. is verkregen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Degene die schadevergoeding vordert, dient het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de fout en de schade, zoals ze zich heeft voorgedaan; dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet kan kunnen ontstaan zoals ze zich heeft voorgedaan.

De rechter kan degene die een fout heeft begaan niet veroordelen om de geleden schade te vergoeden indien hij vaststelt dat er twijfel blijft bestaan over het oorza-kelijk verband tussen de fout en die schade.

De vordering strekt tot vergoeding van de schade die de eiseres heeft veroorzaakt door de niet-uitvoering van de opdracht die de verweerster, in haar hoedanigheid van lasthebber van haar moeder, op 2 mei 1991 had gegeven om de effecten die waren geplaatst op een rekening geopend op naam van haar moeder en de heer D. over te dragen naar een van haar rekeningen.

Het arrest beslist dat, "gelet op het medehouderschap, dat een vermoeden van on-verdeeldheid voor de helft inhoudt, de schade op datum van 2 mei 1991 wordt be-perkt tot de helft van de waarde van de effectenrekening, wat neerkomt op 222.629,21 euro", en oordeelt vervolgens dat de moeder van de verweerster, die volgens de vaststellingen van het arrest was overleden op 21 juni 2000, "haar ka-pitaal tijdens haar leven voor andere doeleinden kon hebben aangewend".

Uit die overweging blijkt dat het arrest niet uitsluit dat de schade van de verweer-ster, zonder de fout van de eiseres, zich op dezelfde wijze had kunnen voordoen.

Het arrest verantwoordt derhalve niet naar recht zijn beslissing om de eiseres te veroordelen tot betaling, aan de verweerster, van een "vergoeding die overeen-komt met het verlies van een kans", die het arrest raamt op vijfenzeventig pct., "om [het] bedrag [van 222.629,21 euro] te erven".

Het middel is gegrond.

Er bestaat daarenboven geen grond om de andere middelen te onderzoeken, die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het arrest het hoger beroep ont-vankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 december 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Oorzakelijk verband

  • Bewijslast