- Arrest van 6 december 2013

06/12/2013 - C110503F-C110528F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zowel de schadevergoeding die verschuldigd is aan het slachtoffer van een daad van namaak als de verbeurdverklaring waarmee de daders van die daad gestraft worden, vallen, onder voorbehoud, wat laatstgenoemde betreft, van het geval waarin de nieuwe wet minder streng is, onder de toepassing van de wet die van kracht was op het ogenblik van de namaak.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0503.F

ABFIN nv,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. INTELLECTUAL TRADE CY, vennootschap naar Luxemburgs recht,

2. METAL CONSTRUCTION MALMEDY nv,

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie,

3. ELECTRABEL nv,

4. SUEZ-TRACTEBEL nv.

AR C.11.0528.F

1. ELECTRABEL nv,

2. SUEZ-TRACTEBEL nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. INTELLECTUAL TRADE CY HOLDING S.A.-SPF, vennootschap naar Luxemburgs recht, voorheen Intellectual Trade Cy,

2. METAL CONSTRUCTION MALMEDY nv,

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie,

3. ABFIN nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 17 januari 2011.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert acht middelen aan in het cassatieverzoekschrift dat is ingeschre-ven onder het nummer C.11.0503.F, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

De eiseressen voeren vier middelen aan in het cassatieverzoekschrift dat is inge-schreven onder het nummer C.11.0528.F, waarvan een eensluidend verklaard af-schrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Er bestaat grondt tot voe-ging.

Het cassatieberoep ingeschreven onder het nummer C.11.0503.F :

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 77, § 2, van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooi-en is die wet van onmiddellijke toepassing op de octrooien die vóór haar inwer-kingtreding zijn verleend, met behoud evenwel van de rechten die bij de inwer-kingtreding van die wet zijn verworven.

Overeenkomstig artikel 2 Burgerlijk Wetboek, dat het voormelde artikel 77, § 2, toepasselijk maakt inzake octrooien, is een nieuwe wet in de regel niet alleen on-middellijk van toepassing op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toe-standen die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Daaruit volgt dat zowel de schadevergoeding die verschuldigd is aan het slachtof-fer van namaak als de verbeurdverklaring waarmee de daders van dat misdrijf be-straft worden, onderworpen zijn aan de wet die van toepassing was op het ogen-blik van de namaak, onder voorbehoud, wat de verbeurdverklaring betreft, van het geval waarin de nieuwe wet minder streng is.

Het onderdeel, dat aanvoert dat de wet van 28 maart 1984 van toepassing is op de schadevergoeding en op de verbeurdverklaring op de enkele grond dat ze van toe-passing is op de octrooien die zijn afgeleverd vóór de inwerkingtreding ervan, faalt naar recht.

(...)

Derde middel

Op grond van de aan het hof van beroep voorgelegde stukken stelt het arrest vast wat volgt :

- de naamloze vennootschap Établissements R. Heinen werd "gesplitst om te worden vervangen voor twee nieuwe entiteiten: enerzijds de naamloze ven-nootschap ‘Engineering' en anderzijds de naamloze vennootschap ‘Établisse-ments R. Heinen'";

- "de naamloze vennootschap Engineering, die op 7 december 1989 werd opge-richt, alle goederen van de naamloze vennootschap Établissements R. Heinen toebedeeld kreeg, met uitzondering van die welke werden ingebracht in een andere naamloze vennootschap, met name ‘Établissements R. Heinen', die de-zelfde dag werd opgericht, en waarin de inbreng van vermogensbestanddelen derhalve limitatief was";

- "in de naamloze vennootschap Engineering werden met name de ‘octrooien en licenties' van de ontbonden vennootschap ingebracht [...] evenals de ‘rechten en verbintenissen die aan de ingebrachte goederen verbonden zijn', waaronder ook de schadevergoedingen die in het kader van het geschil verkregen konden worden";

- "de Dienst voor de industriële eigendom zal op de hoogte worden gebracht van de overdracht van het litigieuze octrooi aan de naamloze vennootschap Engi-neering";

- de maatschappelijke benaming van laatstgenoemde werd "op 8 mei 1990 ge-wijzigd in Metal Construction Malmedy, naamloze vennootschap";

- laatstgenoemde heeft "op 18 oktober 1991 medegedeeld dat ze het geding wenste te hervatten en dat ze vrijwillig in de zaak zou tussenkomen".

De partij, die over een overgedragen litigieuze schuldvordering beschikt, voldoet door het geding van haar rechtsvoorganger over te nemen aan de vormvereisten van artikel 1690 Burgerlijk Wetboek, dat van toepassing is op het geschil.

De beslissing volgens welke de tweede verweerster de schuldvordering betreffen-de de schadevergoeding tegen de eiseres mag opwerpen, wordt aldus naar recht verantwoord.

Het middel dat, zelfs al was het gegrond, niet tot cassatie van die beslissing kan leiden, vertoont geen belang en is mitsdien niet ontvankelijk.

(...)

Het cassatieberoep ingeschreven onder het nummer C.11.0528.F :

Eerste middel

(...)

Vierde onderdeel

Het arrest vermeldt dat "enkel de wet van 24 mei 1854 van toepassing is, aange-zien ze van toepassing blijft op de octrooien die zijn neergelegd vóór 1 januari 1987".

Het arrest, dat overweegt dat "namaak niet strafbaar is, op voorwaarde dat hij wordt gepleegd in een privésfeer en geen handelsdoeleinden heeft", past de wet van 28 maart 1984 niet toe.

Luidens artikel 4, b), van de wet van 24 mei 1854 kunnen de octrooihouders "voor de rechtbanken vervolgen al wie afbreuk zou doen aan hun rechten, hetzij door de fabricage van producten of door het aanwenden van in het octrooi begre-pen middelen, hetzij door het in bezit houden, verkopen, te koop uitstallen of het invoeren op Belgisch grondgebied van een of meer nagemaakte voorwerpen".

Er is sprake van namaak, die bestaat in het aanwenden van in het octrooi begrepen middelen in de zin van het voormelde artikel 4, b), wanneer zulks met handels-doeleinden geschiedt. Er is sprake van handelsdoeleinden wanneer het middel wordt aangewend met het oog op de daaropvolgende verhandeling van de door die aanwending verkregen voorwerpen.

In tegenstelling tot wat het onderdeel aanvoert, hoeft die aanwending niet te ge-beuren in het kader van een activiteit waarmee de houder van het octrooi of zijn rechthebbende beconcurreerd wordt.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

Luidens artikel 4, b), van de wet van 24 mei 1854 verlenen de octrooien de hou-ders ervan het recht om voor de rechtbanken eenieder te vervolgen die afbreuk zou doen aan hun rechten, hetzij door de fabricage van producten of door het aanwenden van in het octrooi begrepen middelen, hetzij door het in bezit houden, verkopen, te koop uitstallen of het invoeren op Belgisch grondgebied van een of meer nagemaakte voorwerpen.

Degenen die zich persoonlijk inlaten met de namaak, die daaraan rechtstreeks deelnemen, zijn strafbaar als mededader.

Het arrest overweegt dat "iemand die zelf technische instructies aan de bouwers geeft, ook wordt aangemerkt als namaker" en dat "degenen die rechtstreeks mee-werken aan de uitvoering van de namaak, als mededader kunnen worden gedag-vaard".

Het arrest wijst erop dat, enerzijds, de tweede eiseres "inlichtingen aan [de derde verweerster] heeft verstrekt, hoewel haar om geheimhouding was gevraagd" en dat, anderzijds, de tweede eiseres "is opgetreden als tussenpersoon tussen [de derde verweerster] en [de eerste eiseres] en laatstgenoemde ervan heeft overtuigd dat de [derde verweerster] met wat er bij Heinen was gekopieerd, de vereiste technologie zou gaan beheersen zodat de werkplaats van Tihange II haar zou kunnen worden aanbesteed".

Het arrest leidt uit die vaststellingen wettig af dat de tweede eiseres "ook een na-maker" is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Artikel 5, eerste lid, van de wet van 24 mei 1854 bepaalt dat, indien de vervolgde personen willens en wetens gehandeld hebben, de gefabriceerde voorwerpen en de werktuigen en gereedschappen die inzonderheid tot de fabricage ervan zijn be-stemd, door de rechtbanken ten voordele van de octrooihouder verbeurdverklaard worden of er een som wordt toegekend die gelijk is aan de prijs van de voorwer-pen die reeds verkocht zouden zijn.

Krachtens artikel 5, derde lid, kan er aan de octrooihouder schadevergoeding wor-den toegekend.

Hoewel de verbeurdverklaring of de toekenning van een som gelijk aan de prijs van de gebeurlijk reeds verkochte goederen geen verband houdt met de omvang van de schade van de octrooihouder, moet bij de raming van de schadevergoeding rekening worden gehouden met het herstel waartoe de voormelde verbeurdverkla-ring of toekenning van die som reeds heeft geleid.

Het arrest spreekt, enerzijds, een veroordeling uit tot de betaling van schadever-goeding, die bestaat uit de gederfde winst en het geleden verlies, dat de honararia van de raadgevend ingenieur omvat, alsook de waardebepaling van de tijd die Heinen aan het proces heeft moeten wijden, voor een totaalbedrag van 294.993,29 euro, en, anderzijds, een verbeurdverklaring bij equivalent door toekenning van een bedrag gelijk aan de prijs van de nagemaakte installatie, die geschat wordt op 991.574,09 euro.

Het arrest, dat overweegt dat "het is toegestaan de verbeurdverklaring te bevelen, ‘die een echte burgerlijke straf is' die geen verband houdt met de door de oc-trooihouder werkelijk geleden schade" en dat, bijgevolg, schadevergoeding toe-kent voor de "schade [die] uitsluitend door de namaak is veroorzaakt", maar bij de raming van de schadevergoeding geen rekening houdt met het herstel ten ge-volge van de voormelde verbeurdverklaring, schendt de voormelde bepaling.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.11.0503.F en C.11.0528.F.

Doet uitspraak in de zaak nr. C.11.0503.F :

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat de veroordeling van de naamloze vennootschap ABfin tot de betaling van een bedrag van 1.286.567,39 euro hoofdelijk moet worden uitgesproken, in zoverre het de voormelde vennoot-schap in de gerechtelijke interest veroordeelt, die partij veroordeelt om de naam-loze vennootschap Suez-Tractebel te vrijwaren tegen de veroordelingen die tegen haar in hoofdsom, interest en kosten kunnen worden uitgesproken, en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiseres tot drie vierde van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Doet uitspraak in de zaak nr. C.11.0528.F:

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de naamloze vennootschap Electra-bel en de naamloze vennootschap Suez-Tractebel in solidum veroordeelt om aan de naamloze vennootschap Intellectual Trade Cy en aan de naamloze vennoot-schap Metal Construction Malmedy het hoofdbedrag van 1.286.567,39 euro te be-talen, hen veroordeelt tot de betaling van gerechtelijke interest en uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiseressen in de helft van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte, Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Daad van namaak

  • Straffen

  • Toepasselijke wet