- Arrest van 6 december 2013

06/12/2013 - C.12.0112.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het onderzoek van de aangeklaagde tegenstrijdigheid de uitlegging veronderstelt van de wettelijke bepalingen die door het arrest worden toegepast, houdt die grief, die niet gelijkstaat met een gebrek aan redenen, geen verband met artikel 149 van de Grondwet (1). (1) Cass. 2 april 2009, AR C.08.0343.F, AC 2009, nr. 232.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0112.F

KEYSOURCE cvba,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

COMPUTER FUTURES SOLUTIONS nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 oktober 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 2.1, 3, § 2, 6, § 1°, en 20 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 26 juni 2003 betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres, met wijziging van het vonnis van de eerste rechter, om aan de verweerster de facturen te betalen waarop het geschil tussen de partijen betrekking heeft, tot beloop van het hoofdbedrag van 12.196,80 euro, verwerpt de tegenvordering van de eiseres tot terugbetaling van de facturen die zij had betaald ter uitvoering van de litigieuze overeenkomsten, op grond dat die overeenkomsten, in tegenstelling tot wat de eiseres aanvoerde, niet nietig waren omdat ze in strijd waren met de openbare orde.

Het arrest omkleedt die beslissing als volgt met redenen :

"Zowel de eerste rechter als de [eiseres] vergissen zich met betrekking tot de straf wegens de niet-erkenning van de [verweerster] ten tijde van de litigieuze feiten.

Uit het feit dat de [verweerster] destijds niet over de erkenning beschikte zoals die vereist was bij de ordonnantie van 26 juni 2003 en haar uitvoeringsbesluit van 15 april 2004, kan niet worden afgeleid dat de litigieuze overeenkomsten volstrekt nietig zouden zijn of dat de rechtsvordering van de [verweerster] derhalve wegens gebrek aan belang niet ontvankelijk zou zijn.

De betrokken erkenning is te dezen een administratieve vormvereiste, waarvan de niet-naleving bestraft wordt door strafrechtelijke bepalingen. De niet-naleving van een dergelijk administratief vormvereiste leidt geenszins automatisch tot nietigheid: de reglementeringen die dat soort vormvereisten opleggen, bepalen uiterst zelden dat de niet-naleving ervan een weerslag heeft op de overeenkomsten (...).

Er moet worden vastgesteld dat de betrokken reglementering niet heeft bepaald dat de niet-erkenning enige weerslag zou hebben op de overeenkomsten die zijn gesloten door een niet-erkend agentschap.

De rechter zou weliswaar de nietigheid van de door een niet-erkend agentschap gesloten overeenkomsten kunnen uitspreken indien blijkt dat de miskende regel of de aard der zaken zulks vereist, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van het misdrijf en het beoogde doel van de miskende regel.

De erkenning van de privé-tewerkstellingsagenschappen strekt ertoe de goede werking van de arbeidsmarkt en de bescherming van de werknemers te waarborgen. Daartoe is de betrokken reglementering geïnspireerd door verschil-lende Europese rechtsnormen.

Het staat vast dat de [verweerster] destijds wel degelijk aan de erken-ningsvoorwaarden voldeed; zij beschikte overigens over een erkenning in het Vlaamse en in het Waalse Gewest (waarvan de reglementeringen ouder zijn dan de Brusselse ordonnantie en grotendeels identiek zijn) en verkreeg die erkenning ook in het Brussels gewest op 21 november 2007.

Het sluiten, door de [verweerster], van de litigieuze overeenkomsten vormt geen aantasting van de openbare orde; die niet-erkenning heeft de belangen van de [eiseres] trouwens geenszins geschaad, aangezien zij destijds op de diensten van de [verweerster] heeft kunnen rekenen, niettegenstaande het feit dat laatstgenoemde op dat ogenblik niet was erkend.

De betrokken overeenkomsten hoeven dus niet nietig te worden verklaard en de rechtsvordering van de [verweerster] hoeft evenmin onontvankelijk te worden verklaard".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 6, § 1, van de in het middel bedoelde ordonnantie van 26 juni 2003 bepaalt dat "geen enkel privé-tewerkstellingsagentschap tewerkstellingsactiviteiten mag uitoefenen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder vooraf bij regeringsbesluit te zijn erkend".

Artikel 2.1, a), van dezelfde ordonnantie omschrijft tewerkstellingsactiviteiten met name als "iedere bemiddelingsdaad bedoeld om de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt op elkaar af te stemmen, zonder dat de bemiddelaar partij wordt in de arbeidsbetrekkingen die eruit kunnen voortvloeien".

Artikel 20 van dezelfde ordonnantie bestraft eenieder die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tewerkstellingsactiviteiten uitoefent zonder te zijn erkend, met strafrechtelijke straffen.

2. Voor de feitenrechter werd niet betwist dat de verweerster aan die reglementering onderworpen was en dat zij, op het ogenblik waarop zij de litigieuze overeenkomsten heeft gesloten, niet beschikte over de door het voormelde artikel 6, § 1, vereiste erkenning.

De wet die de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of die, in het privaat recht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust, is van openbare orde (Cass., 9 december 1948, AC, 1948, 615; zie, voor meer verwijzingen, Van Ommeslaghe, Les obligations, dl. I, 2010, nr. 216).

Daarenboven kan een verrichting die door middel van een misdrijf tot stand is gekomen, niet als geldig worden aangemerkt (Cass., 9 juni 1887, Pas., 1887, I, 298). Het feit dat de toepasselijke reglementering niet uitdrukkelijk bepaalt dat de overeenkomsten die zijn gesloten door een niet-erkend tewerkstellingsagentschap nietig zijn, volstaat derhalve op zich niet om die straf niet toe te passen, aangezien de erkenning vereist is op straffe van strafrechtelijke straffen.

3. Het arrest trekt te dezen niet in twijfel dat de reglementering inzake tewerkstellingsagentschappen de openbare orde raakt.

Integendeel, het stelt om de in het middel weergegeven redenen vast dat:

de erkenning van de tewerkstellingsagentschappen ertoe strekt de goede werking van de arbeidsmarkt en de bescherming van de werknemers te waarborgen;

Die doelstelling komt overeen met de vrijwaring van de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap of van de juridische grondslagen waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust en, bijgevolg, met de openbare orde conform de rechtspraak van het Hof;

de reglementering die van toepassing is op tewerkstellingsagentschappen wordt, wat betreft de noodzaak om over een erkenning te beschikken teneinde hun activiteit uit te oefenen, strafrechtelijk bestraft;

Het bestaan van dergelijke straffen bevestigt dat de reglementering, die het algemeen belang moet vrijwaren, van openbare orde is.

4. Hieruit volgt dat de voorafgaande erkenning van het tewerkstellingsagentschap met het oog op de uitoefening van haar activiteiten, volgens de analyse van het arrest zelf, een verplichting is die de openbare orde raakt.

Het arrest, dat vervolgens beslist dat het feit dat de verweerster de litigieuze overeenkomsten heeft gesloten zonder te zijn erkend in de zin van artikel 6, § 1, van de in het middel bedoelde ordonnantie van 26 juni 2003, "geen aantasting van de openbare orde vormt", en dat om die reden weigert die overeenkomsten nietig te verklaren, is derhalve tegenstrijdig en schendt dus artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

De nietigheid wegens miskenning van de openbare orde is volstrekt en kan worden gevorderd door eenieder die daar belang bij heeft (De Page, dl. I, nr. 97 ; P. Van Ommeslaghe, Droit des obligations, 2010, dl. II, nr. 631) .

Dat geldt met name voor de medecontractant (P. Van Ommeslaghe, ibidem) die, net als de eiseres, facturen heeft betaald ter uitvoering van een overeenkomst die strijdig is met de openbare orde.

Het arrest, dat beslist dat de eiseres zich niet kon beroepen op de nietigheid van de litigieuze overeenkomsten, op grond dat de niet-erkenning van de verweerster haar belangen niet zou hebben geschaad, alleen maar omdat de verweerster haar verplichtingen zou zijn nagekomen, schendt bijgevolg de in het middel bedoelde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

Derde onderdeel

De in het eerste onderdeel bedoelde reglementaire bepalingen verbieden een niet-erkend tewerkstellingsagentschap om haar activiteiten uit te oefenen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Om de in het tweede onderdeel gegeven redenen zijn die bepalingen van openbare orde en leiden zij tot de nietigheid van de overeenkomsten die zijn gesloten door een tewerkstellingsagentschap dat niet over de door die reglementering vereiste erkenning beschikt.

Het arrest, dat weigert de litigieuze overeenkomsten nietig te verklaren, hoewel niet was betwist dat de verweerster ze had gesloten zonder over de voormelde erkenning te beschikken, schendt de in het middel bedoelde bepalingen van de ordonnantie van 26 juni 2003 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het onderzoek van de door het onderdeel aangeklaagde tegenstrijdigheid veron-derstelt een uitlegging van de wettelijke bepalingen die door het arrest worden toegepast.

Die grief, die niet gelijkstaat aan een gebrek aan redenen, houdt dus geen verband met artikel 149 van de Grondwet.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

Noch de bepalingen van de ordonnantie van 26 juni 2003 van het Brussels Hoofd-stedelijk Gewest betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die volgens het onderdeel geschonden zijn, noch enige andere bepaling van die ordonnantie bepalen dat het gebrek aan vooraf-gaande erkenning van een privé-tewerkstellingsagentschap leidt tot de nietigheid van de overeenkomsten die het agentschap sluit in de uitoefening van tewerkstel-lingsactiviteiten.

De omstandigheid dat de uitoefening van tewerkstellingsactiviteiten zonder voor-afgaande erkenning strafrechtelijk wordt bestraft, betekent niet dat de overeen-komsten die gesloten worden met een niet-erkend privé-tewerkstellings-agentschap, volstrekt nietig zouden zijn.

Het arrest, dat oordeelt dat "de rechter weliswaar de nietigheid van de door een niet-erkend agentschap gesloten overeenkomsten zou kunnen uitspreken indien blijkt dat de miskende regel of de aard der zaken zulks vereist, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van het misdrijf en het beoogde doel van de miskende regel", dat "de erkenning van de privé-tewerkstellingsagenschappen er-toe strekt de goede werking van de arbeidsmarkt en de bescherming van de werk-nemers te waarborgen", dat "de [verweerster] destijds aan de erkenningsvoor-waarden voldeed", dat "zij overigens over een erkenning in het Vlaamse en in het Waalse Gewest beschikte [...] en die erkenning ook in het Brussels gewest ver-kreeg", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat "het sluiten, door de [verweer-ster], van de litigieuze overeenkomsten geen aantasting van de openbare orde vormt".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De, in het eerste en in het derde onderdeel vergeefs bekritiseerde, overweging dat "het sluiten [...] van de litigieuze overeenkomsten geen aantasting van de open-bare orde vormt", vormt een afdoende en afzonderlijke juridische grondslag voor de beslissing van het arrest dat "de overeenkomsten niet nietig hoeven te worden verklaard".

Het onderdeel, dat gericht is tegen een overtollige redengeving, is niet ontvanke-lijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 december 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Grief die een tegenstrijdigheid in de redenen van de beslissing en tussen de redenen en het dictum ervan aanvoert

  • Ontvankelijkheid